Conclusie
1.HP Nederland B.V.,
1.De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
substitutiemodelworden bepaald en niet volgens het
licentiemodel, terwijl dat laatste model in het zijdens de Staat gehanteerde Sman-rapport ter onderbouwing van de thuiskopieschade figureert, dat aan de basis ligt van de hofbeslissing, hetgeen zodoende onjuist is volgens HP c.s.
[d]e vergoeding en de voorwerpen waarop deze rust, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet, zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit’. In deze bijlage is niet alleen, net als voorheen, een thuiskopievergoeding voor CD-R en DVD-R vastgesteld, maar ook voor de volgende voorwerpen: externe HDD Drive, Audio-/videospeler, HDD Recorder/Settopbox, Telefoon met Mp3-speler/Smartphone (kortweg: smartphone), Tablet en PC/Laptop. Bij al deze voorwerpen is in de bijlage een bepaald bedrag aan thuiskopievergoeding genoemd, bijvoorbeeld bij smartphones < 16 Gb: € 2,50 en tablets > 8 Gb: € 5,00. De in punt 5 van het SONT-advies genoemde totale bruto-incasso van 40 miljoen euro is het vertrekpunt geweest voor het bepalen van de hoogte van de thuiskopievergoeding per aangewezen voorwerp.
ACI/Thuiskopie [7] in strijd is met de Auteursrechtrichtlijn, en dat de hoogte van de thuiskopievergoeding - anders dan het
Padawan-arrest [8] van het HvJ EU voorschrijft – niet is berekend op basis van de schade die de rechthebbenden hebben geleden als gevolg van de invoering van de uitzondering voor privé-kopiëren, maar willekeurig tot stand is gekomen.
mutatis mutandishetzelfde geldt (zie rov. 3.1
in fine).
ACI/Thuiskopie- HvJEU) – het nagestreefde bruto incassobedrag (aanzienlijk) lager zou zijn uitgevallen. Aan de andere kant is het bedrag van 40 miljoen euro de resultante van een sobere regeling (zie punt 3 van het SONT-advies) hetgeen voeding kan geven aan de gedachte dat juiste hantering van de toepasselijke maatstaven in een hoger, althans een minder ‘sober’ bedrag zou hebben geresulteerd. Hoewel hierdoor voormelde objectieve aanwijzing ten faveure van het standpunt van HP c.s. in elk geval ten dele wordt geneutraliseerd, brengt naar het oordeel van het hof die objectieve aanwijzing niettemin met zich dat hogere eisen mogen worden gesteld aan de onderbouwing door de Staat c.s. van hun betwisting van het standpunt van HP c.s., dat het bedrag van 40 miljoen euro te hoog is c.q. de onderbouwing van hun verweer dat dit bedrag voldoende overeenkomt met het door de rechthebbenden geleden nadeel voor kopiëren uit alleen legale bron (vgl. punten 4.1.8, 4.1.8.3 en 4.18.4 MvA- S, punt 337 MvA-TK en punt 35 PA-TK).
Copydan-kopieën [10] worden meegerekend). Uit punt 26 PA-TK blijkt dat TK zich hierbij aansluit. Het Sman-rapport is zo lang (een maand) voor het pleidooi in hoger beroep overgelegd dat HP c.s. voldoende tijd heeft gehad om haar daarop bij dat pleidooi (met verlengde pleittijd) te geven – en gegeven (zie de punten 48 e.v. PA-G) – reactie voor te bereiden, zodat er geen reden is om dit rapport buiten beschouwing te laten of om HP c.s. de gelegenheid te bieden daarop nog nader te reageren, zoals door haar bij pleidooi is verzocht (punten 4 en 5 PA-D/S). Overigens heeft de Staat met overlegging van dit rapport, waarmee alleen een reeds eerder gevoerd verweer is geconcretiseerd, niet de twee-conclusie-regel geschonden.
Privékopiëren – editie 2015’, waarvan in december 2015 een rapport is opgemaakt (het Veldkamp 2015-rapport; de
management summaryhiervan zal hierna worden aangeduid met de toevoeging ‘
-ms’). Aangezien dit rapport door TK al was overgelegd als productie T3 bij de op 9 februari 2016 genomen MvA-TK heeft HP c.s. negen maanden de tijd gehad om daarop een reactie bij pleidooi voor te bereiden. De tegen overlegging van deze productie en de andere bij de MvA-TK overgelegde producties gemaakte bezwaren (punt 4 PA-D/S) zouden, wanneer zij niet zouden zijn ingetrokken, dan ook ongegrond zijn geoordeeld.
ITV/TV Catchup’ heeft de ARl als ‘voornaamste doelstelling een hoog beschermingsniveau voor de auteurs te verwezenlijken, zodat deze een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen’ (punt 22). Kenmerkend voor het substitutiemodel is dat in het geval dat een consument een kopie maakt omdat dat nu eenmaal mogelijk is, maar niet een origineel zou hebben aangeschaft wanneer hij geen kopie had kunnen maken, er geen sprake is van schade. Deze situatie zal zich tamelijk vaak voordoen, met als gevolg dat bij een schadeberekening aan de hand van het substitutiemodel in veel gevallen de auteurs geen enkele beloning ontvangen voor het gebruik (kopiëren) van hun werken, hetgeen strijdig is met voormelde doelstelling van de ARl. Dit euvel kleeft niet aan een schadeberekening aan de hand van het licentiemodel. Daarom kan de keuze die in het Sman-rapport voor dit model is gemaakt, niet als onjuist worden bestempeld, en moet het in het PWC-rapport gebruikte substitutiemodel als niet- passend worden beschouwd.
ms-versie) is opgenomen met gegevens die zijn verkregen uit een steekproef onder in totaal 1.505 personen. Deze tabel ziet er als volgt uit.
in fine) – de tijd weergeeft die de gemiddelde Nederlander (en niet: de gemiddelde muziekconsument) besteedt aan de consumptie van op eigen apparatuur opgeslagen thuiskopieplichtige werken.
Hoeveel content heeft men op de dag van invullen live streaming geconsumeerd en vanaf apparatuur opgeslagen geconsumeerd?’.
Consumptie’. Sheet 9 maakt immers duidelijk dat dit deelonderzoek is gehouden onder een andere populatie (n = 1.774 in plaats van n = 1.505) en gaat over ‘opslaan’, ‘delen met anderen’ en ‘verwijderen’, en niet over de consumptie van de hoeveelheid content.
(…). Op dit moment telt TNS NIPObase 218.108 respondenten uit 144.662 huishoudens. Hiervan zijn 133.278 mensen uit 59.832 huishoudens online benaderbaar.
Doelgroep: NL publiek 10+, n=1.505
Een “mixed mode” opzet
Hoeveel content heeft men op de dag van invullen live streaming geconsumeerd en vanaf apparatuur opgeslagen geconsumeerd?
mixed mode’-opzet, is er geen grond om aan te nemen dat de deelnemers aan het Veldkamp 2015-onderzoek, en specifiek de deelnemers aan het onderzoek van sheet 25, ‘heavy users’ waren. Dat er een (in elk geval: ogenschijnlijke) discrepantie bestaat tussen de cijfers in kolom 5 van sheet 25 van het Veldkamp 2015-rapport en de cijfers van het SCP moet dus een andere oorzaak hebben. Over zo’n andere oorzaak is door HP c.s. echter niets naar voren is gebracht. Niet kan worden uitgesloten dat sprake is van een fout in of onvolledigheid van de SCP-cijfers zoals deze door HP c.s. zijn gepresenteerd, waarbij een rol speelt dat dit op summiere wijze is gebeurd: in deze procedure is van het SCP-rapport over de periode tot 2005 alleen de verkorte weergave uit het SONT-advies beschikbaar gesteld, en van het rapport over de periode daarna alleen een enkele tabel (in punt 56 PA-G), en niet het rapport zelf. Er is kortom door HP c.s. – hoewel dat op haar weg lag (rov. 3.5) – niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de gegevens in kolom 5 van sheet 25 van het (bij haar al lang bekende, zie rov. 4.2) Veldkamp 2015-rapport onjuist zijn.
Aantal in 1 jaar opgeslagen thuiskopieplichtige werken (= het aantal jaarlijks gemaakte thuiskopieën) (factor I
)
)
)
ms.In tabel 7 op blz. 8 van laatstgenoemd rapport-
ms– dat is sheet 26 van het rapport zelf – is vermeld dat in 2015 het aantal thuiskopieplichtige werken dat op maandbasis werd opgeslagen 597,8 miljoen bedroeg. In het Sman-rapport is dit geëxtrapoleerd naar 7.173,6 miljoen op jaarbasis, waarbij is inbegrepen een aantal van 70,8 miljoen voor games die echter buiten beschouwing moeten worden gelaten (blz. 13), zodat resteren 7.102,8 miljoen werken (zie ook tabel 10 op blz. 27).
in fine– is onderbouwd dat in de jaren 2012, 2013 en 2015 de rechthebbenden schades volgens de criteria van
Padawanen de daarop volgende HvJEU- rechtspraak hebben geleden van achtereenvolgens 31, 28 en 23,5 miljoen euro.
in fine, met het PWC- rapport uit 2012 – moeten die stellingen van de Staat c.s. voor juist worden gehouden.
ACI/Thuiskopie-HR heeft de HR hierover twee deelregels geformuleerd, te weten:
[h]erziening van het stelsel van voorwerpen en heffingen (…) noodzakelijk is om te bewerkstelligen dat Nederland blijft voldoen aan de verplichtingen in (de ARl)’ en dat ‘
[i]n het advies van de SONT (…) tevens rekening (is) gehouden met arrest van het Hof van Justitie in (Padawan)’.
Copydan, punten 26 en 27), tenzij zij zo weinig voor privé-kopiëren worden gebruikt dat de schade voor de rechthebbenden minimaal is, in welk geval het mogelijk is dat geen verplichting bestaat om de compensatie te betalen (
Copydan, punten 28 en 29). HP c.s. heeft – hoewel dat op haar weg lag – echter niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de schade voor de rechthebbenden minimaal was. Verder kan erop gewezen worden dat in bijlage C bij het SONT-advies voor smartphones, computers, externe HDD drives en tablets het heffingsplichtig gebruik is vastgesteld op 10-20% van de totale capaciteit en dat hieruit volgt dat er rekening mee is gehouden dat de capaciteit voor een groot deel – dus voor ongeveer 80-90% – wordt gevuld met niet-heffingsplichtig materiaal, zoals HP c.s. heeft gesteld. Haar grief 5 stuit op dit alles af.
grief 2 van HP c.s.– waarin wordt aangevoerd dat de in de 2012/2015-AMvB’s opgenomen schadebedragen te hoog zijn – wordt het volgende vooropgesteld. In
Padawanis het uitgangspunt neergelegd dat de billijke vergoeding moet worden berekend ‘op basis van het criterium van de schade’ die door de auteurs is geleden. Dit betekent dat de billijke vergoeding, het stelsel waarop zij berust en het niveau ervan ‘verband (moeten) houden met de schade geleden door de rechthebbenden als gevolg van het kopiëren voor privégebruik’ (
Copydan, punt 21). Door het HvJEU is dit uitgangspunt als volgt uitgewerkt (in o.m.
Amazonen
HP/Reprobel):
Padawan, punt 37;
Amazon, punten 20 en 40);
Amazonpunt 51);
HP/Reprobel, punten 69-72).
grief 4 van HP c.s.– inhoudend dat ‘niet Rome’-uitvoerend kunstenaars, met name Amerikaanse acteurs [lees: auteurs, A-G], ten onrechte zijn meegenomen bij de bepaling van (de hoogte van) de tarieven in de AMvB’s – hebben de Staat c.s. in hoger beroep, en ook al in de eerste aanleg, gemotiveerd ingebracht dat het hier hooguit om een klein, niet significant deel gaat (punten 2.5.1-11 van de conclusie van dupliek van de Staat; punten 5.2.13.1 MvA-S; punten 137-143 MvA-TK). Dit is door HP c.s. niet weerlegd. Voor zover Argument D/grief 4 strekt ten betoge dat de in de AMvB’s opgenomen heffingsbedragen te hoog zijn, kan dat dus slechts weinig te hoog zijn en is het onder 9.9 overwogene van overeenkomstige toepassing, in aanmerking ook nemend dat, naar onder8.1 tot uitdrukking is gebracht, het ervoor moet worden gehouden dat de aan het Sman-rapport ontleende schadebedragen niet tevens zien op niet-Rome materiaal: HP c.s. heeft niet aangevoerd dat bij de vaststelling van het aantal thuiskopieplichtige thuiskopieën in het Veldkamp 2015-rapport (zie rov. 7.4) zulk materiaal is meegerekend. Voor zover Argument D/grief 4 strekt ten betoge dat de Amerikaanse auteurs in de AMvB’s ten onrechte niet zijn uitgesloten, wordt over het hoofd gezien dat de tekst daarvan die uitsluiting toelaat, zodat, vanwege RC-Deelregel I, de AMvB’s dienovereenkomstig moeten worden uitgelegd. Ook grief 4 is dit alles overziend vergeefs voorgesteld.
de grieven 7 en 8 van HP c.s.berusten op het juiste uitgangspunt dat geen thuiskopievergoeding is verschuldigd voor kopieën die worden gemaakt voor zakelijk gebruik (punt 190 e.v. MvG; punten 11 en 18-23 PA-D/S). Op grond van de 2012/2015- AMvB’s moet echter ook een heffing worden betaald voor bijvoorbeeld een laptop die alleen voor zakelijk gebruik wordt aangeschaft; er wordt geen onderscheid gemaakt tussen aanschaf voor zakelijk gebruik en voor privé-gebruik. Het HvJEU heeft evenwel aanvaard dat een dergelijk stelsel zonder onderscheid in overeenstemming kan zijn met de ARl indien aan twee voorwaarden is voldaan:
Microsoft/SIAE, punten 34-37. Uit punt 55 (juncto punt 36) van dat HvJEU-arrest blijkt dat – anders dan HP c.s. lijkt te willen betogen in punt 19 PA-D/S – een dergelijk stelsel ook in het geval dat wordt aangetoond dat de apparaten of dragers zijn aangeschaft voor duidelijk andere doeleinden dan kopiëren voor privé-gebruik, niet noodzakelijkerwijs een vrijstellingsregeling hoeft te bevatten, als het maar voorziet in een doeltreffend recht op teruggave.
Microsoft/SIAE, waar HP c.s. zich ter onderbouwing van die stelling op heeft beroepen. Het HvJEU legt het EU-recht uit en beoordeelt daardoor of dit zich verzet tegen een nationale regeling met een bepaalde inhoud, doch laat zich niet in met de vraag hoe een nationale regeling moet worden ingericht en vormgegeven. Voormelde stelling van HP c.s. vindt ook overigens geen steun in het recht en wordt verworpen.
grief 1 van HP c.s.faalt. De richtlijnconforme uitleg van de AMvB’s heeft tot gevolg dat zij niet strijdig zijn met de ARl. Voor zover de vorderingen van HP c.s. zijn gebaseerd op het standpunt, dat van zo een strijdigheid wel sprake is, zijn zij niet toewijsbaar.
grief 1 van de Staaten de
enige grief van TKin de incidentele appellen waarmee wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de 2012/2013-AMvB’s strijdig zijn met het verbod van willekeur.
Landbouwvliegers’ (NJ 1987, 251) op zichzelf niet tot onverbindendheid van de AMvB’s kan leiden (zie o.m. MvA-TK punten 310-313). Ook andere door HP c.s. geuite motiveringsklachten (zie bijv. rov. 9.8.
in fine) kunnen om deze reden niet slagen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
toelatenen daarom zo moeten worden uitgelegd dat zij zo’n regeling ook inderdaad
bevatten. Dat is een fictie van het hof die niet doeltreffend is voor betalingsplichtigen als HP c.s. in de zin van de Luxemburgse jurisprudentie (rov. 9.11, 9.13 en 9.14).
Padawan/SGAEeen autonoom Unierechtelijk begrip [12] :
Imation/Staat c.s.worden deze arresten besproken [13] , naar welke bespreking ik graag verwijs. Het is nog steeds een actueel overzicht, omdat uitleg van art. 5 lid 2 sub b ARL Pro daarna niet meer aan de orde is geweest in de Luxemburgse rechtspraak. Ik bespreek hierna kort zeven arresten die met name voor onze zaak van belang lijken te zijn.
Imation/Staat c.s. [14] (in het voetspoor van bedoelde conclusie van Langemeijer) is uitgemaakt dat een betalingsplichtige in het Nederlandse stelsel van thuiskopievergoeding een vordering tot terugbetaling van te veel afgedragen thuiskopieheffing kan instellen.
Padawan/SGAE [16] ,
Amazon/Austro-Mechana [17] , ACI Adam e.a./Stg. de Thuiskopie [18] ,
Copydan/Nokia Danmark [19] ,
Hewlett-Packard Belgium Bvba/Reprobel Cvba [20] ,
EGEDA e.a [21] en
Microsoft e.a/MIBAC en SIAE e.a. [22] relevant.
Padawan/SGAEwerd geoordeeld dat uit de considerans onder 35 en 38 van de Auteursrechtrichtlijn volgt dat de “conceptie en het niveau van de billijke compensatie verband houden met de schade die voor de auteur resulteert uit de reproductie van zijn beschermd werk die zonder zijn toestemming voor privégebruik wordt gemaakt” (punt 40). Daar leidt het Hof uit af dat de billijke compensatie moet worden beschouwd als de vergoeding van de door de auteur geleden schade.
Amazon/Austro-Mechanaoordeelde het Hof dat de lidstaten een grote mate van vrijheid hebben om de vorm, modaliteiten en het niveau van de billijke compensatie te bepalen (punten 20 en 40). Dit is in latere arresten herhaald, waarbij is verduidelijkt dat de lidstaten hierbij bovendien een ruime beoordelingsmarge hebben [23] .
zonder onderscheidwordt opgelegd voor
alle dragersdie geschikt zijn voor reproductie, ook wanneer deze dragers uiteindelijk worden gebruikt op een manier die niet onder de in art. 5 lid 2 sub b ARL Pro bedoelde situatie valt, toch met de richtlijn kan sporen. Dat stelsel moet dan worden gerechtvaardigd door praktische moeilijkheden en de betalingsplichtigen moeten ook over een recht op terugbetaling van dergelijke overcompensatie beschikken dat doeltreffend is en de teruggave van de betaalde vergoeding niet uiterst moeilijk maakt (punten 29-31) [24] .
ACI Adam e.a./Stg. de Thuiskopiewerd overwogen dat art. 5 lid 2 sub b ARL Pro niet van toepassing is op kopieën voor privégebruik die zijn vervaardigd uit een ongeoorloofde bron (punt 41). Voor dergelijke kopieën is dus - anders dan de Staat lange tijd heeft gedacht - geen thuiskopieheffing verschuldigd.
Copydan/Nokia Danmarkis – onder verwijzing naar punt 40 en 42 van
Padawan/SGAE– geoordeeld dat de billijke compensatie en dus het stelsel waarop zij berust en het niveau ervan verband moeten houden met de schade geleden door de rechthebbenden als gevolg van het kopiëren voor privégebruik (punt 20 en 21). Lidstaten kunnen betalingsplichtigen vrijstellen van de betaling van de billijke compensatie op voorwaarde dat de schade voor de rechthebbenden in die gevallen minimaal is. De lidstaten hebben daarbij de beoordelingsbevoegdheid om de drempelwaarde voor die schade vast te stellen, met dien verstande dat deze drempelwaarde in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling moet worden toegepast (punt 61).
EGEDA e.a.werd overwogen dat uit de considerans onder 35 en 38 van de Auteursrechtrichtlijn volgt dat de in art. 5 lid 2 onder Pro b) van die richtlijn bedoelde billijke compensatie ertoe strekt de rechthebbenden naar behoren te compenseren voor het gebruik dat zonder hun toestemming van hun werken of beschermd materiaal wordt gebruikt. Een zinvol criterium waarmee rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van de omvang van die compensatie, is het nadeel dat de betrokken rechthebbende heeft geleden door de betreffende reproductie (punt 26). Het staat bijgevolg in beginsel aan de personen die zonder voorafgaande toestemming van de betrokken rechthebbenden werken of beschermd materiaal reproduceren en hun op deze manier nadeel berokkenen, om dit nadeel te herstellen door de daartoe ingestelde billijke compensatie te bekostigen (punt 27).
Microsoft e.a/MIBAC en SIAE e.a. [25] is de essentie van de complexe Luxemburgse rechtspraak op dit punt gerecapituleerd:
Dipasa/Huyton-arrest [28] , zoals de klacht kennelijk aandraagt met verwijzing naar dit arrest in voetnoot 25 van de procesinleiding in cassatie. In het oordeel van het hof ligt besloten dat HP c.s. wel voldoende gelegenheid hebben gehad om van het Sman-rapport kennis te nemen en daarop adequaat te reageren. Die feitelijke beslissing is ook afdoende gemotiveerd. Er is in rov. 4.1 door het hof rekenschap gegeven van het “late filing”-protest van HP c.s. en hun verzoek gelegenheid te krijgen tot nadere reactie, maar dat is kennelijk gewogen en te licht bevonden in dit geval. Die beslissing is goed te volgen en voor verdere toetsing daarvan is in cassatie geen plaats.
ITV/TV Catchup’ heeft de ARl als ‘voornaamste doelstelling een hoog beschermingsniveau voor de auteurs te verwezenlijken, zodat deze een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen’ (punt 22). Kenmerkend voor het substitutiemodel is dat in het geval dat een consument een kopie maakt omdat dat nu eenmaal mogelijk is, maar niet een origineel zou hebben aangeschaft wanneer hij geen kopie had kunnen maken, er geen sprake is van schade. Deze situatie zal zich tamelijk vaak voordoen, met als gevolg dat bij een schadeberekening aan de hand van het substitutiemodel in veel gevallen de auteurs geen enkele beloning ontvangen voor het gebruik (kopiëren) van hun werken, hetgeen strijdig is met voormelde doelstelling van de ARl. Dit euvel kleeft niet aan een schadeberekening aan de hand van het licentiemodel. Daarom kan de keuze die in het Sman-rapport voor dit model is gemaakt, niet als onjuist worden bestempeld, en moet het in het PWC-rapport gebruikte substitutiemodel als niet- passend worden beschouwd.”
nonconforme interpretatie van (de aard van) de thuiskopievergoeding uit art. 16c lid 2 Aw in het licht van art. 5 lid 2 sub b ARL Pro. Richtlijnconforme interpretatie van art. 16c lid 2 Aw verzet zich tegen een thuiskopievergoeding voor iedere gemaakte thuiskopie ook zonder dat daardoor schade wordt geleden door de rechthebbende. De juiste (richtlijnconforme) interpretatie is dat de thuiskopievergoeding strekt tot vergoeding van nadeel geleden door de rechthebbende door de betreffende reproductie. Daarom is het uitgangspunt van het licentiemodel onjuist dat iedere thuiskopie een bepaalde licentiewaarde vertegenwoordigt. Zo lijdt de rechthebbende bijvoorbeeld geen via de thuiskopievergoeding te vergoeden nadeel als de thuiskopieerder niet een origineel zou hebben aangeschaft. Het gaat bij de thuiskopievergoeding om een billijke compensatie van nadeel, niet om een billijke vergoeding voor het maken van de thuiskopie zelf; het auteursrecht is beperkt door de thuiskopieregeling, aldus de toelichting op deze klacht (procesinleiding in cassatie onder 2.1.1 tot en met 2.1.5) en het licentiemodel is daarmee niet verenigbaar. De thuiskopieregeling ziet op het compenseren van gederfde winst. In deze toelichting op deze klacht leunen HP c.s. hierbij zwaar op de conclusie van A-G Szpunar in de
EGEDA-zaak [29] .
Microsoft e.a/MIBAC en SIAE e.a- arrest heeft het HvJ EU dit als volgt verwoordt:
Padawan-arrest, s.t. onder 2.2.9-2.2.10 en 2.2.16), waarin staat dat wanneer de schade voor de rechthebbende minimaal is, het mogelijk is dat geen betalingsverplichting ontstaat. Ook daaruit volgt volgens HP c.s. dat het licentiemodel niet verenigbaar is met een richtlijnconforme uitleg van art. 16c lid 2 Aw, omdat in dat model een vergoeding staat tegenover het maken van elke thuiskopie. HP c.s. leiden hier dus uit af dat niet elke thuiskopie te compenseren schade veroorzaakt. Ik begrijp dit aspect uit de considerans in het licht van het besproken
Copydan/Nokia Danmark-arrest (vgl. hiervoor in 2.8) anders: als schade ontstaat en deze minimaal is, dan hebben de lidstaten de mogelijkheid om betalingsplichtigen vrij te stellen van de betaling van de billijke compensatie. De lidstaten mogen voor dergelijke minimale schade een drempelwaarde vaststellen [32] .
EGEDA-arrest van het HvJ EU (zie ook hiervoor onder 2.10) [33] . Daarin werd onder verwijzing naar considerans onder 35 van de richtlijn benadrukt dat de billijke compensatie ertoe strekt de rechthebbende te compenseren voor “het gebruik dat zonder hun toestemming van hun werken of beschermend materiaal wordt gemaakt”:
ITV/TVCatchupoverweegt dat de Auteursrechtrichtlijn als voornaamste doelstelling heeft een hoog beschermingsniveau voor de auteurs te verwezenlijken, “zodat deze een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen”. Dat brengt volgens de klacht niet mee dat in de thuiskopiecontext de rechthebbende een “passende beloning moet kunnen ontvangen”, maar dat aan hem “een billijke compensatie wordt betaald”. Deze billijke compensatie moet – naar het hof heeft miskend in rov. 5.2, waarin alleen is gelet op de belangen van de rechthebbenden – beantwoorden aan het rechtvaardige evenwicht tussen de belangen van rechthebbenden en van gebruikers. Het hof had daarom ook de belangen van de gebruikers in zijn oordeel moeten betrekken. Dat pleit voor een substitutiemodel, omdat daarin niet wordt gecompenseerd voor thuiskopieën waardoor geen winst wordt gederfd of verkopen worden gemist, zodat een te ruime thuiskopieheffing kan worden voorkomen.
ITV/TVCatchupheeft miskend dat dat arrest ziet op openbaarmaking van auteursrechtelijke werken, dus ziet op het exclusieve recht van de maker, waarvoor de maker een passende beloning moet kunnen ontvangen. Het maken van een thuiskopie behoort niet tot het exclusieve recht van de maker (lees: het is een beperking op het auteursrecht).
ACI Adam c.s/Thuiskopie & SONT [36] waarin het volgende werd geoordeeld:
te verstaan als: de voor de desbetreffende kopieerhandeling gederfde licentievergoeding)dat de rechthebbenden ondervinden van de reproductiehandelingen die binnen het toepassingsgebied van art. 16c Aw vallen, te compenseren, (…)” (onderstreping A-G)
ITV/TVCatchuparrest ziet op openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermde werken. Het hof wijst namelijk op punt 22 van dat arrest waarin het Luxemburgse hof de voornaamste doelstelling van de Auteursrechtrichtlijn (in het algemeen) van een hoog beschermingsniveau voor auteurs noemt en de passende beloning voor hun werken “met name” (en dus niet: “uitsluitend”, zo ook s.t. zijdens de Staat onder 3.13) koppelt aan het Unieauteursrechtelijke begrip “mededeling aan het publiek”:
Copydan/Nokia Danmark, dat gaat over de thuiskopievergoeding, wordt in punt 3 overigens ook op deze doelstelling van de Auteursrechtrichtlijn gewezen. In gelijke zin hierover ook de s.t. zijdens Stichting De Thuiskopie onder 57 en 58. De tweede klacht mist dus feitelijke grondslag.
Hoeveelcontent
heeft men op de dag van invullen live streaming geconsumeerd en vanaf apparatuur opgeslagen) geconsumeerd?’.
Consumptie’. Sheet 9 maakt immers duidelijk dat dit deelonderzoek is gehouden onder een andere populatie (n = 1.774 in plaats van n = 1.505) en gaat over ‘opslaan’, ‘delen met anderen’ en ‘verwijderen’, en niet over de consumptie van de hoeveelheid content.”
mixed mode’-opzet, is er geen grond om aan te nemen dat de deelnemers aan het Veldkamp 2015-onderzoek, en specifiek de deelnemers aan het onderzoek van sheet 25, ‘heavy users’ waren. Dat er een (in elk geval: ogenschijnlijke) discrepantie bestaat tussen de cijfers in kolom 5 van sheet 25 van het Veldkamp 2015-rapport en de cijfers van het SCP moet dus een andere oorzaak hebben. Over zo’n andere oorzaak is door HP c.s. echter niets naar voren is gebracht. Niet kan worden uitgesloten dat sprake is van een fout in of onvolledigheid van de SCP-cijfers zoals deze door HP c.s. zijn gepresenteerd, waarbij een rol speelt dat dit op summiere wijze is gebeurd: in deze procedure is van het SCP-rapport over de periode tot 2005 alleen de verkorte weergave uit het SONT-advies beschikbaar gesteld, en van het rapport over de periode daarna alleen een enkele tabel (in punt 56 PA-G), en niet het rapport zelf. Er is kortom door HP c.s. – hoewel dat op haar weg lag (rov. 3.5) – niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de gegevens in kolom 5 van sheet 25 van het (bij haar al lang bekende, zie rov. 4.2) Veldkamp 2015-rapport onjuist zijn.”
onder 3.3.1is dat het oordeel dat HP c.s. alleen bij haar Plta II (G) § 62 bezwaar hebben gemaakt tegen de tariefstelling, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het subonderdeel betoogt dat HP c.s. immers ook bij Plta II (G) § 63 en 58-61 bezwaar hebben gemaakt tegen de tariefstelling.
onderdeel 3.4bevat alleen een inleiding) is gericht tegen rov. 7.5:
nderdeel 4is – met name – gericht tegen rov. 9.6-9.8:
Padawanis het uitgangspunt neergelegd dat de billijke vergoeding moet worden berekend ‘op basis van het criterium van de schade’ die door de auteurs is geleden. Dit betekent dat de billijke vergoeding, het stelsel waarop zij berust en het niveau ervan ‘verband (moeten) houden met de schade geleden door de rechthebbenden als gevolg van het kopiëren voor privégebruik’ (
Copydan, punt 21). Door het HvJEU is dit uitgangspunt als volgt uitgewerkt (in o.m.
Amazonen
HP/Reprobel):
Padawan, punt 37;
Amazon, punten 20 en 40);
Amazonpunt 51);
HP/Reprobel, punten 69-72).
Hewlett-Packard Belgium Bvba/Reprobel Cvba:
Hewlett-Packard Belgium Bvba/Reprobel Cvba. Daar is het volgende overwogen:
Reprobelis dan ook vruchteloos.
ACI c.s./Thuiskopie en SONT [41] als volgt verwoord:
Microsoft/SIAE, punten 34-37. Uit punt 55 (juncto punt 36) van dat HvJEU-arrest blijkt dat – anders dan HP c.s. lijkt te willen betogen in punt 19 PA-D/S – een dergelijk stelsel ook in het geval dat wordt aangetoond dat de apparaten of dragers zijn aangeschaft voor duidelijk andere doeleinden dan kopiëren voor privé-gebruik, niet noodzakelijkerwijs een vrijstellingsregeling hoeft te bevatten, als het maar voorziet in een doeltreffend recht op teruggave.
Microsoft/SIAE, waar HP c.s. zich ter onderbouwing van die stelling op heeft beroepen. Het HvJEU legt het EU-recht uit en beoordeelt daardoor of dit zich verzet tegen een nationale regeling met een bepaalde inhoud, doch laat zich niet in met de vraag hoe een nationale regeling moet worden ingericht en vormgegeven. Voormelde stelling van HP c.s. vindt ook overigens geen steun in het recht en wordt verworpen.
voorafte worden vrijgesteld van betaling van deze vergoeding.
Microsoft/SGAEarrest waarin het volgende is overwogen:
Microsoft/SGAEarrest volgens mij niet worden gelezen dat een derde voorwaarde is dat een thuiskopiestelsel zelf een vrijstellingsregeling bevat (s.t onder 5.2.3).
Microsoft/SGAEblijkt immers het tegendeel: daarin is een vrijstellingsregeling in de vorm van overeenkomst-protocollen tussen betalingsplichtigen en de SIAE als ontoereikend beoordeeld.
Microsoft/SGAEniet voorgeschreven hoe een thuiskopiestelsel eruit moet zien. Het Luxemburgse hof heeft in die zaak alleen aangegeven dat en waarom het Italiaanse thuiskopiestelsel niet in lijn was met de Auteursrechtrichtlijn.
als geheel(waarvan de AMvB’s – waar het in deze zaak om gaat – onderdeel uitmaken [43] ) een terugbetalingsregeling omvat die geregeld is in een (beleids-)regeling van Stichting de Thuiskopie. Van een door het hof bedachte fictie is dan ook geen sprake, zodat de klacht uit subonderdeel 5.3 in zoverre feitelijke grondslag mist. Het betoog van HP c.s. dat een terugbetalingsregeling kenbaar in de AMvB’s zou moeten staan, kan ook niet worden gevolgd, zoals het hof in rov. 9.13 terecht heeft overwogen. De Luxemburgse rechtspraak schrijft niet voor in welk stuk wetgeving een terugbetalingsregeling moet staan. De klachten van subonderdeel 5.3 stuiten hier naar ik meen op af.
Landbouwvliegers’ (NJ 1987, 251) op zichzelf niet tot onverbindendheid van de AMvB’s kan leiden (zie o.m. MvA-TK punten 310-313). Ook andere door HP c.s. geuite motiveringsklachten (zie bijv. rov. 9.8.
in fine) kunnen om deze reden niet slagen.
Staat/Normamet Stichting De Thuiskopie een schikking heeft getroffen waaruit blijkt dat zij het erover eens zijn dat de totale schade in de periode 2007-2012 € 20 miljoen per jaar was (en dus niet € 40 miljoen per jaar, zoals vastgesteld in de AMvB’s).
Landbouwvliegers-arrest werd door Uw Raad het volgende overwogen [46] :