Conclusie
Inleiding
eerste middel, voorzien van een uitvoerige onderbouwing, gesteld dat:
tweede middelbevat de klacht dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard vanwege de omstandigheid dat het openbaar ministerie met het in gang zetten van onderhavige vervolging, wetende dat deze resulteert in een dubbele veroordeling c.q. bestraffing, in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
De bewezenverklaring
Het in hoger beroep gevoerde verweer
De overwegingen van het hof
Bespreking van het eerste middel
eerste middelvalt uiteen in vier klachten:
eerste klachthoudt in dat de veroordeling van de verdachte in strijd is met het art. 6 EVRM Pro neergelegde recht op een eerlijk proces aangezien deze veroordeling ertoe zal leiden dat het rijbewijs van de verdachte op grond van de in art. 123b WVW 1994 neergelegde recidiveregeling van rechtswege ongeldig zal worden. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat de toepassing van de recidiveregeling een criminal charge in de zin van art. 6 EVRM Pro is, terwijl een met voldoende rechtswaarborgen omklede rechtsgang, zoals vereist door art. 6 EVRM Pro, ontbreekt. Volgens de stellers van het middel getuigt het oordeel van het hof dat toepassing van art. 123b WVW 1994 niet moet worden aangemerkt als een criminal charge dan ook van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
derde klachtrichten zich tegen het oordeel van het hof dat van dubbele vervolging of dubbele bestraffing geen sprake is.
vierde klachtbevat de stelling dat de recidiveregeling van art. 123b WVW 1994 in strijd is met het door art. 7 EVRM Pro vereiste kenbaarheids- en voorzienbaarheidsvereiste van straffen, omdat niet voorzien is in een waarschuwingssysteem waarbij diegenen die voor een eerste maal zijn veroordeeld voor het rijden onder invloed worden geïnformeerd over de gevolgen van een mogelijke tweede veroordeling.
De maatregel van art. 123b WVW 1994, een criminal charge?
De recidiveregeling van art. 123b WVW 1994
Criminal charge ex art. 6 EVRM Pro
Waarborgen van art. 6 EVRM Pro
Strijd met toegang tot de rechter?
Evenredigheidsbeginsel
Toegang tot de burgerlijke rechter
Conclusie: geen strijd met art. 6 EVRM Pro
Strijd met het verbod op dubbele bestraffing?
tweede klachthoudt in dat het oordeel van het hof dat de toepassing van art. 123b WVW 1994 niet moet worden aangemerkt als een criminal charge getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
De
derde klachthoudt in dat het oordeel van het hof dat van dubbele vervolging of dubbele bestraffing geen sprake is onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd, aangezien aan de verdachte reeds de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA) is opgelegd en hij heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de rijgeschiktheid. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Strijd met art. 7 EVRM Pro
middel de klachtdat (primair) de recidiveregeling in strijd is met art. 7 EVRM Pro, omdat het bestaan van de regeling onvoldoende kenbaar en voorzienbaar is en (subsidiair) dat de toepassing van de recidiveregeling in het geval van de verdachte strijd met art. 7 EVRM Pro oplevert, aangezien het bestaan en de gevolgen van de regeling voor hem niet kenbaar en voorzienbaar waren en de concrete duur van de ongeldigheid van het rijbewijs (te) ongewis is.
door de rechterdie de bestreden uitspraak heeft gewezen, zodat zij geen bespreking behoeven.
Bespreking van het tweede middel
tweede middelbevat de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dit standpunt houdt in dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard, omdat het openbaar ministerie, wetende dat een veroordeling automatisch resulteert in de ongeldigheid van het rijbewijs voor onbepaalde tijd, het hof vraagt een oordeel te geven waartoe het onbevoegd is in het licht van de beginselen van een behoorlijke procesorde, namelijk het in gang zetten van een dubbele veroordeling c.q. bestraffing.