Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
"Gelet op de omstandigheden dat de door belanghebbende gemaakte vervoerskosten van € 5.469 niet hoger zijn dan die van met belanghebbende vergelijkbare belastingplichtigen zonder ziekte, zijn deze vervoerskosten terecht niet in aftrek toegelaten, aldus de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht afgewezen."
"de Inspecteur de in 2005 tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd".
"Het Hof is van oordeel dat de opzegging van de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is gebeurd. Behoudens bijzondere omstandigheden waarvan in het onderhavige geval niet is gebleken, staat het de Inspecteur in beginsel vrij van een zonder tijdsbepaling gedane toezegging als de onderhavige terug te komen. Belanghebbende is ruim van tevoren geïnformeerd over de aankomende opzegging van de vaststellingsovereenkomst, zodat hem, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, een redelijke termijn is gegund om zich hierop in te stellen. Van een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur is daarom geen sprake.”
“bijzondere omstandigheden".Wel een boeteclausule bij eenzijdige opzegging.
“Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd."
Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur
5.Beoordeling van de klachten
clausulevan bijzondere omstandigheden, maar op het in casu
ontbrekenvan bijzondere omstandigheden op grond waarvan de vaststellingsovereenkomst niet zou kunnen worden opgezegd. [55] Overigens is in de vaststellingsovereenkomst in casu opgenomen dat partijen ‘nakoming van de overeenkomst kunnen vorderen, al dan niet met schadevergoeding’.
’s Hofs oordeel omtrent het ontbreken van bijzondere omstandigheden en de overweging dat belanghebbende ruim van tevoren is geïnformeerd over de (aankomende) opzegging (en aldus het daarmee gunnen van een redelijke termijn), geven mijns inziens blijk van een aanvaardbare feitelijke toetsing aan de redelijkheid en billijkheid. [56] Dat is mijns inziens conform de jurisprudentie van de Hoge Raad over het opzeggen van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd zonder opzegbeding. [57]