Conclusie
ex nunc, (11) de afwijzing van het verzoek van [eiser] om verhoging van het voorschot op de vergoeding van kosten van juridische bijstand, en (12) de passering van een door [eiser] gedaan bewijsaanbod.
1.Procesverloop
mondelingdoor mr. J.F. de Groot voor [eiser] en de mrs. M.W. Scheltema en mr. S.J.M. Bouwman voor de Staat en
schriftelijkdoor mr. J.F. de Groot voor [eiser] en mr. M.W. Scheltema voor de Staat. Mr. J.F. de Groot en mr. M.W. Scheltema hebben vervolgens op 10 maart 2017 nog schriftelijk gereageerd op elkaars schriftelijke toelichtingen.
bovengrondse) tracé vastgesteld was in het tracébesluit als bedoeld in art. 24 lid Pro 1 (oud) Tracéwet, terwijl tegen dat besluit beroep had opengestaan op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uw Raad oordeelde (rov. 3.4.3 en 3.4.4) dat in het onteigeningsgeding een stelling over de mogelijkheid van een ondergrondse in plaats van bovengrondse aanleg van de Betuwelijn ter plaatse van het te onteigenen niet meer ter bestrijding van de noodzaak van de onteigening aan de orde kon komen.
3.Bespreking van het middel in het principale beroep
onderdeel 2.1.1adstrueert het middel deze klacht met de stelling dat de rechtbank had behoren in te gaan op (zo begrijp ik het onderdeel) het betoog van [eiser] dat
gelet op het samenstel van en de (gedeeltelijke) samenloop van de planologische procedure, de administratieve onteigeningsprocedure en de gerechtelijke onteigeningsprocedurede beginselen van ‘fair trial’, ‘equality of arms’, de rechtswaarborgen in art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM, de art. 6, 8 en 13 EVRM, art. 14 IVBPR Pro en de art. 7 en Pro 17 EU-Handvest voor de grondrechten, zijn geschonden, en in dit verband niet zonder meer mocht uitgaan van de rechtmatigheid van het Rijksinpassingsplan.
gelet op het samenstelvan de procedures. Het middel en de daarop door mr. De Groot gegeven toelichting maken dat niet duidelijk.
onteigeningsbesluitis ingegeven door de overweging dat in de administratieve procedure die leidt tot dat besluit geen sprake is van behandeling van tegen de besluitvorming ingebrachte bezwaren door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Dat ligt anders bij bezwaren tegen de besluitvorming die leidt tot vaststelling van bestemmings- of inpassingsplannen. Die bezwaren worden immers (zie art. 8.2 Wet ruimtelijke ordening) behandeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die wel degelijk heeft te gelden als een onafhankelijk en onpartijdig gerecht als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. [21]
Mutatis mutandismoet, nu tegen het Rijksinpassingsplan een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang (beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) heeft opengestaan, waarvan [eiser] ook, zij het zonder succes, gebruik heeft gemaakt, in het onderhavige onteigeningsgeding worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het Rijksinpassingsplan.
gelet op het samenstel van de deels gelijktijdig lopende drie proceduresde beginselen van ‘fair trial’, ‘equality of arms’, de rechtswaarborgen in art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM, de art. 6, 8 en 13 EVRM, art. 14 IVBPR Pro en de art. 7 en Pro 17 EU-Handvest voor de grondrechten zijn geschonden, heeft de rechtbank inderdaad niets gedaan, maar dit betoog kon denk ik hoe dan ook niet slagen, omdat het berust op de opvatting dat de Afdeling bestuursrechtspraak en de Kroon in verband met de samenhang van de planologische en de administratieve onteigeningsprocedure bijzondere eisen van procedure-overstijgende rechtsbeginselen in acht moeten nemen, waaraan de onteigeningsrechter in het kader van de hem opgedragen rechtmatigheidsbeoordeling van het onteigeningsbesluit en van de gevorderde onteigening zou moeten toetsen. Die opvatting lijkt mij niet juist, en de klacht acht ik dan ook ongegrond.
onderdeel 2.2.1onder a-h opgesomde, volgens het onderdeel essentiële, stellingen. Inderdaad is de rechtbank op die stellingen niet ingegaan, maar dat brengt niet mee dat het vonnis moet worden vernietigd.
onderdelen 4.1-4.3.5klagen over verwerping door de rechtbank van het betoog van [eiser] dat het KB onrechtmatig is omdat (zie rov. 4.4.1), kort samengevat:
onderdelen 5-5.3) bestrijdt de verwerping van het standpunt van [eiser] dat het KB onrechtmatig is omdat de Kroon de uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb niet correct heeft gevolgd. De rechtbank oordeelde in rov. 5.3.3 dat [eiser] dit standpunt reeds bij de Kroon heeft ingenomen, en dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat dit standpunt onjuist is.
het ontwerp van het te nemen besluit(met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp [46] ) ter inzage wordt gelegd, waarna belanghebbenden (art. 3:15 Awb Pro) hun zienswijze over het ontwerp naar voren kunnen brengen. Het ligt mijns inziens niet voor de hand, en lijkt ook onlogisch en onpraktisch, hierin te lezen dat de wetgever van het bestuursorgaan verlangt dat reeds het ontwerpbesluit ingaat op zienswijzen die nog niet conform art. 3:15 Awb Pro naar voren zijn gebracht. Uit hetgeen de Kroon in het onderhavige KB op blz. 7 onder Ad 4 overweegt, maak ik op dat een ontwerpbesluit tot aanwijzing ter onteigening dat conform afdeling 3.4 Awb ter inzage wordt gelegd in beginsel niet uitdrukkelijk aandacht besteedt aan individuele belanghebbenden.
onderdeel 5.1.1) kan naar mijn mening blijven liggen, omdat een volle toetsing dezelfde uitkomst oplevert.
1 mei 2014.
Staatmaar
Vlaanderen(het Vlaams Gewest) zal zorgen voor voorbereiding en uitvoering van de ontwikkeling van het intertijdengebied in de Hertogin Hedwigepolder en het noordelijk gedeelte van de (in België liggende) Prosperpolder, daaronder begrepen studie en onderzoek, het opmaken van plannen en aanbestedingsbescheiden, de aanbesteding en het toezicht. [48] Bij die stand van zaken lijkt goed denkbaar dat [eiser] eenvoudigweg (de Staat en) het Vlaams Gewest toestemming geeft het project op de hem toebehorende percelen te realiseren. Of men dit nog als ‘zelfrealisatie’ kan aanmerken kan men zich natuurlijk afvragen, en of [eiser] een dergelijke gang van zaken voor ogen had met zijn beroep doet op zelfrealisatie, is mij niet duidelijk.
kan worden afgeweken, indien, zoals in het onderhavige geval, het te realiseren project niet lucratief is.’ In zoverre hanteerden de rechtbank en de Kroon dus wel degelijk verschillende maatstaven en (zo zou men kunnen zeggen) miskent de rechtbank geenszins dat het ’op eigen kosten’-vereiste niet zonder meer kan gelden indien het gaat om niet-lucratieve projecten als het onderhavige.
lucratieveexploitatie van de onroerende zaak mogelijk lijkt te maken. In het onderhavige geval wil de Staat gronden in een polder onteigenen teneinde daarop een buitendijks natuurterrein (estuariene natuur) te (laten) realiseren, hetgeen de rechtbank aanmerkt (ik denk terecht) als een niet lucratief project. Een heel bijzondere omstandigheid is daarbij dat de eigenaar, om hem moverende redenen, (kennelijk) hoge prijs stelt op het behoud van de eigendom, ook als zijn percelen worden ontwikkeld tot natuurterrein. Dit brengt naar mijn mening met zich mee dat er voor dit geval weinig of niets te leren valt van beslissingen in eerdere zaken waarin het ging over zelfrealisatie van lucratieve bestemmingen.
van de onteigening ter uitvoering van dat plan is daarmee ook gegeven.”
in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komendat die bereidheid of mogelijkheid niet bestaat. Althans meen ik dat in het onderhavige geval de toetsing van het KB, wil die buiten de gevarenzone blijven van art. 6 EVRM Pro en art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM, een gradatie van marginaliteit zou behoren te hebben die op een
volle toetsingvan de verwerping door de Kroon van het zelfrealisatieverweer neerkomt of zo’n volle toetsing zeer dicht benadert. Die (bijna) volle toetsing zou naar mijn mening in ieder geval moeten plaatsvinden waar het gaat om de vragen of de eigenaar bereid en in staat is tot zelfrealisatie in de door de verzoeker tot onteigening gewenste vorm en of voldoende getracht is de voor het werk benodigde gronden in der minne te verwerven. [52]
onderdeel 6.3.2, waarin geklaagd wordt dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Overigens wijst mr. Scheltema er in zijn schriftelijke toelichting (nr. 3.10.5) terecht op dat de Staat bij de rechtbank wel degelijk het standpunt heeft ingenomen dat zelfrealisatie inhoudt dat de eigenaar de bestemming zelf realiseert en dat [eiser] dat dan ook voor eigen rekening en risico zou dienen te doen. Ook deze klacht lijkt mij dus ongegrond.
onderdeel 6.3.3acht ik evenwel, mede tegen de achtergrond van hetgeen ik hierboven in de nrs. 3.47-3.49 op het tapijt heb gebracht, gegrond. In het vonnis is inderdaad geen voldoende begrijpelijke respons te vinden op de stellingen (vermeld in onderdeel 6.3.3 onder a (i)-(iv) en c (i)-(v) die [eiser] in zijn conclusie van antwoord heeft aangevoerd ten betoge dat (de Kroon heeft miskend dat) zijn zelfrealisatievoornemen voorziet in een oplossing van de problemen die met betrekking tot (het beheer en het onderhoud van) cruciale waterstaatswerken en het ontpolderde gebied zouden kunnen voortvloeien uit een ontpoldering zonder onteigening. Relevant lijkt mij daarbij dat [eiser] heeft aangevoerd, zoals onderdeel 6.3.3 onder d (i) en (ii) benadrukt, dat de Staat geen overleg heeft willen voeren over zelfrealisatie en over een door [eiser] aan de Staat voorgelegd concept voor een in verband daarmee tussen [eiser] en de Staat te sluiten overeenkomst.
onderdeel 6.3.5, gericht tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 5.3.4) dat de omstandigheid dat de Staat (een deel van) de kosten van de ontpoldering mogelijk kan declareren bij de Belgische overheid aan het voorgaande niet afdoet. Dit oordeel lijkt mij inderdaad zonder nadere toelichting onvoldoende gemotiveerd. Ik vind het al hoogst onbillijk om van [eiser] als zelfrealisator te verlangen dat hij de kosten draagt van de in het algemene belang noodzakelijk geachte ontpoldering van de Hedwigepolder, die zal meebrengen dat zijn agrarisch gebruikte gronden zullen veranderen in buitendijkse estuariene natuurgronden. Van hem te verlangen dat hij die kosten draagt terwijl de Staat die kosten zou kunnen declareren bij de Belgische overheid, [55] lijkt mij buiten alle proporties, ofwel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid – die ook bij de toepassing van het onteigeningsrecht niet uit het oog mogen worden verloren – onaanvaardbaar. Ik betreur dat ik niet in staat ben deze ferme visie met opinies van gezaghebbende auteurs of rechtspraak van Uw Raad te adstrueren, maar deze zaak brengt Uw Raad nu eenmaal, als gezegd, op onteigeningsrechtelijk
terra incognita, waar het juridisch instinct, of liever: het (al of niet aangeboren) rechtvaardigheidsgevoel een richtingwijzer oplevert die men serieus heeft te nemen.
onderdeel 7.1.1is ongegrond, mist althans feitelijke grondslag, omdat de rechtbank, zich aansluitend bij de overwegingen van de Kroon, niet heeft miskend dat perceel U19 (door de rechtbank per abuis aangeduid als perceel U10) bestaat uit schor.
‘andere documenten waaruit kan blijken welke wijze van uitvoering de verzoeker voor ogen staat’. Daaronder vallen dus ook inrichtingstekeningen zonder planologische status. Indien de eigenaar de planologische bestemming zelf wil (en kan) realiseren, maar in een andere dan de door de onteigenende partij gewenste vorm, wijst de Kroon het beroep op zelfrealisatie af, indien Zij aanneemt dat in het publiek belang dringend behoefte staat aan de vorm van planuitvoering die de onteigenende partij heeft gekozen. [57] Daarom is het ook zinvol dat de onteigenende partij aan de Kroon duidelijk maakt welke wijze van planuitvoering haar voor ogen staat en is het dus nuttig dat een (concept-)uitwerkingsplan of een inrichtingsplan bij de ter inzage te leggen stukken wordt gevoegd. [58] Het spreekt, lijkt mij, vanzelf dat ook de onteigeningsrechter bij toetsing van het onteigenings-KB betekenis mag hechten aan een bij de onteigeningsstukken ter inzage gelegde inrichtingstekening die de Kroon heeft betrokken in Haar overwegingen, ook al heeft die inrichtingstekening geen juridische status als een bestemmings- of inpassingsplan.
zelfrealisatie, omdat, zoals in rov. 5.3.4 is overwogen, niet van de Staat kan worden verlangd dat die de kosten van de zelfrealisatie draagt.
hetgeen onteigend moet worden [64] bij minnelijke overeenkomst te
verkrijgen. Bij zelfrealisatie zal de onteigenende partij, uiteraard, niets verkrijgen. Een onteigenende partij die een beroep op zelfrealisatie (gedaan in de hierboven in 3.60 bedoelde periode) zonder meer afwijst, verzuimt dus mijns inziens niet om te voldoen aan het gebod van art. 17.
onderdelen 8.1 en 8.2, aanhef en onder a., b., c., e., en f.stuiten hierop af.
recht van erfpachtuit te geven op de percelen die nodig zijn voor de realisering van het inpassingsplan (
onderdeel 8.2, aanhef en onder d.). Dat aanbod is kennelijk niet door [eiser] aan de orde gesteld in de zienswijze die hij in de administratieve procedure naar voren heeft gebracht, zodat de Kroon zich daarover niet heeft gebogen, en het aanbod bij de toetsing van het KB door de rechtbank niet aan de orde kon komen. [65] Het alternatief van eeuwigdurende erfpacht is, in de hierboven in 3.60 bedoelde periode, aangedragen door de advocaat van [eiser] in een bespreking met de advocaat van de Staat i.f.i. mr. M. Rus-van der Velde van 19 december 2014. [66] Mr. Rus-van der Velde heeft bij brief van 5 februari 2015 [67] uiteengezet dat en waarom het voorstel van eeuwigdurende erfpacht voor de Staat niet bespreekbaar was.
de eigendomvan de voor de ontwikkeling van het in het Verdrag bedoelde intertijdengebied in de Hertogin Hedwigepolder te verwerven.
allein de onteigening begrepen percelen in plaats van alleen die percelen of perceelsgedeelten waarop de infrastructurele werken die van groot belang zijn voor de waterbeheersing (de aan te leggen nieuwe zeedijk) zullen moeten worden aangelegd.
onderdelen 8.3-8.3.2acht ik ongegrond om de hierboven in 3.61-3.63 verwoorde redenen. Ik meen, als gezegd (zie hierboven 3.53), wel dat de Staat, de Kroon en de rechtbank de door [eiser] voorgenomen zelfrealisatie niet mochten afkeuren omdat [eiser] de kosten daarvan niet wilde dragen, maar dat betreft de toetsing van het KB. Na het KB behoefde de Staat niet op grond van art. 17 Ow Pro opnieuw met [eiser] te onderhandelen over de zelfrealisatieoptie.
onderdelen 8.4 en 8.4.1behoeven na het voorgaande geen bespreking.
onderdelen 10.1-10.1.2willen, als ik het goed begrijp, ingang doen vinden dat de onteigeningsrechter los van de beoordeling
ex tuncvan de rechtmatigheid van het Kroonbesluit zelf ook nog zou moeten onderzoeken of ten tijde van zijn uitspraak de onteigeningsnoodzaak vast staat.
de door de rechterbenoemde deskundigen. De art. 195, 196 en 199 Rv regelen dat de rechter een voorschot op de kosten van die deskundigen kan vaststellen, dat de eisende partij ter griffie moet storten en ten laste waarvan de griffier t.z.t. de declaratie van de deskundigen kan betalen. Deze bepalingen voorzien niet in een veroordeling van een procespartij om zijn wederpartij een voorschot uit te betalen in verband met een te zijner tijd ten gunste van die wederpartij uit te spreken proceskostenveroordeling..
onderdeel 11.1.2 onder c.acht ik niet gegrond. De rechtbank heeft, kennelijk en begrijpelijk, het in het onderdeel bedoelde verzoek van [eiser] niet opgevat als een bij voorbaat gedaan verzoek om verhoging van het voorschot op de voet van art. 54o Ow. Trouwens waar, als gezegd, de art. 54i en 54k geen wettelijke basis bieden voor de toekenning van een voorschot op de (in overeenstemming met art. 50 t.z.t. nog door de rechter te bepalen) proceskostenvergoeding, kan een verzoek ingevolge art. 54o Ow tot verhoging van dat voorschot evenmin zo’n wettelijke basis bieden.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel beroep
eerste onderdeelbestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de Kroon het beroep op zelfrealisatie niet had mogen passeren op de grond dat een concreet plan zou ontbreken. De rechtbank motiveerde dat oordeel als volgt:
marginaletoetsing van het Kroonbesluit. Ook deze klacht haalt het volgens mij niet, omdat de rechtbank in rov. 5.3 (blz. 15, bovenaan) uitdrukkelijk tot uitgangspunt neemt dat de burgerlijke rechter zich dient te beperken tot een marginale toetsing van het onteigeningsbesluit. Indien Uw Raad mij volgt in mijn hierboven in 3.49 verwoorde opvatting dat (in dit geval) een volle toetsing van de verwerping door de Kroon van het zelfrealisatieverweer op haar plaats ware geweest, ligt daar een reden temeer voor verwerping van de onderhavige klacht van de Staat.
conform de plannen van de Staat. Als die eigen plannen van de Staat (nog) niet voorzien (i) in een uiteenzetting welk archeologisch, geotechnisch en grondonderzoek moet plaatsvinden, (ii) in een uitwerking van de maatvoering door een ingenieursbureau, (iii) in een aanvraag op basis van dit plan van vergunningen en een ontheffing, (iv) in het kunnen maken van een bestek met dit plan op basis waarvan de uitvoering van het werk kan worden aanbesteed, levert dat, lijkt mij, geen aanwijzing op dat de plannen van de Staat wel, maar die van [eiser] niet serieus kunnen worden genomen, en zo heeft kennelijk (en begrijpelijk) ook de rechtbank geredeneerd.
de klachten 1.4 en 1.5, die voortborduren op hetzelfde stramien.
tweede onderdeelvan het incidentele middel bestrijdt het oordeel van de rechtbank (eveneens in rov. 5.3.4) dat het beroep op zelfrealisatie niet reeds daarom faalt omdat [eiser] niet beschikt over alle gronden die nodig zijn voor de realisering van het project. De rechtbank overwoog daarover:
derde onderdeelvan het incidentele middel wil een rechtsregel introduceren, n.l. de regel dat van de eis voor zelfrealisatie dat de eigenaar de bestemming op eigen kosten realiseert niet kan worden afgeweken, ook niet indien het gaat om een project dat niet lucratief is.
redelijk handelt. In het algemeen zal, lijkt mij, een weigering van de onteigenende partij om de kosten te dragen van realisering van een
lucratievebestemming niet onredelijk zijn. In het onderhavige geval gaat het echter om een
niet lucratievebestemming. In het algemeen belang moeten de grotendeels agrarisch gebruikte percelen van [eiser] in buitendijks natuurterrein worden herschapen. Naar mijn mening is zeer wel denkbaar dat in een zodanig geval de onteigenende partij onredelijk handelt als zij het zelfrealisatievoornemen van de eigenaar belemmert door de kosten daarvan (die ook gemaakt zouden moeten worden als de onteigening wel doorgaat) niet te willen dragen. Zie ook mijn visie hierboven in 3.54.
klachten onder 3.1falen.