Conclusie
3.Algemene uitgangspunten schadevergoeding bij schade aan bomen
totaal verlies(waarin de schade wordt gesteld op de marktwaarde, waarvoor een gelijkwaardige zaak kan worden verkregen): [25] bij een boom is vervanging door een gelijkwaardig exemplaar weliswaar niet onmogelijk, maar al snel ingrijpend en duur. Ook volgens de richtlijnen van de NVTB is onmiddellijke vervanging door een gelijkwaardig exemplaar alleen in bijzondere gevallen, namelijk bij gezichtsbepalende of markante bomen, aangewezen (rov. 4.6 van het bestreden arrest).
concreteslachtoffer goed te maken.
vergeefsgemaakt. De waarde van het gemiste voordeel wordt dan gesteld op deze vergeefs gedane uitgaven. Recentelijk gaf de rechtbank Noord-Nederland toepassing aan dit leerstuk door te oordelen dat inwoners van het Groningse gaswinningsgebied recht hebben op vergoeding van hun door de aardbevingen aangetaste woongenot. Hun woonlasten hebben daarom deels hun doel gemist. [34]
Rally Dakar.In het tot dat arrest aanleiding gevende geval had [C] van [B] een motorfiets gehuurd met als doel de Dakar Rally te rijden. De motorfiets begaf het reeds tijdens de derde etappe van de rally; [C] werd wegens tijdoverschrijding gediskwalificeerd en moest voortijdig huiswaarts keren. Van verhuurder [B] vorderde hij vergoeding van de kosten van deelname aan de rally, waaronder inschrijfgeld, verblijf, visa en inentingen voor hemzelf en voor de monteur. Het hof wees de vorderingen af, omdat het ging om kosten die ook zonder het voortijdig uitvallen van de motor zouden zijn gemaakt. Uw Raad casseerde en gaf de volgende overweging:
Rally Dakarhad het hof aanvankelijk vergoeding van verschillende kostenposten afgewezen omdat [C] deze kosten ook zou hebben gemaakt als hij de rally zou hebben uitgereden, zodat geen sprake is van causaal verband tussen de wanprestatie door [B] en de schade van [C] . Dat de kosten anders ook zouden zijn gemaakt, brengt echter niet mee dat de schade niet aan [B] kan worden toegerekend:
In de eerste plaats gaat het niet erom of de kosten zijn gemaakt, maar of de kosten tevergeefs zijn gemaakt, dat wil zeggen hun doel hebben gemist.Van dit laatste is geen sprake indien de rally zou zijn uitgereden. Voorts is voor het geval dat de rally niet zou zijn uitgereden anders dan als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, op zichzelf wel juist dat de schade (de tevergeefs gemaakte kosten) bij gebreke van een aansprakelijke persoon voor eigen rekening van de benadeelde blijft, maar daaruit kan niet volgen dat hetzelfde ook moet gelden in het geval er wèl een aansprakelijke persoon is.” (onderstreping A-G)
condicio sine qua non-verband niet volstaat: in overeenstemming met art. 6:98 BW Pro dient ook beoordeeld te worden of de vergeefs gemaakte kosten in een zodanig verband staan met de tekortkoming dat zij in redelijkheid aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend. Keirse geeft als voorbeeld dat rallyrijder [C] als gevolg van het gebrek van de motor een ongeval zou hebben gekregen en gedurende langere tijd in het ziekenhuis zou zijn beland, waardoor ook kosten voor de huur van zijn woning, een lidmaatschap van een sportschool en een cultureel abonnement op een stadsschouwburg, en deelname aan een danscursus tevergeefs zouden zijn gemaakt. [37] Aan de hand van art. 6:98 BW Pro kan dan een schifting worden aangebracht in de categorie gevolgen die de
condicio sine qua non-drempel zijn gepasseerd. Naar gangbare, op de rechtspraak van Uw Raad gebaseerde, inzichten is voor de beantwoording van de vraag welke schade in redelijkheid aan de schuldenaar kan worden toegerekend onder meer de voorzienbaarheid van de gevolgen, de aard van de aansprakelijkheid, de aard van de schade en de mate van schuld van belang. [38]
[D] / [E]heeft Uw Raad duidelijk gemaakt dat niet ieder gemis aan genot tot schade leidt
.In deze zaak had [D] van [E] een motorjacht gekocht. Door verschillende gebreken aan dat jacht, die uiteindelijk geheel werden verholpen, kon hij daarmee tijdelijk minder ver en minder hard varen dan hij had verwacht. [D] vorderde vergoeding van onder meer verzekeringskosten, liggeld en expertisekosten. Het hof oordeelde dat het genot dat [D] had moeten missen, doordat hij het jacht niet voluit had kunnen gebruiken zo gering was dat de daardoor geleden onstoffelijke schade niet voor vergoeding in aanmerking kwam. Uw Raad liet dat arrest in stand en overwoog daarbij dat [D] het onstoffelijke voordeel slechts in beperkte mate had moeten missen. Weliswaar had het door hem gekochte jacht gedurende een beperkte periode niet volledig gefunctioneerd, maar dat beperkte functieverlies en de daardoor ontstane genotsderving waren van een te geringe omvang om voor vergoeding in aanmerking te komen:
In zo'n geval kan bij de begroting van de door de koper door gemis van onstoffelijk voordeel geleden vermogensschade niet zonder meer, zoals [D] in deze zaak heeft verlangd, als uitgangspunt gelden dat de waarde van het gemiste voordeel moet worden gesteld op het totaal van de uitgaven die de koper heeft gedaan (met inbegrip van waardevermindering die het jacht ten gevolge van veroudering in die periode heeft ondergaan en rentederving) teneinde het voor de betreffende periode beoogde onstoffelijke voordeel te verkrijgen, reeds omdat niet kan worden gezegd dat dat voordeel hem geheel is ontgaan, en die uitgaven hun doel geheel hebben gemist.
Ook dat functieverlies en de daardoor veroorzaakte genotsderving kunnen zo gering zijn dat voor vergoeding van schade die uitsluitend bestaat uit gemis van onstoffelijk voordeel geen plaats is.Hierbij verdient opmerking dat ook een gering gemis van door de koper verwacht genot van een voor privégebruik aangeschafte zaak bij de koper veel ergernis kan teweegbrengen. Die ergernis is echter geen vermogensschade.” (onderstrepingen A-G)
[D] / [E]wordt erdoor gekenmerkt dat de kosten van [D] slechts gedeeltelijk gericht waren geweest op het verkrijgen van genot en dat hij dit genot bovendien slechts gedeeltelijk had hoeven missen. In zo’n geval zal geschat moeten worden welk deel van de uitgaven tevergeefs is gedaan, waarbij het gemiste genot, aldus Uw Raad in dit arrest (rov. 3.7.), bovendien niet te gering mag zijn ([D] vordering liep reeds daarop stuk). Het is niet eenvoudig om op controleerbare wijze vast te stellen welk deel van het genot is gemist als de prestatie waarvoor is betaald slechts gedeeltelijk wordt genoten. [39] Soms bieden de stellingen van partijen aanknopingspunten voor een schatting van het percentage genot dat gemist is. Zo oordeelde het Bossche hof na verwijzing in de zaak
Rally Dakardat [B] de door [C] gemaakte kosten voor 85% moest vergoeden, omdat [C] 15% van de rally had kunnen uitrijden. [40] Een ander voorbeeld is een zaak waarin een huiseigenaar schade stelde te hebben geleden omdat zijn woongenot was aangetast, doordat de buurman afval en hondenpoep in zijn tuin gooide. Omdat de eigenaar hierdoor gedurende 53 maanden zijn tuin, die 50% van het perceeloppervlak besloeg, niet had kunnen gebruiken, kende de rechtbank, 50% van de betaalde hypotheeklasten over 53 maanden als vergoeding toe. [41] In weer een ander geval ging het om de koop van een woning met zwembad, welk zwembad echter door verschillende constructiefouten en achterstallig onderhoud niet bruikbaar bleek. De kopers vorderden vergoeding van hypotheekrente over € 50.000,-, omdat dit bedrag van de door hen aangegane hypothecaire lening zag op het zwembad. De rechtbank achtte dit bedrag als schadevergoeding toewijsbaar. [42]
[D] / [E]dat gevoelens van ergernis op zichzelf geen vermogensschade vormen. [45] Met vergoeding van vergeefs gemaakte kosten dient dus, mede vanwege dit risico, [46] terughoudend te worden omgesprongen.
immaterieel voordeel(genot), dat echter langs de weg van vergeefs gedane uitgaven als vermogensschade wordt gezien;
hun doel hebben gemist;
toegerekend;
rechtens relevante matemoeten missen;
beperktis (bijvoorbeeld omdat dit maar kort duurt);
4.Bespreking van het arrest en de cassatieklachten
Onderdeel 1is een inleiding die geen zelfstandige klachten bevat.
Onderdeel 2richt klachten tegen de rov. 4.9, 4.11, 4.12, 4.14 en 4.15 alsmede de daarop voortbouwende rov. 4.16 t/m 4.18 en het dictum.
Onderdeel 2bestaat uit 15 subonderdelen die elk een of meerdere klachten bevatten.
Vaststellen schade door risico van voortijdige uitval of functieverlies op vergeefs gemaakte kosten.Een beschadiging kan ertoe leiden dat (het risico bestaat dat [49] ) een boom voortijdig uitvalt of (al dan niet tijdelijk) zijn functie niet of minder goed kan vervullen, bijvoorbeeld in esthetisch opzicht (doordat hij minder fraai oogt of minder privacy of beschutting biedt) of in ecologisch opzicht. In die gevallen kunnen de kosten voor het faciliteren van de aanwezigheid van de boom worden geacht hun doel in zoverre te hebben gemist (rov. 4.12);
Vaststellen toekomstige schade door afweging van goede en kwade kansen.Het strookt met de doelstellingen van het schadevergoedingsrecht en art. 6:97 BW Pro om een model op te stellen waarmee de schade aan gewone park-, laan- en straatbomen op snelle en doelmatige wijze kan worden afgewikkeld (rov. 4.13). Hierbij verdient naar het oordeel van het hof een schadebegroting door het afwegen van goede en kwade kansen de voorkeur boven het afwachten van een eindtoestand (rov. 4.14). Ik begrijp deze overweging aldus dat de schadebegroting volgens het hof meteen (althans kort na de beschadiging) aan de orde is zonder dat een eindtoestand wordt afgewacht. Bij die overwegingen verdient het volgende opmerking. Het hof vermeldt in rov. 4.14 niet uitdrukkelijk hoe de toekomstige schade (afgezien dan van het aspect van goede en kwade kansen) verder dient te worden vastgesteld. Wel benoemt het hof in rov. 4.14 als mogelijke elementen van deze schade, net als in rov. 4.12, het functieverlies en (het risico op) voortijdige uitval. In rov. 4.12 oordeelt het hof dat de waardevermindering door voortijdige uitval of functieverlies moet worden gesteld op de (in zoverre) vergeefs gemaakte kosten. Ik begrijp uit de samenhang van rov. 4.12 en 4.14 dat naar het oordeel van het hof bij de vaststelling van de toekomstige schade (1) eerst de kans moet worden vastgesteld dat in de toekomst uitval optreedt en/of de kans dat in de toekomst (verder) functieverlies optreedt van een bepaalde duur en omvang (waarbij verschillende scenario’s denkbaar zijn) en (2) dat dit (kans-)percentage moet worden toegepast op de kosten die vergeefs (zouden) zijn gemaakt als deze kwade kans zich verwezenlijkt.
combinatie van de uitgangspunten (a) en (b)leidt naar mijn mening tot een onaanvaardbare opeenstapeling van abstracties en onzekerheidsmarges. Met het algemene uitgangspunt dat de schade door voortijdige uitval of functieverlies van een boom moet worden gesteld op (een gedeelte van) de eerdere uitgaven voor die boom, wordt geabstraheerd van verschillende relevante omstandigheden van het geval (aard van de kosten, tijdsverloop, type beschadiging en vooruitzicht op herstel). Met het algemene uitgangspunt dat de toekomstige schade - ook bij een veelheid van toekomstscenario’s met betrekking tot de situatie ‘met beschadiging’ - bij voorbaat moet worden vastgesteld door een afweging van goede en kwade kansen, wordt een aanzienlijke onzekerheidsmarge geïntroduceerd. In de benadering van het hof zou de vaststelling van de toekomstschade bestaan uit een gecombineerde toepassing van uitgangspunten (a) en (b). Zij zou daarmee (kunnen) neerkomen op het vermenigvuldigen van een abstract (schade)bedrag met een onzeker (kans)percentage. Daarmee wordt naar mijn mening geen recht gedaan aan het uitgangspunt van concrete schadevaststelling dat aan ons schadevergoedingsrecht ten grondslag ligt (hiervoor randnummer 3.3). De benadering van het hof leidt namelijk tot het plakken van tamelijk willekeurige (althans niet werkelijk te controleren) bedragen op boomschades zoals hier aan de orde. Ik werk deze punten in het onderstaande verder uit om extra accent te geven aan mijn conclusie dat ’s hofs benadering onwenselijk is.
ofsprake is van vergeefs gemaakte kosten,
welkekosten eventueel vergeefs gemaakt zijn en of het voordeel ter verkrijging waarvan zij zijn gemaakt wel in voldoende mate is gemist. Zoals ik met de hiervoor (randnummer 4.11) gegeven voorbeelden heb willen aantonen, zal dat echter van geval tot geval verschillen zodat uiteindelijk zelfs sterk uiteenlopende resultaten aan de orde (kunnen) zijn.
kanin geval van een (tijdelijk) functieverlies sprake zijn van vergeefs gemaakte kosten (hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan snoeikosten die kort voor de beschadiging zijn gemaakt en gezien die beschadiging vergeefs zijn gebleken) en – in het geval van uitval(risico) – van vergoeding van de kosten die zijn gemoeid met het (vervroegd) planten van een nieuwe boom.
Subonderdeel 2.1van het cassatiemiddel betoogt in algemene zin dat het hof in rov. 4.9, 4.11, 4.12, 4.14 en 4.15 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip (zaak)schade, in het bijzonder boomschade, dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
Sub-subonderdelen 2.5.1-.2.5.3en
subonderdeel 2.7richten zich specifiek tegen rov. 4.12 met betrekking tot het bepalen van een schade(vergoeding) op basis van het leerstuk van vergeefs gemaakte kosten.
Subonderdelen 2.11, 2.12 en 2.13komen op tegen hetgeen het hof in rov. 4.14 heeft overwogen over de afweging van goede en kwade kansen. Deze (sub-)subonderdelen leggen naar mijn mening voldoende de vinger op de (hiervoor in randnummers 4.6 e.v. omschreven) zere plek. In zoverre acht ik deze (sub-)subonderdelen gegrond.
Subonderdelen 2.14en
2.15richten zich tegen rov. 4.15-4.16, die voortbouwen op de overwegingen waartegen de zojuist gegrond bevonden klachten zijn gericht, en slagen daarom in zoverre eveneens. Voor zover de subonderdelen opkomen tegen rov. 4.17-4.18 en het dictum falen zij echter, omdat deze overwegingen niet voortbouwen op de met succes bestreden overwegingen. Rov. 4.17 bevat immers de beslissing tot het openstellen van tussentijds cassatieberoep en rov. 4.18 alsmede het dictum houden slechts in dat aktewisseling volgt en dat iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
2.6betogen in de kern dat een verlies aan esthetische functie respectievelijk een beperkte belevingswaarde van een van het openbaar groen deel uitmakende boom niet zouden kwalificeren als vermogensschade. Deze klachten wijzen er op zichzelf terecht op dat, hoewel de esthetische functie van belang kan zijn voor de waarde van een zaak, dit bij bomen die onderdeel uitmaken van het openbaar groen niet eenvoudig is aan te tonen. Dat betekent echter niet dat in geen geval zal kunnen worden aangetoond dat een ingrijpende beschadiging tot vermindering van de vermogenswaarde van een boom leidt. Daarvoor zullen dan wel voldoende aanknopingspunten moeten bestaan. Nu ik niet uitsluit dat die in een concreet geval gevonden zullen kunnen worden, kan niet in algemene zin worden gezegd dat een verlies aan esthetische functie of belevingswaarde van een van het openbaar groen deel uitmakende boom in geen geval tot vermogensschade leidt. Om die reden falen de klachten.
subonderdelen 2.11, 2.12en
2.13zich richten tegen het Rekenmodel missen zij belang, omdat het hof de houdbaarheid van dat model, zoals nadrukkelijk blijkt uit rov. 4.15, nog niet heeft beoordeeld.
hard and fast ruleste geven. Dit betekent dat na verwijzing aan de orde zal dienen te komen of de gemeente (naast ‘herstelkosten’) uitgaven heeft gedaan die hun doel (gedeeltelijk) hebben gemist, of die uitgaven – gezien het toetsingskader van Uw Raad en de omstandigheden van het geval – voor vergoeding in aanmerking komen en of er andere concreet vaststelbare schade is geleden.