Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2006:AY6996

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/059HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over vergoeding zaaksbeschadiging door eigenmachtig afzagen bomen tussen buren

Eiser vorderde vergoeding van ƒ 51.586,74 wegens de kosten van vervanging van door verweerder eigenmachtig afgezaagde bomen op zijn perceel. De rechtbank wees het merendeel van de vordering af en kende slechts een beperkte vergoeding toe. Het gerechtshof bevestigde dit oordeel en wees de vordering geheel af na een comparitie ter plaatse en getuigenverhoor.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. Verweerder verscheen niet in cassatie en verstek werd verleend. De plaatsvervangend Procureur-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd verworpen en eiser werd in de kosten van het cassatiegeding veroordeeld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de vordering wegens zaaksbeschadiging wordt afgewezen.

Uitspraak

15 september 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/059HR
RM/MK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 25 januari 2000 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - in versneld regime gedagvaard voor de rechtbank te Zwolle en gevorderd [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 51.586,74, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden en een reconventionele vordering ingesteld. De vordering in reconventie speelt in cassatie geen rol.
Na een tussenvonnis van 5 april 2000 en een descente, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 5 juli 2000 [verweerder] veroordeeld aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 2.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover van 25 januari 2000 tot de dag van betaling. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen het eindvonnis van de rechtbank heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. [Verweerder] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij tussenarrest van 8 april 2003 heeft het hof een comparitie ter plaatse gelast, welke comparitie heeft plaatsgevonden op 23 juni 2003. Na getuigenverhoor heeft het hof bij eindarrest van 16 november 2004 het principaal beroep afgewezen. In het incidenteel beroep heeft het hof het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het door [eiser] in conventie gevorderde alsnog geheel afgewezen.
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, P.C. Kop en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 15 september 2006.