Conclusie
1.Voorgeschiedenis
( [1] )Er was daarbij geen datum voor levering en voldoening van de koopprijs vastgesteld.
( [2] )
( [3] )geconcludeerd dat de koopovereenkomst tussen De Alternatieve en [verweerders] onder invloed van bedrog van de kant van De Alternatieve is tot stand gekomen en dat [verweerders] zich terecht bij wege van verweer op vernietigbaarheid van de overeenkomst hebben beroepen. Het hof heeft daartoe onder meer overwogen:
2.De eerste en tweede aanleg
- i) De Alternatieve en [eiser 2] (hierna tezamen ook aan te duiden met: De Alternatieve c.s.) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van Eur. 516.975,77, te vermeerderen met wettelijk rente vanaf 1 april 2012;
- ii) [eiser 2] te veroordelen te betaling van een bedrag van Eur. 20.755,11 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 april 2012;
- iii) opheffing van de gelegde beslagen;
- iv) veroordeling van De Alternatieve c.s. in de proceskosten, waaronder de beslagkosten.
Bespreking van het principaal cassatieberoep en onderdeel 4 van het incidenteel cassatiemiddel
( [5] )Voor het aanvoeren van grieven geldt de twee-conclusie-regel of de ‘in beginsel strakke regel’. Deze regel houdt in dat alle grieven niet later dienen te worden aangevoerd dan bij gelegenheid van de in artikel 347 Rv Pro bedoelde conclusie van eis (memorie van grieven) respectievelijk conclusie van antwoord (memorie van antwoord). Er is in beginsel
( [6] )geen ruimte voor het aanvoeren van grieven of verweren in een later stadium van de appelprocedure.
( [7] )Hierachter steekt de overweging het door concentratie van het debat bevorderen van een vlot verloop van de appelprocedure. Het gewenste vlotte verloop brengt ook mee dat de aangevoerde grieven en gevoerde verweren ook van een zo volledig mogelijke onderbouwing dienen te worden voorzien. Dat stelt de wederpartij in de gelegenheid om in één weerwoord te reageren.
( [8] )Een en ander betekent intussen niet dat er geen ruimte is om bij pleidooi de eerder aangevoerde grieven of het eerder gevoerde verweer nader toe te lichten.
( [9] )Maar wanneer dat toelichten er op neerkomt dat een inhoudelijk nieuwe grief wordt aangevoerd of een inhoudelijk nieuw verweer wordt gevoerd, zal vanwege de hier genoemde twee-conclusie-regel aan die nieuwe grief of aan dat nieuwe verweer moeten worden voorbijgegaan. Of die situatie van een nieuwe grief of van een nieuw verweer zich voordoet staat ter beoordeling van de appelrechter. Diens oordeel vormt, cassatietechnisch gezien, een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts in beperkte mate voor toetsing in aanmerking komt.
( [10] )Ook los van de twee conclusie-regel kunnen de eisen van een goede procesorde er aan in de weg staan dat dat wat bij pleidooi alsnog wordt aangevoerd buiten aanmerking wordt gelaten. Daartoe zal vooral aanleiding bestaan in geval dat de wederpartij geen redelijke mogelijkheid van het voeren van een weerwoord heeft.
( [11] )
( [12] )Vervolgens neemt het hof in aanmerking dat de eerste handeling tot stuiting van de verjaring op 28 april 2008 heeft plaatsgevonden, de datum waarop [verweerders] de vrijwaringsprocedure tegen [eiser 2] bij de rechtbank Den Haag aanhangig hebben gemaakt. Dit betekent dat van verjaring van de schadevordering sprake kan zijn geweest, indien bij [verweerders] de hiervoor bedoelde bekendheid met de schade en de persoon, die deze schade heeft veroorzaakt, vóór 28 april 2003 aanwezig is geweest.
( [13] )en in het verzoekschrift d.d. 17 november 2003, waarin [verweerders] om het houden van een voorlopig getuigenverhoor verzoeken. In de beschikking wordt melding gemaakt van de beantwoording door [verweerders] op een op 28 april 1998 gehouden mondelinge behandeling van de vraag met wie de koopovereenkomst is gesloten. Als door hen verklaard wordt onder meer vermeld:
“dat ze eigenlijk niet weten met wie die overeenkomst is aangegaan, wellicht met de makelaar en tussenpersoon [eiser 2] .”In het verzoekschrift komt de volgende passage voor:
“uit alle feiten en omstandigheden gedurende de onderhandelingen is steeds duidelijker geworden dat [eiser 2] niet (alleen) de onderhandelingen namens [verweerders] voerde, maar (vergaand) betrokken is bij De Alternatieve. [verweerders] is de overtuiging toegedaan dat [eiser 2] in feite niet alleen betrokken is bij De Alternatieve, maar daarvan de (enige) aandeelhouder en feitelijke beleidsbepaler.”
diebekendheid uit die feiten en omstandigheden er was, hangt af van het moment waarop door [verweerders] een zodanige kennis van die feiten en omstandigheden was verkregen dat gezegd kan worden dat zij bij die mate van kennis ook de voor het aanvangen van de verjaringstermijn vereiste bekendheid bezaten. Dat kan een groeiproces zijn. In die zin heeft het hof de verklaring opgevat en ook kunnen opvatten. Er wordt in de verklaring immers ook gesproken van: ‘steeds duidelijker geworden’. Bij die passage haakt het hof in rov. 12 aan. Bij een beschouwen van de verklaring in het verzoekschrift in samenhang met de verklaring in de beschikking heeft het hof niet tot een andere uitleg van eerstgenoemde verklaring hoeven komen. Dat maakt het hof voldoende duidelijk met de in cassatie als zodanig onbestreden gebleven overweging dat de beschikking en het verzoekschrift daartoe niet in een voldoende verband met elkaar staan.
“De verjaringstermijn neemt dan ook uiterlijk vóór oktober 1997 een aanvang en is uiterlijk op 1 november 2002 voltooid.”).Aan 2001 en 2002 als jaren waarin de verjaringstermijn is gaan lopen, wordt niet gerefereerd, ook niet subsidiair. Een en ander komt hierop neer dat, vergeleken met de onderbouwing in de memorie van grieven, de stellingen, die ter bestrijding van de verwerping door de rechtbank van het beroep van verjaring bij pleidooi in appel zijn aangevoerd en door het hof buiten beschouwing zijn gelaten, een aanvullende maar niettemin nieuwe onderbouwing vormen. Dit vormt niet een toelichten van een al eerder aangevoerde grief. Het hof geeft dan ook in de slotzin van rov. 13 geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
( [14] ), waarin de Hoge Raad in rov. 3.3 omtrent de in artikel 7:418 vervatte Pro mededelingsplicht van een lasthebber in het geval hij belang bij de totstandkoming van de rechtshandeling heeft overweegt:
“De in de genoemde bepaling neergelegde mededelingsplicht doet zich – (…) – gelden zodra de lasthebber direct of indirect belang heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling. Het is vervolgens aan de lastgever om te beoordelen of zich een belangenconflict voordoet dat aan een optimale behartiging van zijn belang door de lasthebber zou kunnen afdoen. De mededelingsplicht geldt dus onafhankelijk van het antwoord op de vraag of het eigen belang van de lasthebber daadwerkelijk in strijd is met de belangen van de lastgever.”
“ [verweerders] hebben immers weersproken dat de tot dat moment gemaakte kosten betrekking hadden op de onteigeningsprocedure, terwijl zij er verder op hebben gewezen dat niet kan worden aangenomen dat de onteigening zou zijn doorgezet als [verweerders] hun percelen niet aan de De Alternatieve hadden verkocht.”Deze overweging moet worden bezien in samenhang met de stellingen van [verweerders] sub 43 van hun memorie van antwoord (a) dat het gaat om kosten van rechtsbijstand in de periode februari 2002 tot 6 augustus 2002 (de datum waarop het voornemen tot onteigening verviel), welke kosten geen betrekking hebben op de onteigeningsprocedure, en (b) dat de onteigening door de gemeente Wateringen ook niet zou zijn doorgezet, wanneer [verweerders] die percelen aan een andere ontwikkelaar zou hebben verkocht, die voor de gemeente wel een aanvaardbare ontwikkelingspartner zou zijn geweest.
( [15] )ook opmerkt, staat het in de artikelen 241 Rv en 6:96 lid 3 BW bepaalde daaraan in beginsel in de weg. Maar ook dit uitgangspunt kent een uitzondering. In zijn arrest van 6 april 2012
( [16] )geeft de Hoge Raad te kennen dat er ruimte is voor toekenning van een vergoeding van de in het verband met een geding werkelijk gemaakte (buiten)gerechtelijke kosten ingeval dat het (buiten)gerechtelijke optreden misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen vormt. Daarvan is echter naar het oordeel van de Hoge Raad pas sprake:
“als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007,/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro.”( [17] )Aan deze maatstaf, die een hoge drempel opwerpt voor het kunnen aanvaarden van aansprakelijkheid op de voet van artikel 6:162 BW Pro voor met een geding verband houdende (buiten)gerechtelijke kosten, refereert het hof in rov. 29.
“Bij de bespreking van grief 2 is hierboven reeds geconcludeerd dat de De Alternatieve c.s. misbruik van procesrecht hebben gemaakt door in rechte nakoming te willen afdwingen van een overeenkomst die, naar zij wisten, tot stand was gekomen door bedrog of in ieder geval bij onwetendheid van de feitelijke rol van [eiser 2] .”
evidente ongegrondheidvan haar tegen [verweerders] ingestelde vordering van het voeren van een procedure tegen laatstgenoemden had moeten afzien. In rov. 30 zelf geeft het hof die toelichting niet. Gelet op de verwijzing in die overweging naar de eerdere bespreking van grief 2, moet dat wat het hof in rov. 26 over de betekenis van het arrest van het hof Den Haag overweegt als de nadere toelichting worden beschouwd. Maar die toelichting komt niet genoegzaam voor. Het hof merkt in rov. 26 op dat het niet aangaat in rechte nakoming van een overeenkomst na te streven die op bedrog is gebaseerd. Maar het arrest van 7 juni 2007 van het hof Den Haag roept de vraag op of op het moment dat De Alternatieve de procedure tot nakoming van de koopovereenkomst tegen [verweerders] startte het al zo evident was dat de rechter in de aanwezigheid van bedrog aan de kant van De Alternatieve aanleiding zou gaan vinden om te oordelen dat [verweerders] zich aan de koopovereenkomst konden onttrekken en er om die reden in redelijkheid niet tot het starten van de procedure had kunnen worden besloten. Daar komt voor wat [eiser 2] betreft nog bij dat het hof voor de onrechtmatigheid van diens optreden bij het sluiten van de koopovereenkomst in 1997 niet door hem gepleegd bedrog doorslaggevend acht, maar reeds dat hij toen handelde in de wetenschap dat [verweerders] niet wisten van zijn belang bij De Alternatieve. Het hof laat voor wat [eiser 2] betreft uiteindelijk in het midden of hij echt bedrog heeft gepleegd.
( [18] )licht de Hoge Raad met een citaat uit de wetsgeschiedenis van artikel 57 lid Pro 6 (oud) Rv
( [19] ), waarmee het huidige artikel 241 Rv Pro correspondeert, toe welke overwegingen achter de limitering van de vergoeding voor in verband met een gerechtelijk geding gemaakte (buiten)gerechtelijke kosten steken. Dat citaat houdt onder meer in:
( [20] )De rechtbank heeft dat beroep afgewezen (rov. 4.33 en 4.34 van het vonnis d.d. 25 juni 2014), waartegen De Alternatieve c.s. in hoger beroep met grief 12 zijn opgekomen. Die grief laat het hof op de in rov. 39 vermelde gronden niet slagen. Daarover wordt in onderdeel 2.9 geklaagd.
( [21] )het volgende:
( [23] )
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
5.Conclusie
- inzake het principaal cassatieberoep:het bestreden arrest komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarin wordt toegewezen de vordering van [verweerders] tegen De Alternatieve om deze laatste te veroordelen tot het vergoeden aan [verweerders] van de (buiten)gerechtelijke kosten, die zij in verband met de procedures tegen De Alternatieve inzake de nakoming van de koopovereenkomst van september/ oktober 1997 hebben gemaakt en waarvoor hen geen vergoeding is toegekend met de in die procedures ten laste van De Alternatieve uitgesproken veroordelingen in de proceskosten.
- inzake het incidenteel cassatieberoep:voor zover het beroep ertoe strekt om vernietiging van het arrest van het hof te verkrijgen, faalt het bij gemis aan belang daarbij.