ECLI:NL:PHR:2017:492

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2017
Publicatiedatum
20 juni 2017
Zaaknummer
16/01450
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 27 SrArt. 29 SvArt. 328 SvArt. 331 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling brandstichtende brandweerman voor negen branden in Het Gooi

De verdachte, werkzaam als brandweerman en bij de vrijwillige brandweer, werd beschuldigd van negen brandstichtingen in Het Gooi in de periode van 16 augustus 2008 tot 5 april 2012. Deze branden richtten ernstige schade aan natuur, woningen en een bestelbus aan. Bij politieverhoren in mei 2012 bekende hij de brandstichtingen, maar ontkende later in eerste aanleg en bracht alternatieve scenario's naar voren.

De rechtbank veroordeelde hem in juli 2013 tot elf jaar gevangenisstraf. In hoger beroep bekende de verdachte de bosbranden, maar ontkende de woningbranden en autobrand. Het hof gebruikte de bekentenissen van mei 2012 als bewijs en veroordeelde hem tot acht jaar gevangenisstraf. De verdediging stelde dat de bekentenissen onbetrouwbaar waren vanwege de verhoortechniek, vermoeidheid en persoonlijkheid van de verdachte, en verzocht om deskundigenonderzoek.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de verklaringen betrouwbaar mocht achten, mede op basis van video-opnamen en deskundigenrapporten. Het hof had de verzoeken tot benoeming van een deskundige gemotiveerd afgewezen omdat de noodzaak ontbrak. De bewezenverklaringen voor de brandstichtingen zijn zorgvuldig gemotiveerd en steunen op meerdere bewijsmiddelen. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot acht jaar gevangenisstraf voor negen brandstichtingen.

Conclusie

Nr. 16/01450
Zitting: 9 mei 2017
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 2 maart 2016 de verdachte wegens 1, 2, 3, 4 en 8 telkens opleverende “opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” en 7. “opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Bunnik, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.
Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte, die in dienst was van de gecombineerde meldkamer van de politie, de ambulance en de brandweer en die werkzaam was bij de vrijwillige brandweer in [plaats] , wordt ervan verdacht dat hij zich in de periode van 16 augustus 2008 tot en met 5 april 2012 in Het Gooi schuldig heeft gemaakt aan een groot aantal brandstichtingen, die deels in de nachtelijke uren hebben plaatsgevonden. Daarbij zijn delen van de natuur, een bestelbus en een aantal woningen ernstig beschadigd. Bij zijn verhoren door de politie op 15 mei 2012 heeft de verdachte negen ten laste gelegde brandstichtingen bekend. Bij zijn verhoor door de rechter-commissaris op 16 mei 2012 heeft de verdachte verklaard dat hij niet kan instaan voor hetgeen door de politie is opgeschreven en voor hetgeen hij tegenover de politie heeft gezegd en dat hij zich (afgezien van feit 7) niet kan uitlaten over de beschuldigingen.
Op de terechtzittingen in eerste aanleg van 7 februari 2013 en 25 april 2013 heeft de verdachte verklaard dat hij “het” niet heeft gedaan. Ook op de terechtzitting in eerste aanleg van 27 juni 2013 heeft de verdachte alle ten laste gelegde feiten ontkend en heeft hij ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 een alternatief scenario naar voren gebracht, inhoudende dat hij naar parkeerplaatsen is gegaan teneinde te kijken naar staplekken voor woonwagens van kermisexploitanten. Op die terechtzitting zijn de audiovisuele beelden getoond van de politieverhoren van de verdachte op 14 en 15 mei 2012. In haar promis-vonnis van 18 juli 2013 heeft de rechtbank de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde bekennende verklaringen van de verdachte tot het bewijs gebezigd en de verdachte ter zake van negen brandstichtingen, waardoor levensgevaar voor andere personen te duchten was, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren.
Op de terechtzittingen in hoger beroep van 25 februari 2014 en 2 oktober 2015 heeft de verdachte de bosbranden (feiten 1, 2 en 3) bekend en heeft hij de woningbranden en de autobrand (feiten 4, 7 en 8) ontkend. Op de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2015 zijn de beelden van (een deel van) het tweede politieverhoor van de verdachte op 15 mei 2012 vertoond. In zijn arrest van 2 maart 2016 heeft het hof ten aanzien van de feiten 4, 7 en 8 de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde bekennende verklaringen van de verdachte voor het bewijs gebruikt, terwijl het hof ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 de op de terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2014 afgelegde bekennende verklaring van de verdachte tot het bewijs heeft gebezigd. Het hof heeft de verdachte wegens deze brandstichtingen, met dien verstande dat volgens het hof alleen door feit 7 levensgevaar voor andere personen te duchten was, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.
De cassatiemiddelen hebben betrekking op de feiten 4, 7 en 8. De feiten 1, 2 en 3 staan in cassatie dus niet ter discussie.
Het
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van de feiten 4, 7 en 8 is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman van de verdachte, inhoudende dat de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde bekennende verklaringen van de verdachte wegens onbetrouwbaarheid van het bewijs dienen te worden uitgesloten, zonder in het bijzonder de redenen te hebben opgegeven die daartoe hebben geleid, althans dat het oordeel van het hof dat die verklaring betrouwbaar is niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed.
Zoals blijkt uit zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2016 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 4, 7 en 8 ten laste gelegde feiten, onder meer omdat de bekennende verklaringen van de verdachte bij de politie, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en de wijze van verhoren, onbetrouwbaar zijn. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij alleen de bosbranden (feiten 1, 2 en 3) heeft gepleegd maar dat hij niets te maken heeft met de andere branden, is wel betrouwbaar. Deze verklaring past binnen de onderzoeksbevindingen en de onder brandstichtende brandweermannen bekende motieven, te weten de omstandigheid dat de verdachte zich druk maakte over de bezuinigingen bij de brandweer in [plaats] . Tijdens de politieverhoren van de verdachte is gebruik gemaakt van een met de zogenoemde “Reidtechniek” te vergelijken verhoortechniek, waarbij in geval van ontkennen wordt tegengewerkt en bij bekennen wordt beloond, wordt gesuggereerd dat de reeds verkregen bewijzen al heel overtuigend zijn en wordt gesuggereerd dat bekennen minder serieuze gevolgen heeft. Op grond daarvan moet serieus rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte ten dele vals heeft bekend. Gelet op hetgeen de deskundigen zeggen over de persoonlijkheid van de verdachte, te weten dat de verdachte een weinig betrouwbare, inschikkelijke persoon is, en hetgeen in de literatuur wordt opgemerkt over valse bekentenissen, zijn in de persoonlijkheid van de verdachte risicofactoren te onderkennen voor het afleggen van een valse bekentenis. De verdachte was erg vermoeid tijdens de politieverhoren, terwijl hij desondanks urenlang is ondervraagd. Daarbij komt dat de politieverklaringen van de verdachte niet concreet en niet specifiek zijn, terwijl de daarin gegeven details niet blijken te kloppen, aldus de raadsman. [1]
6. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder “bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 4, 7 en 8” in reactie op dit betrouwbaarheidsverweer uitgebreid gemotiveerd geoordeeld dat de bekennende verklaringen, die de verdachte op 15 mei 2012 bij de politie heeft afgelegd, gelet op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verhoren hebben plaatsgevonden betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Hoewel kritische kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij bepaalde uitlatingen van de verbalisanten tijdens het verhoor van de verdachte ten aanzien van de werkzaamheden van de toenmalige raadsvrouwe van de verdachte en de gestelde noodzaak van hulp voor de verdachte in relatie tot naaste familieleden en een goede vriend van de verdachte, hebben de verbalisanten zich niet zodanig opgesteld dat sprake is geweest van ongeoorloofde verhoortechnieken dan wel dat gehandeld is in strijd met het pressieverbod. Uit de schriftelijke weergave van de politieverhoren op 14 en 15 mei 2012 en de waarneming van het hof op de terechtzitting in hoger beroep van de video-opnames die van de verhoren zijn gemaakt volgt dat de verdachte tijdens die verhoren een nuchtere en berekenende indruk maakte, terwijl hij tijdens die verhoren details van branden die langere tijd geleden hebben plaatsgevonden heeft genoemd. Daaraan doet niet af dat hij op een ondergeschikt punt mogelijk onjuist heeft verklaard, aangezien hij zich mede gelet op het tijdsverloop zeer wel vergist kan hebben. Naast zijn gedetailleerde bekentenissen heeft de verdachte andere branden consequent en met grote stelligheid ontkend op een wijze die niet valt te rijmen met de door de verdediging gestelde strategie van “bekennen om sneller naar huis te mogen”. De gedetailleerde verklaringen van de verdachte over de met de branden gepaard gaande drang, de ontlading achteraf, de impulsiviteit bij zijn beslissingen tot het stichten van branden en het drankgebruik voorafgaand aan de brandstichtingen maken een authentieke indruk, aldus het hof.
Vervolgens heeft het hof de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte deels als bewijsmiddelen 10 en 11 (feit 4), 14 (feit 7) en 18, 19, 22, 25, 26 en 29 (feit 8) tot het bewijs gebezigd.
7. In het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter die over de feiten oordeelt en in aanmerking genomen hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht, acht ik het voornoemde oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de audiovisuele beelden van de politieverhoren van de verdachte (deels) ter terechtzitting zijn getoond. Het hof heeft onder meer op basis van zijn waarneming van die beelden de verklaringen van de verdachte bij de politie betrouwbaar geacht. Gelet op hetgeen de raadsman ter onderbouwing van dit verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Aldus stond het het hof vrij de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte tot het bewijs te bezigen. [2]
8. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof in zijn bewijsoverwegingen niet zou zijn ingegaan op het standpunt van de raadsman dat de verklaringen die de verdachte op de terechtzittingen in hoger beroep heeft afgelegd betrouwbaar zijn, dat het hof een onderdeel van het verweer verkeerd zou hebben opgevat door in te gaan op het pressieverbod zoals bedoeld in art. 29 Sv Pro en dat het hof de essentie van het verweer, te weten de wijze van verhoren in samenhang met de persoonlijkheid van de verdachte, niet in zijn beoordeling zou hebben betrokken.
9. Uit het bestreden arrest blijkt dat het hof het in het middel bedoelde verweer van de raadsman heeft opgevat als een betrouwbaarheidsverweer gericht tegen de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte en meer in het bijzonder gericht tegen de wijze waarop en de omstandigheden waaronder deze politieverhoren hebben plaatsgevonden. Zoals hiervoor uiteen is gezet, heeft het hof dit betrouwbaarheidsverweer uitgebreid gemotiveerd verworpen. Daarbij is het hof ingegaan op verschillende aspecten die de raadsman aan dit verweer ten grondslag heeft gelegd. De uitleg van verweren is voorbehouden aan de feitenrechter. Die uitleg kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [3] De motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv ten aanzien van een tot vrijspraak strekkend uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gaat evenwel niet zo ver dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [4] Aldus was het hof niet gehouden expliciet in te gaan op hetgeen de raadsman heeft opgemerkt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de op de terechtzittingen in hoger beroep afgelegde verklaringen van de verdachte en de persoonlijkheid van de verdachte.
10. Het middel faalt.
11. Het
tweede middelbevat de klacht dat het hof het voorwaardelijk verzoek van de raadsman van de verdachte tot benoeming van een deskundige teneinde onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte, gelet op hetgeen aan dit verzoek ten grondslag is gelegd, ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
12. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Op de terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2014 heeft de raadsman van de verdachte verzocht om “Van Koppen of Smeets” als deskundige te benoemen teneinde onderzoek te laten doen naar de waarheidsgetrouwheid van de bekennende verklaringen van de verdachte bij de politie. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek onder verwijzing naar het rapport van de deskundige Ameling, een artikel van Smeets en de verklaring van de verdachte dat hij een valse bekentenis heeft afgelegd het volgende aangevoerd. De verdachte heeft bij de politie bekend om onder de druk vandaan te komen. Het gaat niet om de vraag of tijdens de verhoren ongeoorloofde druk is uitgeoefend, aangezien dat oordeel aan het hof is voorbehouden en de raadsman zich kan vinden in het oordeel van de rechtbank op dit punt. Het gaat om de vraag of het mogelijk is dat de verdachte een valse bekentenis heeft afgelegd. Het gevraagde onderzoek is van belang, aangezien de bewijsconstructie in belangrijke mate op de verklaring van de verdachte is gebaseerd.
(ii) Het hof heeft het verzoek tot benoeming van een deskundige op die terechtzitting afgewezen, aangezien de noodzaak daartoe in dit stadium niet is gebleken. Het hof heeft daartoe overwogen dat het zich aan de hand van het dossier en zo nodig de opnamen van de politieverhoren van de verdachte een oordeel zal vormen over het waarheidsgehalte van de verklaringen van de verdachte bij de politie.
(iii) Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2016 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman van de verdachte (voorwaardelijk) verzocht alsnog de deskundige Van Koppen te benoemen teneinde deze onderzoek te laten verrichten naar de vraag of, gelet op het verloop van het verhoor en de persoonlijkheid van de verdachte, rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte bezijden de waarheid heeft verklaard en, zo ja, in welke mate, indien het hof van oordeel is dat de bij de politie afgelegde bekentenissen van de verdachte bruikbaar zijn voor het bewijs van de feiten 4, 7 en 8. Voor de motivering van het verzoek heeft de raadsman verwezen naar hetgeen hij dienaangaande op de terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2014 naar voren heeft gebracht. [5] In aanvulling daarop heeft de raadsman, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2016, opgemerkt dat het een bepaalde deskundigheid vergt om iemands persoonlijkheid mee te wegen en te bepalen of iemand openstaat voor suggesties en verleid kan worden tot het afleggen van verklaringen. Als de advocaat-generaal bij het hof het eerdere onderzoek van Ameling niet wil gebruiken, omdat dit onvolledig zou zijn, dient een volledig onderzoek te worden gedaan door Van Koppen of een andere deskundige zoals Smeets, aldus de raadsman.
(iv) Het hof heeft dit voorwaardelijk gedane verzoek in de bestreden uitspraak onder “bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 4, 7 en 8” (laatste alinea) afgewezen, omdat de noodzaak daartoe ontbreekt, gelet op hetgeen het hof in reactie op het betrouwbaarheidsverweer van de raadsman ten aanzien van de betrouwbaarheid van de politieverklaringen van de verdachte heeft overwogen.
13. Zoals blijkt uit de toelichting, is het middel gericht tegen de afwijzing door het hof bij arrest van het herhaalde verzoek tot het benoemen van een deskundige.
14. Het herhaalde, op de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2016, voorwaardelijk gedane verzoek van de raadsman van de verdachte om een deskundige te benoemen teneinde nader onderzoek te verrichten naar de bewijswaarde van de op 12 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, is een verzoek zoals bedoeld in art. 328 Sv Pro, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv, om gebruik te maken van de in art. 315, derde lid tweede volzin, Sv dan wel een in art. 316 Sv Pro omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is telkens of het hof de noodzaak van het verzochte is gebleken. [6] De aan dat verzoek verbonden voorwaarde is vervuld. Het hof heeft de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte immers als bewijsmiddelen 10 en 11 (feit 4), 14 (feit 7) en 18, 19, 22, 25, 26 en 29 (feit 8) voor het bewijs gebruikt en is mede op grond van deze verklaringen tot bewezenverklaringen van de feiten 4, 7 en 8 gekomen.
15. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 12 sub iv is weergegeven - bij de afwijzing van het verzoek geoordeeld dat de noodzaak tot benoeming van een deskundige teneinde deze te laten rapporteren over de betrouwbaarheid van de politieverklaringen van de verdachte ontbreekt. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarover wordt terecht niet geklaagd.
16. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de raadsman van de verdachte slechts aangevoerd dat de verdachte bij de politie heeft bekend om onder de druk vandaan te komen, dat gelet op het verloop van de verhoren en de persoonlijkheid van de verdachte de mogelijkheid moet worden onderzocht of de verdachte een valse bekentenis heeft afgelegd, dat dit onderzoek van belang is omdat de bewijsconstructie in belangrijke mate op de verklaringen van de verdachte is gebaseerd en dat het een bepaalde deskundigheid vergt om iemands persoonlijkheid mee te wegen en te bepalen of iemand openstaat voor suggesties en verleid kan worden tot het afleggen van verklaringen. Het hof heeft in navolging van de rechtbank ter terechtzitting kennisgenomen van de opnamen van de politieverhoren van de verdachte. Aldus heeft het hof zelf kunnen waarnemen op welke wijze de bekentenissen van de verdachte tot stand zijn gekomen.
17. Daarbij komt dat het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2016 de psycholoog Ameling, die op 30 mei 2013 op verzoek van de verdediging een psychologisch rapport betreffende de verdachte heeft opgemaakt, als deskundige heeft gehoord. Tijdens dit verhoor is Ameling in zekere zin teruggekomen van zijn eerdere conclusie in het rapport, mede naar aanleiding van de omstandigheid dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 in hoger beroep heeft bekend. [7] Op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 juli 2013 is op vordering van de officier van justitie J. Hoekendijk als deskundige op het gebied van het verhoren van verdachten gehoord. Hoekendijk was aanwezig in de regiekamer ten tijde van de politieverhoren van de verdachte. Meer in algemene zin bevindt zich bij de stukken bovendien een aantal in eerste aanleg en in hoger beroep opgemaakte rapporten betreffende (de persoonlijkheid van) de verdachte. Op 16 mei 2012 is door de reclasseringsmedewerker J. van Triest een reclasseringsrapport opgemaakt. [8] Op 25 januari 2013 hebben de klinisch psycholoog Boer en de psychiater De Vries een pro justitia rapportage opgemaakt. [9] Op 13 juli 2014 is door de klinisch psycholoog Thung een psychologisch pro justitia rapport opgemaakt, terwijl op 25 juli 2014 de psychiater Van de Kraats een psychiatrisch pro justitia rapport heeft opgemaakt. [10] In deze rapporten van juli 2014 wordt de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging geadviseerd. Op 2 juni 2015 hebben de psycholoog Boer en de psychiater Grochowska na onderzoek van de verdachte in het Pieter Baan Centrum een pro justitia rapportage opgemaakt. [11] Deze deskundigen achten de verdachte volledig toerekeningsvatbaar ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. Uit het voorafgaande volgt dat uitvoerig onderzoek is gedaan naar de persoonlijkheid van de verdachte, ook in relatie tot de afgelegde verklaringen bij de politie. Voor het overige geldt dat de beoordeling en de interpretatie van de verklaringen van de verdachte is voorbehouden aan het hof, dat zich in dit verband niet alleen heeft kunnen baseren op zijn eigen waarneming van de opnamen van het politieverhoor, maar ook de uit de deskundigenrapporten naar voren komende persoonlijkheidskenmerken van de verdachte bij de beoordeling van het verzoek heeft kunnen betrekken.
18. Daarbij moet worden bedacht dat het in het middel bedoelde verzoek is gedaan in het kader van het door de raadsman op dezelfde terechtzitting gevoerde betrouwbaarheidsverweer betreffende de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte. Bij de bespreking van het eerste middel concludeerde ik dat het hof dit verweer in de bestreden uitspraak op goede gronden en toereikend gemotiveerd heeft verworpen. Die motivering van de verwerping van het verweer, waarnaar het hof ter motivering van de afwijzing van het verzoek heeft verwezen, biedt nader inzicht in de gedachtegang van het hof. Het hof heeft in zijn afweging betrokken dat de verbalisanten zich niet zodanig hebben opgesteld dat sprake is geweest van ongeoorloofde verhoortechnieken dan wel dat gehandeld is in strijd met het pressieverbod. Het hof heeft op basis van de schriftelijke weergave van de politieverhoren en zijn eigen waarneming op de terechtzitting in hoger beroep van de video-opnames van de verhoren feitelijk vastgesteld dat de verdachte tijdens die verhoren een nuchtere en berekenende indruk maakte, terwijl hij tijdens die verhoren details van branden heeft genoemd. Naast zijn gedetailleerde bekentenissen heeft de verdachte andere branden consequent en met grote stelligheid ontkend op een wijze die niet valt te rijmen met de door de verdediging gestelde strategie van “bekennen om sneller naar huis te mogen”. Ten slotte heeft het hof in zijn beschouwingen betrokken dat de gedetailleerde verklaringen van de verdachte over de met de branden gepaard gaande drang, de ontlading achteraf, de impulsiviteit bij zijn beslissingen tot het stichten van branden en het drankgebruik voorafgaand aan de brandstichtingen een authentieke indruk maken. Deze overwegingen geven een nadere invulling aan de onderbouwing van het ontbreken van de noodzakelijkheid van de benoeming van een deskundige.
19. Op de terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2014 heeft het hof een eerder verzoek van de raadsman om een deskundige te benoemen op goede gronden en toereikend gemotiveerd afgewezen door te overwegen dat de noodzaak daartoe (ook) op dat moment niet was gebleken en dat het hof zich aan de hand van het dossier en (zo nodig) de opnamen van de politieverhoren een oordeel zou vormen over het waarheidsgehalte van de verklaringen van de verdachte bij de politie. Hetzelfde verzoek is dus al eerder aan de orde geweest en afgewezen, terwijl de raadsman onvoldoende nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op basis waarvan alsnog een deskundige zou moeten worden benoemd. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek in zijn pleitnotities in hoger beroep van 17 februari 2016 slechts verwezen naar zijn eerdere argumenten, zonder expliciet in te gaan op de afwijzing door het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2014.
20. Gelet op hetgeen hiervoor onder 16, 17, 18 en 19 uiteen is gezet, geeft het oordeel van het hof dat de noodzaak tot benoeming van een deskundige teneinde deze te laten rapporteren over de betrouwbaarheid van de politieverklaringen van de verdachte ontbreekt, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel evenmin onbegrijpelijk is. In aanmerking genomen hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Aldus heeft het hof het verzoek toereikend gemotiveerd afgewezen. [12]
21. Het middel faalt.
22. Het
derde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans dat het hof het tot vrijspraak van dit feit strekkende verweer van de raadsman van de verdachte ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
23. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezen verklaard dat:
“hij op 8 januari 2012 te Eemnes opzettelijk brand heeft gesticht aan de rietkapbedekking van een woning gelegen aan perceel [a-straat 1] aldaar, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker de rietkapbedekking van die woning aangestoken, ten gevolge waarvan de rietkapbedekking van die woning en de in die woning aanwezige voorwerpen gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de in die woning aanwezige (overige) voorwerp(en) te duchten was.”
24. Zoals blijkt uit zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2016 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde feit, onder meer omdat er geen ander belastend bewijs is dan de verklaringen van de verdachte zelf, terwijl het wel aanwezige bewijs eerder ontlastend is. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat het tijdsverloop een contra-indicatie is voor het aanmerken van de verdachte als dader van deze brandstichting. [13]
25. Het hof heeft niet afzonderlijk gerespondeerd op dit standpunt van de raadsman. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof evenwel kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die op 8 januari 2012 opzettelijk brand heeft gesticht aan de rietkapbedekking van een woning aan de [a-straat 1] in Eemnes, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de daarin aanwezige voorwerpen te duchten was. Deze bewezenverklaring steunt naast de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde bekennende verklaringen van de verdachte (bewijsmiddelen 10 en 11) op verschillende bewijsmiddelen. In de eerste plaats valt te wijzen op de op 10 januari 2012 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 12), inhoudende dat op 8 januari 2012 (tussen 04:18 uur en 07:32 uur) in zijn afwezigheid brand is gesticht aan zijn rietgedekte, vrijstaande woning aan de [a-straat 1] in Eemnes en dat zijn gehele woning schade heeft opgelopen ten gevolge van deze brand. Daarnaast is sprake van een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 8 februari 2012 (bewijsmiddel 13) betreffende de oorzaak van de brand. Daaruit volgt dat de brand is ontstaan door het aanbrengen van open vuur bij de rieten kap van de woning. Aldus bevat de uitspraak voldoende gegevens waarin de nadere motivering ligt besloten aangaande het niet aanvaarden door het hof van het voornoemde standpunt van de raadsman. [14]
26. Anders dan de steller van het middel aanvoert, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat het hof voor de directe betrokkenheid van de verdachte bij deze brandstichting uitsluitend gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van de verdachte. De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat het steunbewijs voor de bekennende verklaringen van de verdachte betrekking moet hebben op de directe betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit, vindt geen steun in het recht. [15]
27. In het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De bewezenverklaring van feit 4 is naar de eis der wet met redenen omkleed.
28. Het middel faalt.
29. Het
vierde middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 7 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans dat het hof het tot vrijspraak van dit feit strekkende verweer van de raadsman van de verdachte ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
30. Ten laste van de verdachte is onder 7 bewezen verklaard dat:
“hij op 19 november 2011 te Laren opzettelijk brand heeft gesticht aan de rietkapbedekking van een woning gelegen aan perceel [b-straat 1] aldaar, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker de rietkapbedekking van die woning aangestoken, ten gevolge waarvan die woning gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige voorwerpen en de in de nabijheid van die woning gelegen woning en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige personen en de in die in de nabijheid gelegen woning aanwezige personen te duchten was.”
31. Zoals blijkt uit zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2016 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 7 ten laste gelegde feit, onder meer omdat er geen ander belastend bewijs is dan de verklaringen van de verdachte zelf. Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat er wat betreft feit 7 eigenlijk haast niets is wat de moeite waard is om onder de aandacht van het hof te brengen maar dat er in het dossier niets bezwarend jegens de verdachte ligt. [16]
32. Het hof heeft niet afzonderlijk gerespondeerd op dit standpunt van de raadsman. Nog daargelaten of het hof het aangevoerde had behoren op te vatten als een responsieplichtig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, heeft het hof uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die op 19 november 2011 opzettelijk brand heeft gesticht aan de rietkapbedekking van een woning aan de [b-straat 1] in Laren, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de daarin aanwezige voorwerpen en de in de nabijheid van die woning gelegen woning en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige personen en de in die in de nabijheid gelegen woning aanwezige personen te duchten was. Deze bewezenverklaring steunt naast de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde bekennende verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 14) op verschillende bewijsmiddelen. In de eerste plaats is relevant de op 19 november 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 15), inhoudende dat op 19 november (rond 00:05 uur) brand is gesticht aan de rieten kap van zijn woning aan de [b-straat 1] in Laren, terwijl hij in zijn werkkamer aan de achterzijde van de woning zat en zijn vrouw boven lag te slapen, en dat ten gevolge van deze brand de brandweer het riet voor een groot deel uit zijn dak heeft moeten weg halen en enkele houten planken van de muur zijn weggehaald. In de tweede plaats verdient vermelding de op 19 november 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 3] (bewijsmiddel 16), waaruit blijkt dat de buurman, zijn vrouw en hun 8-jarige zoontje ten tijde van de brandmelding lagen te slapen maar dat zij dankzij het brandalarm tijdig zijn gewekt. Ten derde valt te wijzen op een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 28 november 2011 (bewijsmiddel 17) betreffende de oorzaak van de brand. Daaruit blijkt dat de brand vermoedelijk het gevolg is geweest van brandstichting door middel van het bijbrengen van open vuur. Aldus bevat de uitspraak voldoende gegevens waarin de nadere motivering ligt besloten aangaande het niet aanvaarden door het hof van het voornoemde standpunt van de raadsman. [17]
33. Anders dan de steller van het middel aanvoert, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat het hof voor de directe betrokkenheid van de verdachte bij deze brandstichting uitsluitend gebruik heeft gemaakt van de verklaring van de verdachte. Ook hiervoor geldt dat de opvatting dat het steunbewijs voor de bekennende verklaring van de verdachte betrekking moet hebben op de directe betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit geen steun vindt in het recht. [18]
34. In het licht van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De bewezenverklaring van feit 7 is naar de eis der wet met redenen omkleed.
35. Het middel faalt.
36. Het
vijfde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 8 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans dat het hof het tot vrijspraak van dit feit strekkende verweer van de raadsman van de verdachte ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
37. Ten laste van de verdachte is onder 8 bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 16 augustus 2008 tot en met 25 juni 2010 te Laren en Blaricum opzettelijk brand heeft gesticht aan:
- de rietkapbedekking van een woning, gelegen aan perceel [c-straat 1] te Laren, op 18 maart 2009,
immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met de rietkapbedekking van die woning, ten gevolge waarvan die woning gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
en
- de rietkapbedekking van een pand, gelegen aan perceel [d-straat 1] te Blaricum, op 16 augustus 2008,
immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met de rietkapbedekking van dat pand, ten gevolge waarvan dat pand en de in dat pand aanwezige voorwerpen gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
en
- de rietkapbedekking van een woning, gelegen aan perceel [e-straat 1] te Laren op 18 juni 2010,
immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met de rietkapbedekking van die woning, ten gevolge waarvan die woning gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
en
- een voertuig, te weten een bestelbus van het merk Iveco, met het kenteken [AA-00-BB] op 25 juni 2010 te Laren;
immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met dat voertuig, ten gevolge waarvan dat voertuig en de in dat voertuig aanwezige voorwerpen gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.”
38. Zoals blijkt uit zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2016 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 8 ten laste gelegde feiten, onder meer omdat er geen ander belastend bewijs is dan de verklaringen van de verdachte zelf. Ten aanzien van de brandstichting aan de rietkapbedekking van de woning aan de [c-straat 1] in Laren heeft de raadsman opgemerkt dat hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard over de ladder, niet juist blijkt te zijn en dat de getuigenverklaringen van [betrokkene 4] niet kunnen bijdragen aan het bewijs dat de verdachte verantwoordelijk is voor deze brandstichting. Ten aanzien van de brandstichting aan de rietkapbedekking van het pand aan de [d-straat 1] in Blaricum heeft de raadsman aangevoerd dat helemaal niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van brandstichting, dat wordt gesteld dat de brand is ontstaan door het al dan niet opzettelijk bijbrengen van vuur, dat er ontlastend materiaal is te ontwaren in dit zaaksdossier en dat geen van de getuigen iets heeft verklaard wat op de betrokkenheid van de verdachte in deze zaak zou kunnen duiden. Ten aanzien van de brandstichting aan de rietkapbedekking van de woning aan de [e-straat 1] in Laren heeft de raadsman geen specifiek verweer gevoerd. Ten aanzien van de brandstichting aan de bestelbus in Laren heeft de raadsman opgemerkt dat er geen aanvullend bewijs jegens de verdachte is. [19]
39. Het hof heeft niet afzonderlijk gerespondeerd op dit standpunt van de raadsman. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof evenwel kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die in de periode van 16 augustus 2008 tot en met 25 juni 2010 in Laren en Blaricum opzettelijk brand heeft gesticht aan de rietbekapping van een woning aan de [c-straat 1] in Laren (op 18 maart 2009), aan de rietbekapping van een pand aan de [d-straat 1] in Blaricum (op 16 augustus 2008), aan een woning aan de [e-straat 1] in Laren (op 18 juni 2010) en aan een bestelbus in Laren (op 25 juni 2010), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Deze bewezenverklaring steunt naast de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde bekennende verklaringen van de verdachte (bewijsmiddelen 18, 19, 22, 25, 26 en 29) op de hieronder weergegeven bewijsmiddelen.
40. Ten aanzien van de brandstichting aan de rietkapbedekking van de woning aan de [c-straat 1] in Laren wijs ik ten eerste op de op 20 maart 2009 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 5] (bewijsmiddel 20). Deze verklaring houdt in dat op 18 maart 2009 (tussen 03:00 uur en 03:30 uur) in zijn afwezigheid brand is gesticht aan zijn woning aan de [c-straat 1] in Laren, dat zijn woning door de brand een complete ravage was, dat de rieten kap van zijn woning en de kozijnen (voor een groot deel) verbrand waren en dat er een ladder tegen zijn woning stond. Ten tweede is sprake van een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 1 april 2009 (bewijsmiddel 21) betreffende de oorzaak van de brand, waarin wordt opgemerkt dat de brandweer aan de achterzijde van de woning een aluminium ladder tegen de gevel heeft aangetroffen. Het proces-verbaal vermeldt dat de brand is ontstaan door het (al dan niet opzettelijk) achterlaten of bijbrengen van vuur in enigerlei vorm. De verdachte heeft verklaard dat er aan de achterkant van de woning een ladder stond, die hij heeft gebruikt (bewijsmiddel 19).
41. Ten aanzien van de brandstichting aan de rietkapbedekking van het pand aan de [d-straat 1] in Blaricum wijs ik op de op 17 augustus 2008 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 6] (bewijsmiddel 23), inhoudende dat op 16 augustus 2008 (tussen 01:30 uur en 02:00 uur) in zijn afwezigheid brand is gesticht aan het pand behorend bij zijn garagebedrijf aan de [d-straat 1] in Blaricum en dat door de brand het gehele pand met alles wat erin stond is verwoest. Daarnaast wijs ik op een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 7 mei 2009 (bewijsmiddel 24) betreffende de oorzaak van de brand. Daaruit volgt dat de brand is ontstaan door het (al dan niet opzettelijk) bijbrengen van vuur in enigerlei vorm.
42. Voor het bewijs van de brandstichting aan de rietkapbedekking van de woning aan de [e-straat 1] in Laren kan worden gewezen op de op 18 juni 2010 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 7] (bewijsmiddel 27), inhoudende dat op 18 juni 2010 (omstreeks 04:45 uur) zijn niet bewoonde pand aan de [e-straat 1] in Laren, gelegen naast het pand waarin hij samen met zijn vrouw en zijn zoon lag te slapen, in brand stond. Tot het bewijs is ook gebezigd een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 28 september 2010 (bewijsmiddel 28) betreffende de oorzaak van de brand, die het rieten dak van de woning geheel heeft verwoest. Dit proces-verbaal houdt in dat de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan ten gevolge van het al dan niet opzettelijk bijbrengen of achterlaten van vuur in enigerlei vorm ter hoogte van de brandhaard.
43. Ten aanzien van de brandstichting aan de bestelbus in Laren is relevant de op 30 juni 2010 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 8] (bewijsmiddel 30), inhoudende dat hij eigenaar is van het bedrijf [A] , dat hij zijn werkbus (een witte Iveco met kenteken [AA-00-BB] ) op 24 juni 2010 tegenover zijn woning aan het [f-straat 1] in Laren heeft geparkeerd, dat hij op 25 juni 2010 (omstreeks 02:35 uur) wakker werd van de sirene van de brandweer, dat hij zag dat zijn werkbus in brand stond en dat de voorzijde van zijn bus geheel was uitgebrand. De verdachte heeft verklaard dat hij door middel van een aansteker een bus van “ [A] ” heeft aangestoken (bewijsmiddel 29).
44. In het licht van het voorafgaande, bevat de bestreden uitspraak voldoende gegevens waarin de nadere motivering ligt besloten aangaande het niet aanvaarden door het hof van het voornoemde standpunt van de raadsman ten aanzien van de verschillende onder 8 ten laste gelegde brandstichtingen. [20]
45. Ook in dit verband doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat het hof voor de directe betrokkenheid van de verdachte bij deze brandstichtingen uitsluitend gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van de verdachte. [21] Bovendien kan uit de hiervoor weergegeven inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de bewezenverklaring van de verschillende brandstichtingen, anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, niet uitsluitend steunt op de bekennende verklaringen van de verdachte.
46. In het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De bewezenverklaring van feit 8 is naar de eis der wet met redenen omkleed.
47. Het middel faalt.
48. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
49. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie pleitnotities in hoger beroep van 17 februari 2016, p. 4-27.
2.Vgl. HR 7 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:370 (art. 81 RO Pro, tweede middel), HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:350,
3.Vgl. A.J.A. van Dorst,
4.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
5.Zie pleitnotities in hoger beroep van 17 februari 2016, p. 22 en 27.
6.Zie HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2189, rov. 3.5 (grondslag van de maatstaf art. 315, derde lid tweede volzin, Sv dan wel art. 316 Sv Pro). Zie ook HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:534, rov. 2.3 (grondslag art. 316 Sv Pro), HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3302, rov. 3.3 (grondslag art. 316, eerste lid, Sv) en HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2856,
7.In zijn rapport van 30 mei 2013 is Ameling tot de conclusie gekomen dat, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en zijn emotionele en fysieke staat ten tijde van de verhoren, de kans dat de verdachte bij zijn politieverhoren niet naar waarheid heeft verklaard groter is dan de kans dat hij op dat moment wel de waarheid sprak.
8.Dit reclasseringsrapport vermeldt dat de verdachte de feiten ten tijde van het opstellen van het rapport bekende.
9.De verdachte heeft zijn medewerking aan dit NIFP-onderzoek in het Pieterbaan Centrum van 25 januari 2013 geweigerd.
10.De klinisch psycholoog Thung en de psychiater Kraats zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2015 als deskundigen gehoord.
11.De psychiater Grochowska is op de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2015 als deskundige gehoord, terwijl de psycholoog Boer op de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2016 als deskundige is gehoord.
12.Vgl. HR 7 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:370 (art. 81 RO Pro, eerste middel).
13.Zie pleitnotities in hoger beroep van 17 februari 2016, p. 28-30 en p. 32.
14.Vgl. HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5710, rov. 2 en HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
15.Vgl. ten aanzien van het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv: HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:580, rov. 3.
16.Zie pleitnotities in hoger beroep van 17 februari 2016, p. 30 en 32.
17.Vgl. HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5710, rov. 2 en HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
18.Vgl. ten aanzien van het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv: HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:580, rov. 3.
19.Zie pleitnotities in hoger beroep van 17 februari 2016, p. 30-32.
20.Vgl. HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5710, rov. 2 en HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
21.Vgl. ten aanzien van het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv: HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:580, rov. 3.