Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
verrekeningsbeschikking niet meer in geschil is.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
ad (i)dat de verliesvaststellingsbeschikking in casu het lot van de aanslag (vernietiging) moet delen. Nu de MvT bij art. 20a (in 2009: artikel 20b) Wet Vpb dezelfde terminologie gebruikt als de terminologie die de wetgever bij de invoering van art. 11(3) AWR gebruikte, had de wetgever dezelfde ‘redelijke termijn’ voor de verliesvaststellingsbeschikking op het oog als voor de aanslag. Ook de term ‘gelijktijdig’ in art. 20b Wet Vpb onderstreept dit. Dat de beschikking vernietigd moet worden met de aanslag waarin zij geacht moet worden begrepen te zijn, volgt ook daaruit dat het aan art. 20b Wet Vpb ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel bezwaarlijk tot nadeel van de belanghebbende kan strekken. Instandhouding van de buiten de 11(3) AWR-termijn opgelegde verliesvaststellingsbeschikking zou in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel meebrengen dat een belastingplichtige aan wie ex art. 21(3) Wet Vpb voorlopige verliesverrekening is verleend, nog steeds geen zekerheid over haar concrete betalingsverplichting verkrijgt ondanks het verlopen van de wettelijke aanslagtermijn. Alleen als een belastingplichtige belang heeft bij een verliesvaststellingsbeschikking buiten de termijn kan de Inspecteur die niet weigeren met een beroep op het verloop van die termijn; hij kan niet buiten de termijn zijn omissie herstellen in het nadeel van belastingplichtige. Nu de Inspecteur het verlies niet binnen de aanslagtermijn definitief heeft vastgesteld, mocht de belanghebbende er na het verlopen van die termijn van uitgaan dat het bij voorlopige aanslag vermelde negatieve belastbare bedrag gold als het te verrekenen verlies. Een andere opvatting zou inhouden dat de Inspecteur ook na het verstrijken van de aanslagtermijn nog zou kunnen afwijken van de aangifte. ’s-Hof oordeel impliceert dat rechtszekerheid wordt voorbehouden aan belastingplichtigen met een positief belastbaar bedrag.
verweerheeft de Staatssecretaris ad (i) verwezen naar HR BNB 2007/148 [5] en de onderdelen 6.1 t/m 6.18 van de conclusie van mijn ambtgenoot A-G Niessen in die zaak, en op HR BNB 2003/62 [6] en de noot van Zwemmer bij dat arrest: de aanslagtermijn geldt niet voor verliesverrekenings- en -vaststellingsbeschikkingen, aldus de Staatssecretaris. Ad (ii) meent de Staatssecretaris dat ’s-Hofs onzakelijkheidsoordeel feitelijk is en in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Belanghebbendes stelling dat een huur zou zijn vastgesteld, is telkens weersproken door de Inspecteur [7] , zodat van een vaststaand feit geen sprake is.
4.De wet
7.Toelichting op de artikelen
Artikel I, onderdeel B (artikel 51a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964)
mitshet verlies door de Inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Bij het opleggen van de voorlopige aanslagen is echter geen verliesvaststellingsbeschikking genomen. De wet voorziet daar ook niet in. De wet (art. 20b(1) Wet Vpb) voorziet alleen in een verliesvaststellingsbeschikking gelijktijdig met de ‘aanslag’. De ‘aanslag’ is volgens art. 2(3)(e) AWR de definitieve aanslag,
nietde voorlopige of de navorderingsaanslag.
verrekeningsbeschikking (zie art. 20(3) Wet Vpb), kent de wet niet zoiets als een voorlopige verlies
vaststellingsbeschikking.
Artikel 23b Wet op de vennootschapsbelasting 1969.