Conclusie
1.Feiten
III. KOOPPRIJS
f2,17391) voor iedere gulden inkomen die in het boekjaar is gegenereerd uit de assurantie-portefeuille van de vennootschap.
f42.826,35) per aandeel; derhalve bedraagt de prijs voor de veertig aandelen in totaal eenmiljoen zevenhonderddertienduizend vierenvijftig gulden (
f1.713.054,00).
f1.150.000,00) heeft opgeleverd, zal de prijs van de aandelen worden verlaagd met twee gulden en zeventien en driehonderd eenennegentigste cent (
f2,17391) voor elke gulden dat het inkomen minder bedraagt dan eenmiljoen eenhonderd vijftigduizend gulden
(
f1.150.000,00), met dien verstande evenwel dat de prijs te allen tijde tenminste één gulden (
f1,00) zal bedragen.
2.Het procesverloop
f1.900.000,- heeft gestort op de kwaliteitsrekening van de notaris, met de opdracht aan de notaris dat (door)betaling van dat bedrag ‘aan de verkopende partij’ slechts mocht plaatsvinden indien de akte van bedrijfsoverdracht ongewijzigd zou worden gepasseerd. Deze storting op de (algemene) kwaliteitsrekening van de notaris brengt mee, zoals Zürich terecht stelt, dat dit bedrag geen deel uit is gaan maken van het vermogen van de notaris, maar dat het (althans zolang het op de algemene kwaliteitsrekening stond) onderdeel bleef van het vermogen van Zürich. De notaris is derhalve geen rechthebbende op dit bedrag. Rixtel heeft in de onderhavige procedure erkend dat zij, in strijd met de door haar met Zürich overeengekomen voorwaarde dat zij het door Zürich ter leen verstrekte bedrag zou gebruiken voor de aankoop van een assurantieportefeuille, dit bedrag heeft gebruikt voor de aankoop van aandelen van De Provinciale, en dat zij evenmin rechthebbende is op dit bedrag. Aan de orde is dan nog de vraag of Zürich dan wel Hofstad c.s. rechthebbende is op het deel van het geld dat thans nog in depot staat bij de notaris.
f1.900.000,- heeft gestort als externe financier ten behoeve van Rixtel, ter uitvoering van een tussen Zürich en Rixtel gesloten overeenkomst van geldlening. Zürich heeft Rixtel vervolgens in staat gesteld om, met medewerking van de notaris, over het gestorte bedrag te beschikken, in elk geval in zoverre dat Rixtel met dit bedrag de koopsom voor de aandelen van De Provinciale aan Hofstad c.s. heeft kunnen betalen. Dat Zürich bij de storting van voormeld bedrag aan de notaris had laten weten dat (door)betaling van dat bedrag ‘aan de verkopende partij’ slechts mocht plaatsvinden indien de akte van bedrijfsoverdracht ongewijzigd zou worden gepasseerd en dat de Hoge Raad in zijn arrest van 20 december 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AF:0198) heeft geoordeeld dat op de notaris mede een zorgplicht rustte jegens Zürich, maakt dit niet anders. Vast staat dat de notaris – in strijd met de door Zürich gestelde voorwaarden – zijn medewerking heeft verleend aan de directe betaling door Rixtel aan Hofstad van een deel van de koopsom, en aan het storten door Rixtel van het overige deel van de koopsom vanaf de algemene kwaliteitsrekening op een speciaal daarvoor geopende depotrekening. Deze depotrekening is geopend ter uitvoering van de nadere afspraken die Rixtel en Hofstad c.s. hadden gemaakt over de betaling door Rixtel van de koopsom voor de aandelen van De Provinciale, welke afspraken kort gezegd inhielden dat Hofstad rechthebbende zou zijn op het depotbedrag tot aan het restantbedrag van de nog definitief vast te stellen koopsom, vermeerderd met de daarover gekweekte depotrente.
f1.900.000,- voor de aankoop van de aandelen van De Provinciale in plaats van – zoals door Zürich vereist – de aankoop van de assurantieportefeuille. Nu voormeld arrest tussen Zürich en Hofstad c.s. in kracht van gewijsde is gegaan, heeft dit tussen hen gezag van gewijsde. Ook het hof gaat er derhalve thans vanuit dat Hofstad c.s. op dit punt te goeder trouw zijn geweest en niet onrechtmatig jegens Zürich hebben gehandeld. Het hof is van oordeel dat Hofstad c.s. er in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat het geldbedrag dat door Rixtel is gestort in het depot als voorwaardelijke betaling van de koopsom, aan welke rechtshandeling de notaris zijn medewerking heeft verleend, aan haar toekwam tot aan het nog definitief vast te stellen restantbedrag van de koopsom. In dit gerechtvaardigd vertrouwen, dat bescherming verdient, heeft Hofstad de aandelen van De Provinciale aan Rixtel overgedragen.”
3.Enkele algemene opmerkingen over de notariële kwaliteitsrekening
adat [lees: de] notaris bevoegd is «in eigen naam» over de gelden op de kwaliteitsrekening te beschikken (uiteraard in opdracht en ten behoeve van de rechthebbende(n)) en
bdat de rechthebbende(n) hun rechten zelf niet rechtstreeks tegenover de bank kunnen uitoefenen. Het onder a gestelde is evenzeer te bereiken met een last aan de notaris in eigen naam voor rechthebbenden tegenover de bank op te treden (artikel 7:400 lid 2 en Pro 7:411 e.v.). Het onder b gestelde kan worden bereikt doordat degene die gelden op de kwaliteitsrekening stort cq ten behoeve van hem door de notaris doet storten, ermee instemt dat hij, ingevolge de toepasselijke bankvoorwaarden, geen rechten rechtstreeks tegen de bank zal kunnen uitoefenen. Dit brengt mee dat de derde-opdrachtgever van de notaris ook niet tegen de bank rechten van artikel 7:412 zal Pro kunnen ontlenen, een kwestie waarop bij de toelichting op lid 2 nog wordt teruggekomen. In dit verband zij reeds hier opgemerkt, dat een wettelijke basis hiervoor aanbeveling verdient, nu een instemmingsconstructie bij een
generalekwaliteitsrekening moeilijker ligt dan bij een specifieke.”
NJ1984,752, [Slis-Stroom, A-G] heeft de Hoge Raad – voor zover thans van belang – geoordeeld ‘(...) dat niet de weg is gekozen van storting van het bedrag op een afzonderlijke rekening ten name van de notaris met vermelding van diens hoedanigheid van opdrachtnemer van de betreffende koper en verkoper, noch een – wat betreft het afgescheiden blijven van het overgemaakte bedrag van het vermogen van de notaris – daarmee gelijk te stellen weg.’ Aldus heeft de Hoge Raad de mogelijkheid aanvaard van de bijzondere notariële kwaliteitsrekening, geopend voor één transactie. Ook onder de werking van art. 3:84 lid 3 BW Pro ‘blijft [toegelaten] de figuur van de girorekening die door bijv. een notaris ten behoeve van één of meer anderen wordt geopend in dier voege dat het daarop gestorte bedrag niet in zijn vermogen valt, mits van de hoedanigheid waarin hij ten behoeve van die anderen optreedt, uit de tenaamstelling van de rekening blijkt’, aldus Part. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1202. Voormeld arrest heeft voorts voor de wetgever de aanleiding gevormd om in art. 25 van Pro de nieuwe Wet op het Notarisambt een regeling te treffen voor de algemene notariële kwaliteitsrekening. Blijkens deze bepaling is de notaris als lasthebber van de gerechtigden tegenover de kredietinstelling bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. Rechthebbenden op het saldo van de bijzondere rekening zijn degenen ten behoeve van wie gelden op die rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden. Tussen deze rechthebbenden geldt met betrekking tot die gelden een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 lid 1 BW Pro.
bijzondere notariële kwaliteitsrekeningis in de literatuur behalve op instemming, [22] ook op kritiek [23] gestuit. De kern van deze kritiek is dat de belanghebbenden geen gelijksoortige aanspraak hebben op het saldo – ieders aanspraak kan, afhankelijk van de inhoud van de onderliggende overeenkomst, afhankelijk zijn van verschillende opschortende of ontbindende voorwaarden – en dat een gemeenschap pas eindigt door een verdeling en levering, terwijl verdeling en levering na faillissement van de solvent (fournerende partij) niet meer kan geschieden (vgl. art. 3:182 BW Pro). Dit lijken mij geen onbelangrijke kanttekeningen. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak is echter niet van belang of tussen de gezamenlijke rechthebbenden bij een bijzondere notariële kwaliteitsrekening een gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW Pro bestaat. De kanttekeningen in de literatuur over deze gemeenschapsconstructie zijn in deze zaak dus niet relevant. In dat licht neem ik in dit algemeen kader, in het spoor van de bestendige rechtspraak van Uw Raad, tot uitgangspunt dat een gemeenschap tussen de gezamenlijke rechthebbenden bij een bijzondere notariële kwaliteitsrekening bestaat en laat ik de kanttekeningen verder rusten.
algemene notariële kwaliteitsrekeninggelden dus de volgende regels:
bijzondere notariële kwaliteitsrekeningmoet op grond van de rechtspraak van Uw Raad, evenals bij de algemene notariële kwaliteitsrekening (hiervoor 3.16 onder (1)), worden aangenomen dat de gezamenlijke rechthebbenden deelgenoot zijn in een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 lid 1 BW Pro en dat de deelgenoten bij de verdeling van deze gemeenschap een voorwaardelijk recht hebben op toedeling van de door de notaris beheerde vordering op de kredietinstelling (arrest Koren q.q./Tekstra q.q., rov. 3.3, eerste twee zinnen van het tweede tekstblok, zoals geciteerd hiervoor in 3.9).
bijzondere notariële kwaliteitsrekeningwel opgemerkt dat de solvent en de accipiënt ieder onder
complementairevoorwaarden rechthebbende kunnen zijn op het saldo: de solvent onder ontbindende voorwaarde van vervulling van een tussen partijen overeengekomen voorwaarde en de accipiënt onder de opschortende voorwaarde van de vervulling van een tussen partijen overeengekomen voorwaarde. [31]
4.Bespreking van de cassatieklachten
goederenrechtelijke aanspraaklijkt Zürich aansluiting te zoeken bij de situatie dat zij individualiseerbaar (verpakt) chartaal (fysiek) geld zou hebben gefourneerd. In een dergelijk geval zou Zürich deze stoffelijke zaak (behoudens de werking van art. 3:86 BW Pro) kunnen revindiceren wanneer de notaris deze in strijd met zijn opdracht elders heeft ondergebracht of heeft overgedragen. [32]
vorderingop de bank tot uitbetaling van chartaal geld. [33] Uw Raad heeft in het arrest Ontvanger/Fruitveiling Kerseboom geoordeeld dat een giraal tegoed een louter verbintenisrechtelijk karakter heeft: [34]
sui generis, waarbij de bank door aanvaarding van de betalingsopdracht een (in de rekening-courant te verwerken) vordering op de solvent krijgt en de bank zich tegenover de accipiënt schuldig verklaart voor een bedrag gelijk aan het overgemaakte bedrag. De afwikkeling van interbancaire betalingen tussen banken onderling geschiedt door een zogenoemde clearinginstelling (‘Equens Nederland’). [35]
verbintenisrechtelijke betooggeldt het volgende. In deze zaak staan als feiten vast: (1) de storting van Zürich op de algemene kwali-teitsrekening, (2) de opdracht van Zürich aan de notaris, (3) de overboeking met medewerking van de notaris op de bijzondere kwaliteitsrekening/depotrekening en (4) dat deze overboeking in strijd was met de opdracht aan de notaris.
De storting op de algemene kwaliteitsrekening.Zürich heeft een bedrag van f 1.900.000,- gestort op de algemene kwaliteitsrekening van de notaris (arrest 13 oktober 2015, rov. 51.). Het rechtsgevolg is dat Zürich één van de gezamenlijke rechthebbenden is geworden op het vorderingsrecht voortvloeiende uit de algemene notariële kwaliteitsrekening (art. 25 lid 3 Wna Pro).
De opdracht aan de notaris.De opdracht van Zürich aan de notaris hield in dat de (door)betaling van dat bedrag ‘aan de verkopende partij’ pas mocht plaatsvinden indien de akte van bedrijfsoverdracht ongewijzigd zou worden gepasseerd (arrest 13 oktober 2015, rov. 51.). Het rechtsgevolg van deze opdracht is dat de notaris in de verhouding tot Zürich slechts betalingen mag doen in overeenstemming met deze opdracht (art. 25 lid 2 Wna Pro). Dit doet echter niet af aan de bevoegdheid van de notaris om over de algemene kwaliteitsrekening te beschikken (art. 25 lid 2 Wna Pro).
De overboeking op de bijzondere kwaliteitsrekening.Een bedrag van f 1.106.527,- is met medewerking van de notaris van de algemene kwaliteitsrekening op de bijzondere kwaliteitsrekening gestort ter uitvoering van de afspraken tussen Rixtel en Hofstad c.s. Deze afspraken hielden kort gezegd in dat Hofstad rechthebbende zou zijn op het depotbedrag tot aan het restantbedrag van de nog definitief vast te stellen koopsom, vermeerderd met de daarover gekweekte depotrente (arrest 13 oktober 2015, rov. 52.). Deze afspraak tussen Rixtel en Hofstad c.s. is bepalend voor de beantwoording van de vraag wie rechthebbende is op het depotbedrag. Het rechtsgevolg is dat Hofstad een voorwaardelijke aanspraak op het saldo heeft die afhankelijk is van de nog definitief in de verbintenisrechtelijke verhouding met Rixtel vast te stellen koopsom.
De overboeking was in strijd met de opdracht aan de notaris.De medewerking van de notaris aan de overboeking naar de depotrekening was in strijd met de opdracht van Zürich (arrest 13 oktober 2015, rov. 52.). Rechtsgevolg I is een tekort op de algemene kwaliteitsrekening waarvoor Zürich de notaris zou kunnen aanspreken (art. 25 lid 2 Wna Pro). Rechtsgevolg II is dat de overboeking vernietigbaar is, met dien verstande dat die vernietiging niet kan worden ingeroepen tegen een derde, die anders dan om niet en te goeder trouw rechten heeft verkregen (art. 25 lid 6 Wna Pro). Deze vernietiging is echter in casu niet ingeroepen door Zürich. Een eventueel beroep op vernietiging door Zürich zou naar mijn mening overigens afstuiten op de door het hof vastgestelde – en, zoals hierna in 4.25-4.28 zal blijken, naar mijn mening in cassatie vergeefs bestreden – goede trouw van Hofstad c.s.
eerste onderdeelricht zich tegen het oordeel in rov. 52. dat door de storting door Rixtel, met medewerking van de notaris, van een deel van de koopsom vanaf de algemene kwaliteitsrekening op een speciaal daarvoor geopende depotrekening, [37] het depotbedrag voorwaardelijk, namelijk tot aan het restantbedrag van de nog definitief vast te stellen koopsom met rente, tot het vermogen van Hofstad is gaan behoren en uit het vermogen van Zürich is geraakt.
sui generiswaarbij de bank door aanvaarding van de betalingsopdracht een (in de rekening-courant te verwerken) vordering op de solvent krijgt en de bank zich tegenover de accipiënt schuldig verklaart voor een bedrag gelijk aan het overgemaakte bedrag. De notaris is op grond van art. 25 lid 2 Wna Pro bevoegd tot het geven van een betalingsopdracht voor de algemene kwaliteitsrekening. De betaling is vervolgens voltooid op het moment dat de depotrekening werd gecrediteerd (vgl. art. 6:114 lid 2 BW Pro). [38]
hetzijZürich
hetzijHofstad c.s. rechthebbende is op het geld dat thans nog in depot bij de notaris staat. Uit de erkenning heeft het hof slechts opgemaakt dat Rixtel niet de rechthebbende is. ’s Hofs uiteindelijke oordeel in rov. 52.-54. dat het depotbedrag voorwaardelijk (tot aan het restantbedrag van de nog definitief vast te stellen koopsom) tot het vermogen van Hofstad is gaan behoren, is niet op die erkenning gegrond.
eerste onderdeelongegrond.
tweede onderdeelricht zich tegen het oordeel in rov. 53. dat het hof er gezien het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof Den Bosch van 8 januari 2002, vanuit gaat dat Hofstad c.s. op het punt van de aanwending van het gebruik van het gefinancierde bedrag voor de aankoop van de aandelen van De Provinciale (in plaats van de aandelenportefeuille) te goeder trouw zijn geweest. Het tweede onderdeel komt voorts op tegen de overweging in rov. 53. dat Hofstad c.s. er in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op hebben mogen vertrouwen dat het bedrag in depot aan haar toekwam tot aan het bedrag van het nog definitief vast te stellen restantbedrag van de koopsom; en dat Hofstad de aandelen in dit gerechtvaardigd vertrouwen, dat bescherming verdient, heeft overgedragen.
Subonderdeel 2.2acht onbegrijpelijk waarom de goede trouw Hofstad zou beschermen tegen de aanspraken van Zürich. In dat verband wordt opgemerkt dat de schijn van beschikkingsbevoegdheid niet door Zürich is gewekt. De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Voor zover
subonderdelen 2.1 en 2.2berusten op de gedachte dat aan een girale overschrijving een goederenrechtelijke levering ten grondslag ligt en dat de notaris niet beschikkingsbevoegd zou zijn geweest, falen zij om de redenen die hiervoor zijn genoemd in 4.4-4.5 en 4.16. Voor zover de subonderdelen 2.1 en 2.2 onjuist of onbegrijpelijk achten dat de goede trouw Hofstad beschermt tegen de aanspraken van Zürich, vinden zij hun weerlegging in het bepaalde in art. 25 lid 6 Wna Pro. Uit die bepaling vloeit immers voort dat, in het geval van een rechtshandeling van de notaris in strijd met de opdracht, de rechten van derden te goeder trouw, die anders dan om niet zijn verkregen, worden geëerbiedigd. In de overweging van het hof over de overdracht van de aandelen van De Provinciale door Hofstad aan Rixtel ligt besloten dat Hofstad haar voorwaardelijke aanspraak op het depotbedrag (tot aan het nog definitief vast te stellen restant van de koopsom) anders dan om niet heeft verkregen. Bij die stand van zaken is het uitgangspunt van het hof dat de goede trouw Hofstad kan beschermen tegen aanspraken van Zürich noch onjuist noch onbegrijpelijk.
tweede onderdeelongegrond.