Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
81.482
3.Het geding in cassatie
4.Verdrag Nederland-België 2001
BNB1992/379 volgt dat het (officiële) commentaar bij het OESO-Modelverdrag van ‘grote betekenis’ is bij de uitleg van een bepalingen van een belastingverdrag dat op de leest van het OESO-Modelverdrag is geschoeid. [9] Gelet op onderdeel 4.4 is dit in de onderhavige zaak het geval, zodat in casu grote betekenis toekomt aan het OESO-Commentaar.
Fiscale behandeling van grensarbeiders onder het (oude) belastingverdrag tussen Nederland en België 1970 en het (nieuwe) belastingverdrag 2001
Uitleg van het begrip ‘verblijven’ in artikel 15, lid 2, onderdeel a, Verdrag Nederland-België 2001
BNB2003/177 (Verdrag Nederland-Brazilië 1990) en HR
BNB2003/178 (Verdrag Nederland-Nigeria 1991). [16]
BNB2000/16 was woonachtig in Nederland en werkte 93 dagen in Duitsland. Volgens de Hoge Raad telden alle 93 werkdagen in Duitsland mee voor de beoordeling of belanghebbende “tijdelijk in totaal niet meer dan 183 dagen gedurende een kalenderjaar” in Duitsland had verbleven (als bedoeld in artikel 10, lid 2, belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland 1959), ondanks dat de belanghebbende van deze 93 werkdagen maar 54 dagen in Duitsland had overnacht. De Hoge Raad overwoog: [33]
BNB2003/177) [35] respectievelijk Nigeria (HR
BNB2003/178) [36] zodat de belastingverdragen tussen Nederland en Brazilië [37] respectievelijk Nigeria [38] van toepassing waren. [39]
BNB2003/177 was naast de vraag naar de uitleg van het begrip ‘verblijven’ ook in geschil hoe de 183-dagenregeling moest worden uitgelegd binnen het Verdrag Nederland-Brazilië 1990. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de staatssecretaris gegrond en oordeelde dat de 183-dagenregeling per belastingjaar of jaar van aanslag moet worden aangelegd: [40]
BNB2003/177 als HR
BNB2003/178 ten aanzien van de term ‘verblijven’ als bedoeld in artikel 15, lid 2, onderdeel a, OESO-Modelverdrag: [41]
BNB2003/178 oordeelde de Hoge Raad voorts dat het gerechtshof een juiste uitleg had gegeven aan artikel 15, lid 2, onderdeel a, Verdrag Nederland-Nigeria 1991 – door te oordelen dat in dat artikel wordt gedoeld op ‘lijfelijke aanwezigheid’ – en verklaarde hij belanghebbendes cassatieberoep ongegrond.
Pötgenshet volgende over de uitleg van het begrip ‘is present’ als bedoeld in artikel 15, lid 2, onderdeel a OESO-Modelverdrag geschreven: [42]
7.Wet op de loonbelasting 1964 en de gebruikelijkloonregeling
BNB2013/72 was in geschil of het Verdrag Nederland-België 2001 in de weg stond aan de toepassing van de gebruikelijkloonregeling als bedoeld in artikel 12a Wet LB 1964. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag ontkennend: [51]
8.Koppeling van de inkomstenbelasting aan de loonbelasting
loonbelastingop grond van artikel 12a Wet LB 1964 aan diverse vereisten in de loonbelasting moet zijn voldaan. Zo moet op grond van artikel 2, lid 1 Wet LB 1964 onder meer sprake zijn van een werknemer, dienstbetrekking en een inhoudingsplichtige. [52] Het begrip ‘inhoudingsplichtige’ maakt deel uit van de aldaar gegeven definitie van ‘werknemer’.
BNB2008/231 [54] heeft de Hoge Raad zich min of meer uitgelaten over de vraag of voor het loonbegrip in de inkomstenbelasting aan alle vereisten als bedoeld in de loonbelasting moet worden voldaan. Voor het hof in die zaak was in geschil of een voordeel dat de belanghebbende had uit een aan hem ter beschikking gestelde auto, behoorde tot diens belastbare inkomen uit werk en woning. Belanghebbende meende dat daar geen sprake van kon zijn, nu zijn (buitenlandse) werkgever blijkens artikel 6, lid 2, Wet LB 1964 niet als inhoudingsplichtige kon worden beschouwd, zodat hij geen werknemer was in de zin van artikel 2, lid 1, Wet LB 1964, met gevolg dat artikel 3.82, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 (tekst tot 1 januari 2006) niet van toepassing was.
Beschouwing en beoordeling van het middel in het principale beroep in cassatie (Staatssecretaris)
BNB2003/177 en HR
BNB2003/178 ook geen specifiek juridische betekenis heeft in de Nederlandse taal, speelt bij de uitlegging daarvan artikel 3, lid 2, Verdrag Nederland-België 2001 geen rol. [60] Derhalve komt hierbij aan op de uitlegregels van artikel 31 Verdrag Pro van Wenen. [61]
BNB1992/379 bij de uitleg van bepalingen ‘grote betekenis’ toe aan het tijdens de verdragsonderhandelingen geldende officiële commentaar. [63] Dat het OESO-Commentaar op artikel 15 Verdrag Pro Nederland-België 2001 van belang is, volgt ook expliciet uit de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting bij dit Verdrag. [64]
BNB2003/177 en HR
BNB2003/178. [66] Dit betekent dat naast de werkdagen ook andere dagen waarop een werknemer fysiek aanwezig is in de werkstaat, meetellen bij de toets of een werknemer meer dan 183 dagen in die staat is verbleven.
BNB2013/72 volgt dat het gebruikelijk loon dat bij wege van fictie in aanmerking wordt genomen via de verwijzing in artikel 3, par. 2 van het Verdrag Nederland-België 2001, kan doorwerken naar de toepassing van het Verdrag. [69] In dat arrest is geen antwoord gegeven op de vraag of artikel 12a Wet LB 1964 ook kan worden toegepast ten aanzien van een Belgisch ingezetene die – zoals belanghebbende – als dga van een in België gevestigde BVBA in Nederland (fictief) loon geniet.
BNB2008/231 oordeelde de Hoge Raad dat een buitenlandse werkgever – hoewel van inhoudingsplicht vrijgesteld – niet de status van inhoudingsplichtige verliest als bedoeld in artikel 6, lid 1, Wet LB 1964. Toegepast op de onderhavige zaak staat het ontbreken van een inhoudingsplicht op grond van artikel 6, lid 2, Wet LB 1964 (mits voldaan is aan artikel 6, lid 1, Wet LB 1964) dus niet in de weg aan het heffen van inkomstenbelasting. Dat de BVBA op 14 augustus 2009 een geautomatiseerd aangemaakte brief heeft ontvangen van de Belastingdienst dat vanaf 1 september 2009 geen aangifte loonheffingen meer hoeft te worden gedaan, [81] doet daar niet aan af.
Beschouwing en beoordeling van de middelen in het incidentele beroep in cassatie (belanghebbende)
BNB2011/103. Het moest voor de Inspecteur, aldus belanghebbende, bij het opleggen van de primitieve aanslag duidelijk zijn geweest dat de vaststelling van de hoogte van het gebruikelijke loon in rechte geen stand zou houden. Eveneens betoogt belanghebbende dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is geweest van een pleitbaar standpunt bij de Inspecteur, nu een beschikking in strijd met de wet en rechtspraak volgens hem nooit pleitbaar kan zijn.