ECLI:NL:PHR:2003:AF2703
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Interpretatie van de 183-dagenregeling in het belastingverdrag tussen Nederland en Nigeria
Deze zaak betreft de interpretatie van artikel 15, lid 2, onderdeel a, van het belastingverdrag tussen Nederland en Nigeria, waarin de 183-dagenregeling centraal staat. De Hoge Raad onderzoekt of de dagen waarop een werknemer fysiek aanwezig is in de werkstaat moeten worden geteld en of vakantie- en verlofdagen buiten de werkstaat meetellen.
De Hoge Raad concludeert dat de tekst van het verdrag en het OESO-modelverdrag vóór de wijziging in 1992 de fysieke aanwezigheid als criterium hanteert, waarbij dagen waarop de werknemer daadwerkelijk in de werkstaat verblijft, meetellen. Vakantie- en verlofdagen buiten de werkstaat tellen niet mee. De Hoge Raad benadrukt dat het OESO-commentaar een belangrijk interpretatiehulpmiddel is, vooral indien het verdrag vrijwel woordelijk overeenkomt met het OESO-model en de verdragsluitende staten aansluiting hebben gezocht bij het model.
Verder bespreekt de Hoge Raad de dynamische interpretatie van verdragen, waarbij latere ontwikkelingen en wijzigingen in het OESO-commentaar kunnen worden meegewogen, mits deze niet in strijd zijn met de tekst en bedoeling van het oorspronkelijke verdrag. De Hoge Raad benadrukt het belang van rechtszekerheid en het beginsel van goede trouw bij de uitleg van verdragen.
Ten slotte wordt vastgesteld dat de 183-dagenregeling bedoeld is om kortstondige werkzaamheden buiten de woonstaat te faciliteren en dat langdurige werkzaamheden, zoals in het onderhavige geval, niet onder deze uitzondering vallen. De Hoge Raad bevestigt dat de fysieke aanwezigheid gedurende meer dan 183 dagen in Nigeria is aangetoond, waardoor Nigeria het heffingsrecht toekomt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende meer dan 183 dagen fysiek in Nigeria verbleef, waardoor Nigeria het heffingsrecht toekomt.