Conclusie
De namens de verdachte voorgestelde middelen
eerste middelen het
tweede middelhebben beide betrekking op de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr Pro. In het
eerste middelwordt geklaagd dat het hof het bewijs voor de deelneming aan een criminele organisatie niet heeft kunnen afleiden uit de gebezigde bewijsmiddelen. Het
tweede middelhoudt in dat het hof heeft nagelaten te responderen op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het bewijs voor de deelneming aan een criminele organisatie. De middelen kunnen gezamenlijk worden besproken.
derde middelbevat de klacht dat het hof het bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde (meermaals) medeplegen van valsheid in geschrift niet uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden.
vierde middelen het
vijfde middelbevatten in totaal drie klachten met betrekking tot de bewezenverklaring en de kwalificatie van feit 3 (het medeplegen van gewoontewitwassen). Het
vierde middelhoudt als
eerste klachtin dat het hof het bewijs voor het medeplegen van gewoontewitwassen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. De
tweede klachtluidt dat het hof bij zijn kwalificatiebeslissing ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde bijzondere kwalificatie-uitsluitingsgrond voor gevallen waarin sprake is van het witwassen van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. In het
vijfde middelwordt gesteld dat het hof heeft nagelaten te responderen op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het bewijs en de kwalificatie van het medeplegen van gewoontewitwassen. De genoemde klachten kunnen gezamenlijk worden besproken.
Het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel
middelwordt geklaagd over de afwijzing door het hof van de vordering van de advocaat-generaal tot verbeurdverklaring van het onder de verdachte op de voet van art. 94a Sv in beslag genomen geldbedrag van € 6.109,69.