AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt arrest over kwalificatie zware hersenschudding als zwaar lichamelijk letsel en wijst zaak terug
Op 22 november 2014 mishandelde verdachte het slachtoffer in Haarlem met een harde vuistslag, waardoor het slachtoffer bewusteloos raakte en een zware hersenschudding, een gat in het hoofd en pijn opliep. Het hof kwalificeerde dit letsel als zwaar lichamelijk letsel en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf en schadevergoeding.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de zware hersenschudding als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Uit de medische stukken blijkt dat het letsel een hersenschudding betrof, die doorgaans als licht traumatisch hersenletsel wordt beschouwd met uitzicht op volledig herstel. Het hof heeft niet toegelicht hoe het letsel aan de criteria van ernst, medisch ingrijpen en herstel voldoet.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof de toewijzing van studiekosten als schadevergoeding terecht heeft gedaan, omdat het slachtoffer door het letsel een niet meer in te halen studievertraging opliep. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling van het bewezen verklaarde en de strafoplegging.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest wegens onvoldoende motivering over zwaar lichamelijk letsel en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam.
Conclusie
Nr. 16/01081
Zitting: 12 december 2017
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 17 februari 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1 meer subsidiair “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft” en 2 “mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 weken, waarvan 5 weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend houdende twee middelen van cassatie. Namens de benadeelde partij [slachtoffer] heeft mr. S.C. van Bunnik, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.
Het eerste middelbehelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat bij het slachtoffer sprake was van zwaar lichamelijk letsel, zodat het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde onvoldoende met redenen is omkleed, althans niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd.
Ten laste van de verdachte is onder 1 meer subsidiair bewezen verklaard dat:
“hij op 22 november 2014 in de gemeente Haarlem een persoon, genaamd [slachtoffer] opzettelijk heeft mishandeld door toen en daar [slachtoffer] met gebalde vuist met kracht in het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een zware hersenschudding, en een gat in het hoofd, en pijn, ten gevolge heeft gehad;”
5. De tenlastelegging is wat betreft het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit toegesneden op art. 300, tweede lid, Sr. Daarom moet het in de bewezen verklaarde tenlastelegging voorkomende begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’ geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikellid.
6. Er is sprake van ‘zwaar lichamelijk letsel’ in de zin van art. 300, tweede lid, Sr indien het lichamelijk letsel voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel te worden aangeduid. Om te bepalen of het lichamelijk letsel als zwaar kan worden aangemerkt zijn de ernst van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel van belang. [1]
7. Art. 82 SrPro bevat een opsomming van gevallen die in elk geval als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te betitelen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of bepaald letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, zodat zijn oordeel dienaangaande in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Zo zal de Hoge Raad kunnen ingrijpen indien uit de bestreden beslissing niets blijkt ten aanzien van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. [2]
8. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het hof ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde het volgende heeft vastgesteld. Op 22 november 2014 bevond [slachtoffer] zich met een aantal vrienden op straat in Haarlem (bewijsmiddelen 1, 2, 3 en 5) . Er ontstond een opstootje tussen deze groep vrienden en een aantal andere jongeren (bewijsmiddel 1 t/m 5). Ten tijde van dit opstootje kwam de verdachte aanfietsen. De verdachte is vervolgens tegen [slachtoffer] aangereden (bewijsmiddelen 1, 3 en 5). De verdachte is van de fiets gestapt dan wel gevallen en is op [slachtoffer] afgelopen (bewijsmiddelen 1, 3 en 5). De verdachte heeft [slachtoffer] een als “keihard” omschreven vuistslag in het gezicht gegeven (bewijsmiddel 1 t/m 5). [slachtoffer] is daarbij direct in elkaar gezakt, achterover gevallen en, zonder zichzelf op te vangen, met zijn achterhoofd op de straat terechtgekomen (bewijsmiddel 1, 2, 3 en 5). Hij was buiten bewustzijn (bewijsmiddel 1, 2, 3 en 5). Verbalisanten hebben het slachtoffer op de grond met een bebloed gezicht aangetroffen. Het slachtoffer was toen slecht aanspreekbaar (bewijsmiddel 6). Het slachtoffer heeft verklaard dat hij wakker werd op de spoedeisende hulp en behandeld is voor een hersenschudding, een gat in zijn hoofd en wonden op zijn kaak en tong. Daarnaast heeft hij aangegeven erge pijn aan zijn hoofd en gezicht te hebben (bewijsmiddel 7). Het tot het bewijs gebezigde verslag van de neuroloog houdt – zakelijk weergegeven – over het letsel van het slachtoffer het volgende in (bewijsmiddel 8):
“Consultdatum: 22 november 2014
Lichamelijk onderzoek:
bloed in haar bij hoofdwond re, bloedkorsten lippen
Neurologische onderzoek:
Desoriëntatie plaats en tijd. Vraagt voortdurend wat er is gebeurd. Inprenting 1u posttrauma.
Diagnose: Contusio cerebri”
9. Het hof heeft in zijn arrest geen nadere overwegingen opgenomen ten aanzien van de vraag of het bewezen verklaarde letsel (een zware hersenschudding, een gat in het hoofd en pijn) als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden opgevat. Wel overweegt het hof onder de aanhef ‘Oplegging van straf’ dat het slachtoffer op straat een dermate harde vuistslag in zijn gezicht heeft gekregen, dat hij direct bewusteloos is geraakt. Het hof overweegt daarnaast dat het slachtoffer hierdoor zodanig ernstig hoofdletsel heeft opgelopen, dat hij niet meer in staat was zijn universitaire studie Psychologie voort te zetten en dat het incident op psychisch vlak aanzienlijke gevolgen heeft gehad.
10. Zoals opgemerkt, heeft het hof zijn oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel niet nader gemotiveerd. Daarbij zal een rol hebben gespeeld dat de verdediging op dit onderdeel in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd. Het betrof een strafmaatappel. [3] Het ontbreken van een verweer ter zake laat onverlet dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. En daar rijst een probleem. In de bewezenverklaring is het zwaar lichamelijk letsel nader aangeduid als “een zware hersenschudding en een gat in het hoofd, en pijn”. De vraag kan worden gesteld of dergelijk letsel is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in art. 300, tweede lid, Sr. Pijn en een gat in het hoofd zijn als zodanig niet te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. Resteert in de bewezenverklaring de vermelding van “een zware hersenschudding”. Het hof heeft een verklaring van [slachtoffer] tot het bewijs gebezigd, onder meer inhoudende dat dat hij in het ziekenhuis is behandeld voor letsel, “zijnde een hersenschudding, een gat in mijn hoofd en wonden op mijn kaak en tong”. Uit de verklaring volgt niet dat sprake was van een zware hersenschudding.
11. De enkele omstandigheid dat sprake is van een hersenschudding kan naar mijn mening nog niet de gevolgtrekking dragen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in combinatie met een gat in het hoofd en pijn. Een hersenschudding wordt als licht traumatisch hersenletsel beschouwd, waarbij in de regel volledig herstel plaatsvindt en nader medisch ingrijpen niet noodzakelijk is. In HR 29 oktober 1957, NJ 1957/640 oordeelde de Hoge Raad dat het hof de ten laste gelegde en bewezen verklaarde kneuzing van het achterhoofd, lichte hersenschudding en vele pijn niet als zwaar lichamelijk letsel had kunnen opvatten. Ook een zware hersenschudding geldt als licht traumatisch hersenletsel. [4] In het kader van art. 36 (oud) WVW (thans: art. 6 WVWPro 1994) valt te wijzen op HR 30 mei 1989, NJ 1990/116. In die zaak was sprake van een zware hersenschudding, hetgeen volgens het hof zwaar lichamelijk letsel opleverde. Tegen dat oordeel was geen cassatiemiddel gericht. De Hoge Raad liet zich er dan ook niet over uit. [5] Art. 6 WVWPro 1994 bevat naast de categorie ‘zwaar lichamelijk letsel’ het bestanddeel ‘(of) zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat’. De laatste categorie was toegepast in een zaak waarin sprake was van een zware hersenschudding als gevolg van een aanrijding waardoor het slachtoffer vier weken niet had kunnen werken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof daaruit had kunnen afleiden dat sprake was van tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden, als bedoeld in art. 6 WVWPro 1994. [6]
12. Ten slotte wijs ik in dit verband op HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0495. Daarin hadden de slachtoffers, naast een distorsie respectievelijk ontwrichting van beide knieën, een whiplash opgelopen. Voor zover klachten van cognitieve aard na een whiplash optreden, worden deze wel vergeleken met klachten na een hersenkneuzing. [7] De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel onvoldoende was gemotiveerd. Daarbij nam hij in aanmerking dat de bewijsmiddelen niets inhouden over de ernst van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
13. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. De vraag kan worden gesteld of het openbaar ministerie bewust de term ‘zware hersenschudding’ in plaats van ‘hersenkneuzing’ in de tenlastelegging heeft opgenomen dan wel dat het begrip ‘zware hersenschudding’ als een soort verzamelbegrip van hersenletsel van diverse aard is gebruikt. Ook wordt niet duidelijk hoe het hof de tenlastelegging in dit verband heeft uitgelegd. In beide interpretaties rijst echter een motiveringsprobleem. Ik wijs daartoe op het volgende.
14. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat sprake was van een zware hersenschudding. In de tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer] wordt in dit verband van een hersenschudding gesproken. Als bewijsmiddel 8 is een verslag van neuroloog dr. A.G. Munts opgenomen. Hij stelde de diagnose Contusio cerebri(hersenkneuzing). Het is een feit van algemene bekendheid dat een hersenkneuzing andersoortig en zwaarder letsel is dan een hersenschudding. Bij een hersenkneuzing raakt, anders dan bij een hersenschudding, hersenweefsel beschadigd, terwijl de mate van herstel sterk varieert, van volledig herstel tot blijvende ernstige beperkingen. [8] De bewijsmiddelen houden echter evenmin iets in over de eventuele noodzaak van medisch ingrijpen ten aanzien van dit specifieke letsel en het uitzicht op (volledig) herstel. [9] Het komt erop neer dat in de bewezenverklaring letsel staat vermeld dat als zodanig nog niet als zwaar lichamelijk letsel is te kwalificeren, terwijl het daarin vermelde letsel niet wordt gedragen door de gebezigde bewijsmiddelen. In het licht van de hiervoor beschreven rechtspraak, schiet de motivering van de bewezenverklaring tekort.
15. Gelet op het voorafgaande, is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed. Het bestreden arrest kan niet in stand blijven.
16. Het middel slaagt.
17. Het tweede middelbehelst de klacht dat de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij, mede in het licht van een door de verdediging in hoger beroep gevoerd verweer, ontoereikend is gemotiveerd.
18. Uit de toelichting op het middel volgt dat de steller van het middel in het bijzonder het oog heeft op de toewijzing van de gevorderde ‘studiekosten’ als schadepost.
19. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in dat de advocaat van de benadeelde partij, mr. S. van Bunnik, over de vordering het volgende heeft aangevoerd:
“De vordering is voor een groot deel toegewezen door de rechtbank. Dit deel is goed onderbouwd dus wat mij betreft bestaat daar weinig discussie over. Dit ligt anders voor de schadeposten ‘studiekosten’ en ‘onkosten huur oefenruimte’. Wij zijn van oordeel dat ook deze schadeposten in causaal verband staan tot het strafbare feit en kunnen worden toegewezen. Door het opgelopen letsel heeft het slachtoffer zodanige studievertraging opgelopen dat hij zijn studie Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam heeft moeten beëindigen. De gevorderde studiekosten staan daarmee in rechtstreeks verband met het strafbare feit.
(…)
Desgevraagd door de advocaat-generaal verklaart de verdachte dat hij vindt dat de studiekosten niet op hem te verhalen zijn, omdat het slachtoffer de studiefinanciering en het reisproduct zelf genoten heeft en dit wordt stopgezet als de opleiding wordt beëindigd.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging:
(…) Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat door de rechtbank is toegewezen staat niet ter discussie. De verdachte is bereid deze vordering te voldoen. Ik verzoek de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het de schadepost studiekosten betreft, omdat deze post juridisch niet voor toewijzing vatbaar is.
Mr. Van Bunnik wordt andermaal in de gelegenheid gesteld om namens de benadeelde partij het woord te voeren. Zij deelt het volgende mede:
Ik verwijs naar bijlage 8 achter de vordering. Dit betreft een gesprek tussen de benadeelde partij en zijn studieadviseur. Er is spoedig gehandeld zodat de kosten niet onnodig zijn opgelopen. Naar mijn mening levert behandeling van dit deel van de vordering geen onevenredige belasting van het strafgeding op.”
20. Het hof heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde toegewezen tot het bedrag van € 3.953,65 en voor dat bedrag heeft het hof tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het bestreden arrest houdt hierover het volgende in:
“ Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.953,65. De gestelde schade bestaat uit:
- medische kosten ad € 56,00
- tandartskosten ad € 179,31
- reiskosten ad € 17,69
- parkeerkosten ad € 10,50
- studiekosten ad € 1.969,15
- onkosten huur oefenruimte ad € 105,00
- immateriële schade ad € 1.616
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.368,50, bestaande uit € 1.000,00 aan immateriële schade en € 368,50 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Door de verdediging is uitsluitend de schadepost ‘studiekosten’ betwist.
Het hof is van oordeel dat de gevorderde studiekosten kunnen worden toegewezen. Uit de stukken ter onderbouwing van dit deel van de vordering volgt dat [slachtoffer] per 31 januari 2015 in overleg met zijn studieadviseur is uitgeschreven voor de opleiding Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, omdat hij ten gevolge van het letsel dat hij heeft opgelopen door het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte een niet meer in te halen studievertraging heeft opgelopen. De benadeelde heeft vijf maanden collegegeld betaald en gebruik gemaakt van studiefinanciering en het studentenreisproduct over die periode. Bij het hervatten van zijn studie zal hij hierop geen aanspraak meer kunnen maken. Het hof is derhalve van oordeel dat er rechtstreeks verband bestaat tussen de door de benadeelde gevorderde studiekosten en het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voorts voldoende gebleken dat ook de materiële schade voor het overige rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde feit.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen.
Het gevorderde bedrag van € 1.616,00 aan immateriële schade komt het hof billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
21. Het ook in hoger beroep van toepassing zijnde art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. Aan deze motiveringsverplichting worden geen hoge eisen gesteld. Dat kan echter anders zijn indien ter zake gemotiveerd verweer is gevoerd. [10] In elk geval kan geen motiveringsverplichting worden ontleend aan art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Die bepaling heeft geen betrekking op een standpunt dat ziet op de vordering van de benadeelde partij.
22. Ingevolge art. 51f, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Op grond van art. 361, tweede lid onder b, Sv zal de benadeelde partij alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door – voor zover hier relevant – het bewezen verklaarde feit.
23. De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg en in hoger beroep in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft onder meer de vergoeding van studiekosten gevorderd ten bedrage van in totaal € 1.969,15. Uit de – zich bij de gedingstukken bevindende – bijlagen bij het “Voegingsformulier benadeelde partij” kan worden afgeleid dat de desbetreffende schadepost is opgebouwd uit collegegeld (€ 953,-), studiefinanciering en het studentenreisproduct (€ 1.016,50). Ter onderbouwing van dit deel van de vordering is in het voegingsformulier aangegeven dat de benadeelde partij door het strafbare feit een zodanige studievertraging heeft opgelopen, dat deze niet meer is in te halen. De stukken houden hierover in dat het slachtoffer last heeft van een concentratiestoornis, geheugenverlies en hoofdpijn. De mentale klachten worden in het voegingsformulier als volgt omschreven: “verward, neerslachtig, schuchter, angstig op straat, wantrouwend, introvert, snel gefrustreerd”. De benadeelde partij heeft zich per 31 januari 2015 uitgeschreven bij de studie Psychologie (bijlage 8 bij het voegingsformulier).
24. Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van letsel dat is ontstaan door het bewezen verklaarde feit een niet meer in te halen studievertraging heeft opgelopen. Anders dan de rechtbank, die de benadeelde partij in de vordering ten aanzien van de gevorderde studiekosten op de voet van art. 361, derde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaarde, heeft het hof de gevorderde vergoeding van studiekosten toegewezen op de gronden zoals hiervoor onder 19 weergegeven.
25. Voor zover in de toelichting op het middel ervan wordt uitgegaan dat het hof schadevergoeding heeft toegewezen voor schade die (deels) zou zijn geleden voorafgaand aan het bewezen verklaarde handelen, berust deze klacht op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof is immers uitgegaan van een studievertraging, waardoor de benadeelde partij bij de hervatting van zijn studie in totaal vijf maanden langer studiekosten maakt. De klacht mist dan ook feitelijke grondslag.
26. Ook overigens getuigt het bestreden oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. De benadeelde partij volgde een universitaire studie Psychologie. Door en namens de benadeelde partij is aangevoerd dat hij als gevolg van letsel ontstaan door het strafbare feit een dusdanige studievertraging heeft opgelopen, dat hij zich heeft moeten uitschrijven van de voornoemde studie. Deze stelling is met bewijsstukken onderbouwd. Zo houdt bijlage 8 van het “Voegingsformulier benadeelde partij” een weergave van een overleg tussen de studieadviseur en de benadeelde partij in, dat betrekking heeft op de uitschrijving van [slachtoffer] als gevolg van het letsel door de mishandeling. In het licht van het voorafgaande, heeft het hof kunnen oordelen dat de gevorderde schade in een rechtstreeks verband staat met het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde feit. Het hof was niet gehouden het causaal verband nader te motiveren. Daarbij neem ik in aanmerking dat de raadsman van de verdachte slechts heeft betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het de schadepost “studiekosten” betreft, zonder deze stelling nader te onderbouwen. Een onderbouwd verweer ten aanzien van het causaal verband tussen de gestelde (toekomstige) schade en de bewezen verklaarde mishandeling, kan hierin niet worden gelezen. [11]
27. Het middel faalt.
28. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 ROPro ontleende overweging. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3.Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, p. 1 en 3. De rechtbank had overigens veroordeeld wegens de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De vorderingen van de officier van justitie en de advocaat-generaal bij het hof strekten daar ook toe.
9.De hiervoor onder 9 genoemde strafmotivering maakt zulks niet anders. In de verklaring van [slachtoffer] wordt in algemene zin opgemerkt dat hij in het ziekenhuis is behandeld voor zijn letsel, zijnde een hersenschudding, een gat in zijn hoofd en wonden op zijn kaak en tong.
11.Ik merk voor de volledigheid nog op dat niet wordt geklaagd over het klaarblijkelijke oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.