Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om de inleidende dagvaarding nietig te verklaren, althans dat het zijn oordeel dat die inleidende dagvaarding geldig is betekend onvoldoende met redenen heeft omkleed.
(i) Op 17 augustus 2014 heeft de verdachte bij de politie Den Haag een verklaring afgelegd naar aanleiding van een tegen hem op 5 juli 2014 gedane aangifte van diefstal door middel van inklimming. In het proces-verbaal verhoor verdachte staat als adres van de verdachte [a-straat 1] in ’s-Gravenhage vermeld.
(ii) De inleidende dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in Den Haag van 2 december 2015 is op 22 oktober 2015 uitgereikt op het toenmalige GBA-adres [1] van de verdachte, aan een ander op het vermelde adres, die belooft de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven. Op de aan deze dagvaarding gehechte akte van uitreiking staat als adres en plaats van handeling vermeld “[b-straat 1] ’s-Gravenhage”. De akte is door [betrokkene 1] voor ontvangst getekend.
(iii) De aan de inleidende dagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 19 november 2015 houdt in dat de verdachte met ingang van 1 september 2015 stond ingeschreven in de GBA op het adres [b-straat 1a], [postcode] ’s-Gravenhage. Als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats staat vermeld [a-straat 1], [postcode] ’s-Gravenhage.
(iv) Op 2 december 2015 heeft de politierechter van de rechtbank Den Haag de verdachte bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken en daarbij de tenuitvoerlegging gelast van twee eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen.
(v) Namens de verdachte is op 16 december 2015 hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 december 2015. Dit vonnis en de appelakte vermelden als adres van de verdachte [b-straat 1a], [postcode] ’s-Gravenhage.
(vi) Een akte van uitreiking, gehecht aan de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof Den Haag van 28 april 2016, vermeldt als adres van de verdachte [b-straat 1a] en houdt voorts in dat de appeldagvaarding op 2 maart 2016 op het adres [b-straat 1] ’s-Gravenhage is uitgereikt aan [betrokkene 1], die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.
(vii) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 26 februari 2016 heeft dezelfde inhoud als hiervoor onder (iii) vermeld.
(viii) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 april 2016 blijkt dat de verdachte op die terechtzitting is verschenen en dat tevens zijn raadsman mr. A.P. Visser aanwezig was. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt als adres van de verdachte “[b-straat 1a] te [postcode] Den Haag”.
(ix) Bij arrest van 28 april 2016 heeft het hof de verdachte wegens – kort gezegd - diefstal met inklimming veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf voor de duur van 118 uren subsidiair 59 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd in een tweetal vonnissen van de politierechter te ’s-Gravenhage. Ook het arrest van het hof vermeldt als adres van de verdachte “[b-straat 1a] te [postcode] Den Haag”.
(x) De cassatie-akte vermeldt als adres van de verdachte “[b-straat 1a] [postcode] ’s-Gravenhage”.
(xi) De aanzegging in cassatie vermeldt als adres van de verdachte eveneens het hiervoor meermalen genoemde adres aan de [b-straat 1a]. Uit de akte van uitreiking van de aanzegging blijkt dat de aanzegging aan de [b-straat 1] is uitgereikt aan “[betrokkene 1] / medewerkster”, die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.
De dagvaarding voor de zitting van 2 december 2015 is op 22 oktober 2015 uitgereikt op het toenmalige brp-adres van de verdachte aan een persoon die zich op het adres bevond waar de verdachte was ingeschreven, te weten [betrokkene 1], die zich blijkens de akte van uitreiking bereid heeft verklaard de dagvaarding onverwijld aan de geadresseerde, verdachte, te doen toekomen. Dat deze brief de verdachte kennelijk niet heeft bereikt doet niet af aan de geldigheid van de betekening. De betekening is dan ook op rechtsgeldige wijze geschied op de voet van artikel 588 lid 3 onder Pro a Wetboek van Strafrecht zodat de zaak niet [zal] worden terugverwezen.”
tweede middelbehelst de klacht dat het hof bij de vervanging van de gevangenisstraffen waarvan het de tenuitvoerlegging heeft gelast, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, niet is uitgegaan van de omrekeningsmaatstaf van een dag vrijheidsbeneming naar twee uren taakstraf.
1°.gelasten dat de niet ten uitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd;
2°.al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.
2. In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te geven kan de rechter een taakstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, gelasten. De artikelen 22b tot en met 22k zijn van overeenkomstige toepassing. (…).”
“1. Een taakstraf bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid. Het vonnis dan wel de strafbeschikking vermeldt het aantal uren dat de taakstraf zal duren. Het vonnis dan wel de strafbeschikking kan de aard van de te verrichten werkzaamheden vermelden.
2. De taakstraf duurt ten hoogste tweehonderdenveertig uren.”
“1. In het vonnis waarbij taakstraf wordt opgelegd, beveelt de rechter, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast.
2. De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld.
3. De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste vier maanden. Voor elke twee uren van de taakstraf wordt niet meer dan één dag opgelegd.”
LOVS: 22-11-2013
2 weken 60 uur
3 weken 90 uur
1 maand 120 uur
(…) (…)
- Één maand is dertig dagen (art. 88 Sr Pro).
(…)
- In afwijking van de tabel art. 22d Sr (vervangende hechtenis bij oplegging taakstraf) wordt bij het bepalen van de duur van de vervangende hechtenis na omzetting aansluiting gezocht bij de oorspronkelijk opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf.”