Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
1 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken werd gelast in de vorm van een taakstraf van dertig uren met een subsidiaire hechtenis van vijftien dagen.
De Hoge Raad beoordeelt de wettelijke bepalingen van artikel 14g en 22d van het Wetboek van Strafrecht en stelt vast dat de last tot tenuitvoerlegging van een taakstraf van dertig uren in plaats van de hechtenis van veertien dagen geen strijd oplevert met de wet. Echter, de opgelegde vervangende hechtenis van vijftien dagen overschrijdt de duur van de niet tenuitvoergelegde straf en is daarmee strijdig met de wet.
De Hoge Raad oordeelt dat de wet niet toestaat dat de vervangende hechtenis langer is dan de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf. Daarom wordt de duur van de vervangende hechtenis door de Hoge Raad verminderd tot veertien dagen.
Het beroep wordt voor het overige verworpen en de rest van het arrest blijft in stand. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: De vervangende hechtenis wordt verminderd tot veertien dagen, gelijk aan de niet tenuitvoergelegde straf.