Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan de manier waarop verdachte na zijn aanhouding in de Dominicaanse Republiek in handen van de Nederlandse justitiële autoriteiten is geraakt. Daartoe wordt - kort gezegd - in de toelichting op het middel aangevoerd dat de Nederlandse autoriteiten onrechtmatig jegens verdachte hebben gehandeld omdat sprake is van door de Nederlandse autoriteiten gefaciliteerde verkapte uitlevering.
prima facieonrechtmatig optreden van de autoriteiten van de Dominicaanse Republiek;
januari 2009 is, door tussenkomst van [verbalisant 1] , door officier van justitie mr. K. W. van Damme een tweede rechtshulpverzoek gedaan. In dat verzoek wordt eerst de kern van het eerste rechtshulpverzoek herhaald, waaronder de eerder verzochte aanhouding ter fine van uitlevering van verdachte, waarna aanvullend wordt verzocht om conservatoire inbeslagneming van het huis van verdachte, verstrekking van relevante tapgesprekken en om vaststelling van de legale bronnen van inkomsten van verdachte en zijn echtgenote.
male captus bene detentusvormt een beletsel voor de gerechten van de verzoekende staat om zich (zonder enige terughoudendheid) uit te spreken over de onregelmatigheden die door een aangezochte staat zijn begaan in het kader van een uitleveringsprocedure. [8] De soevereiniteit van de staten is uitgangspunt. [9] Actieve bemoeienis van de Nederlandse autoriteiten bij de procedure van de Dominicaanse autoriteiten staat op gespannen voet met het in het internationaal strafrecht geldende soevereiniteitsbeginsel inhoudende dat de ene staat is gevrijwaard van inmenging door de andere staat. [10] Wel geldt echter (in ieder geval ingevolge het EVRM) dat een onrechtmatige vrijheidsberoving in de aangezochte staat in het kader van de uitleveringsprocedure kan worden beoordeeld en eveneens gevolgen kan hebben in de verzoekende staat zoals invrijheidstelling of schadevergoeding. [11] Voor het geval dus daadwerkelijk sprake is van verkapte uitlevering door de aangezochte staat, kan dit (voor Nederland doorgaans via de weg van een civiele procedure) onder omstandigheden gevolgen hebben. Een schending van art. 5 EVRM Pro in het buitenland en een daarop gestoelde verkapte uitlevering kan dus wel degelijk doorwerken in Nederland.
23..Het tweede middelklaagt over de bewezenverklaring van feit 1.
J.2
31.Het tweede middelfaalt eveneens.
derde middelbehelst de klacht dat het hof bij zijn beoordeling of een inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.
G.4.2
in hoger beroepde datum van het instellen van hoger beroep (22 oktober 2010) genomen. [18] Het hof heeft de datum van het instellen van hoger beroep dus niet gebruikt als startpunt van de redelijke termijn
in de strafzaak in eerste aanleg en/of voor de procedure als geheel, waarvoor als maatstaf geldt het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald feit een strafvervolging zal worden ingesteld. Voor zover het middel daarover klaagt, berust het dus op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.