Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
12 september 2017.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De aanvrager is veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens seksueel binnendringen bij een minderjarige onder twaalf jaar. Hij verzocht herziening op grond van nieuwe documenten die zouden aantonen dat sprake was van een verkapte uitlevering door Thailand aan Nederland, wat tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM of een lichtere straf zou moeten leiden.
De Hoge Raad beoordeelde dat voor herziening een nieuw gegeven vereist is dat het onderzoek zou hebben geleid tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkverklaring of toepassing van een minder zware strafbepaling. Uit het strafdossier bleek dat de aanvrager vrijwillig naar Nederland kwam met een noodpaspoort, dat later vervallen werd verklaard, waarna hij door Thaise autoriteiten werd aangehouden en uitgezet.
Het hof had geoordeeld dat geen sprake was van een verkapte uitlevering op verzoek van Nederlandse autoriteiten en dat het OM geen vormverzuim had begaan. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de aangevoerde documenten geen bewijs leveren van contact tussen Nederlandse en Thaise autoriteiten over uitlevering of uitzetting. Ook werd geen schending van het vertrouwensbeginsel vastgesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat de aanvraag onvoldoende onderbouwt op welke wijze het recht op een eerlijke behandeling is geschonden. De stelling dat een lagere straf zou zijn opgelegd bij kennis van de documenten faalt omdat een minder zware strafbepaling een strafwetelijke bepaling moet betreffen, niet een lagere strafoplegging. De herzieningsaanvraag wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens het ontbreken van een uitzonderlijk vormverzuim en onvoldoende onderbouwing van schending van het recht op een eerlijke behandeling.