Conclusie
eerste middelbehelst een klacht over de ontoereikende motivering van de afwijzing van het verzoek om getuigen te horen over het uitzettingstraject.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat er aanwijzingen bestaan dat er fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden tijdens het voortraject, in het bijzonder de signalering, aanhouding, uitzetting en overbrenging van cliënt van Venezuela naar Nederland. De verdediging wenst te toetsen of sprake is geweest van een verkapte uitlevering.
Er bestaan duidelijke aanwijzingen dat het openbaar ministerie zich in allerhande bochten heeft gewrongen om cliënt naar Nederland te krijgen, en dat daartoe intensief is samengewerkt met de Venezolaanse autoriteiten, waarbij het parket op de koop toe heeft genomen dat de Venezolaanse autoriteiten fundamentele mensenrechten zou schenden”,
35. Dit is volstrekt niet de gangbare wijze waarop de vreemdelingrechtelijke procedure in Venezuela wordt doorlopen hetgeen bevestigd kan worden door meerdere door de verdediging opgegeven getuigen. Daarbij wijs ik op de advocaten [betrokkene 11] en [betrokkene 12] , [betrokkene 1] (legercommandant en betrokken bij de aanhouding van cliënt), [betrokkene 2] (Interpol op Isla Margarita), [betrokkene 3] (werkzaam bij de politie in Caracas divisie CCPC) en [betrokkene 4] (werkzaam als hoofdcommandant bij de politie te Porlamar, Isla Margarita). Al deze getuigen zijn bereid te verklaren, en hebben hun adresgegevens verstrekt.
In deze zaak is van belang dat de Venezolaanse autoriteiten tot uitzetting van mijn cliënt zijn overgegaan door bewust handelen van de Nederlandse autoriteiten terwijl de Nederlandse autoriteiten wisten dat daarbij mogelijk mensenrechten zouden worden geschonden. Het is feitelijk een verkapte uitlevering. Dat de Nederlandse autoriteiten bewust hebben meegewerkt volgt onder meer uit het feit dat de Nederlandse marechaussee cliënt vanuit Caracas heeft begeleid naar Curaçao. Voor zijn uitzetting was geen enkele grond omdat mijn cliënt rechtmatig verbleef in Venezuela. Hij is getrouwd met een Venezolaanse. Bovendien zijn de mensenrechten van cliënt daadwerkelijk geschonden. Cliënt is met geweld door het leger uit zijn woning gehaald, zijn woning is geplunderd en zijn hond is dermate ernstig mishandeld dat deze is gedood. Cliënt zelf is mishandeld in een van de gevaarlijkste gevangenissen ter wereld. Hij heeft geen eerlijk proces gehad en geen rechtsbijstand. Er is sprake geweest van willekeur. Desgevraagd verklaar ik dat mijn cliënt contact heeft gehad met de legercommandant [betrokkene 1] en de politieagenten [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en dat zij cliënt hebben verteld dat zij bereid zijn een verklaring af te leggen.
Het hof wijst de verzoeken om [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 6] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 10] en de liaison officer als getuigen te horen af, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van voornoemde personen, de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad. Niet alleen het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, maar ook hetgeen de raadsvrouw naar voren brengt in haar pleitnotities onder 35/36 biedt onvoldoende onderbouwing tot toewijzing van voornoemde verzoeken over te gaan.”
kanop die grond zelf ook onrechtmatig zijn. [7] Een dergelijke uitzetting wordt ook wel een ‘verkapte uitlevering’ (“
disguised extradition”) genoemd. In dit verband wordt standaard verwezen naar de uitspraak van het EHRM in de zaak van de Italiaan Lorenzo Bozano, die internationaal werd gezocht voor het ondergaan van een levenslange gevangenisstraf wegens de kidnapping van en de moord op de 13-jarige dochter van een Zwitsers/Italiaanse industrieel te Genua op 6 mei 1971. Bozano werd in Italië na een vrijspraak in eerste aanleg in hoger beroep bij verstek alsnog voor die delicten veroordeeld. Hij verbleef op dat moment in Frankrijk. De Franse rechter had de door de Italiaanse staat verzochte uitlevering niet toegestaan op de grond dat het een veroordeling ‘in absentia’ betrof. Op 26 oktober 1979 werd Bozano niettemin door Franse agenten in Grenoble op straat in de boeien geslagen en naar het politiebureau gebracht, alwaar hem een last tot uitzetting werd getoond. De gelegenheid om die last aan te vechten kreeg hij niet, noch de mogelijkheid van contact met zijn advocaat. Zonder dat hem een land van keuze werd gelaten, werd hij door de Franse politie naar de grens met Zwitserland gebracht, alwaar hij door de Zwitserse autoriteiten werd opgewacht, meegenomen en ingesloten. Het Italiaanse verzoek aan Zwitserland om uitlevering van Bozano werd door de Zwitserse rechter toegewezen, waarna hij daadwerkelijk aan Italië werd uitgeleverd. Daar ondergaat hij ook nu nog zijn gevangenisstraf. [8] Op klacht van Bozano veroordeelde het EHRM Frankrijk wegens schending van art. 5, lid 1, sub f, EVRM. [9]
kande rechter volgens die wetsbepaling het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die voldoet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het rechtsgevolg komt vanwege de daaraan gestelde voorwaarden slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. In de bewoordingen van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor de niet-ontvankelijkverklaring noodzakelijk dat in het voorbereidend onderzoek een vormverzuim is begaan doordat ambtenaren die met opsporing of vervolging zijn belast
ernstiginbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarbij moet bovendien doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak zijn tekortgedaan.
voorbereidendonderzoek van een strafzaak te betreffen dat het
eindonderzoek in die strafzaak – in zijn geheel beschouwd – hoe dan ook niet meer zal kunnen voldoen aan de eisen van een eerlijk proces. Een proces dat niet meer ‘eerlijk’ zal kunnen worden genoemd, hoeft niet te worden gevoerd; vandaar dat de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in dat uitzonderlijke geval een voor de hand liggende einduitspraak is.
gestelddat ook de eisen van artikel 6 EVRM Pro zouden zijn verzaakt, heeft de verdediging op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt op welke gronden moet worden aangenomen dat verdedigingsrechten van de verdachte (in diens strafzaak) zijn geschonden en op welke wijze het verhoor van de opgegeven getuigen daarvoor aanwijzingen kan geven. Daardoor acht ik het – summierlijk gemotiveerde – oordeel van het hof dat het getuigenverzoek onvoldoende is onderbouwd en dat de verdachte bij afwijzing van het verzoek niet in zijn verdediging wordt geschaad, niet onbegrijpelijk. [13]
tweede middelklaagt op goede gronden over een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van cassatie, die niet meer door een voortvarende behandeling van het cassatieberoep kan worden hersteld. [14] Dit pleegt in cassatie te leiden tot toepassing van strafvermindering.