ECLI:NL:RBSGR:2006:AX7213
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Servië en Montenegro
Verzoeker is op 13 augustus 2004 staandegehouden en in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op uitzetting. Zijn asielaanvraag is afgewezen en hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. Na zijn detentie is hij opnieuw in vreemdelingenbewaring gesteld. Verweerder, de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, heeft de bevoegdheid tot uitzetting op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Verzoeker betoogt dat zijn uitzetting naar Servië en Montenegro feitelijk neerkomt op een verkapte uitlevering zonder de daarvoor vereiste rechtswaarborgen, en dat daarmee misbruik wordt gemaakt van de vreemdelingenrechtelijke procedure. De voorzieningenrechter verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is vastgesteld dat uitzetting die het effect van een uitlevering heeft, niet automatisch als zodanig moet worden aangemerkt tenzij sprake is van onrechtmatigheid.
De rechtbank oordeelt dat de uitzetting berust op rechtvaardigende gronden en niet is gemotiveerd door andere drijfveren dan de wens verzoeker van Nederlands grondgebied te verwijderen. Er is geen sprake van een ‘deal’ of misbruik van de procedure. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Servië en Montenegro wordt afgewezen.