Het hof heeft de verdachte voor van het onder 1. van deze conclusie weergegeven bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van dertig maanden. Het hof heeft deze strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen door de opbrengsten uit zijn seksclub [A] en andere gelieerde rechtspersonen te verzwijgen voor de Belastingdienst. Hij stalde deze opbrengsten buiten het zicht van de Belastingdienst, via anderen op een tweetal Duitse bankrekeningen. Voorts betaalde hij met die opbrengsten verkapt loon, bestaande uit etentjes, kleding, een keuken en sieraden aan zijn mede- exploitant [betrokkene 1] . Verdachte heeft door zo te handelen willens en wetens de Belastingdienst en dus de Staat benadeeld.
Verdachte heeft geldstromen aan het zicht van de belastingdienst willen onttrekken door het opzetten van een woud aan stichtingen, steeds met verschillende bestuurders die niet of nauwelijks wisten waarom ze als zodanig moesten optreden. Steeds was het verdachte die op de achtergrond de touwtjes in handen had. Verdachte heeft geen deugdelijke administratie bijgehouden en weigert ieder inzicht te geven aan de Belastingdienst in de activiteiten en inkomsten van en uit al die stichtingen en andere rechtspersonen. Verdachte, als ondernemer, weet dat ook in het geval geen winst wordt gemaakt, belastingaangifte moet worden gedaan, en dat alle bescheiden die tot het doen van die aangifte geleid hebben gedurende de daarvoor bij de wet voorgeschreven termijn bewaard moeten worden, teneinde de belastingdienst de gelegenheid te bieden een en ander te controleren. Verdachte heeft dat bewust nagelaten. Verdachte heeft het in hem als ondernemer gestelde vertrouwen op grove wijze misbruikt en van dit stelsel op een grove wijze geprofiteerd. Verdachte heeft bovendien geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. En, tenslotte, heeft verdachte zijn geld op naam van een derde ondergebracht bij een buitenlandse bank en op deze wijze aan het zicht van de Belastingdienst onttrokken.
Het hof houdt bij de strafoplegging ook rekening met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 24 maart 2016, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake soortgelijke feiten in aanraking is geweest met politie en justitie.
Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen door het hof worden opgelegd. Het hof verwijst in dit kader ook naar de rechterlijke oriëntatiepunten van straftoemeting. Het hof neemt daarbij het fiscale benadelingsbedrag, oftewel het beoogde fiscale nadeel, als uitgangspunt.
Ten aanzien van het benadelingsbedrag overweegt het hof dat gebleken is dat het te belasten inkomen enkel voor het jaar 2002 redelijkerwijs op ruim € 658.832 kan worden geschat. Dit betreft dan nog maar het inkomen over één jaar.
Zelfs indien ervan uit moet worden gegaan dat 50% van de opbrengsten aan [betrokkene 1] zou moeten worden toegerekend dan nog heeft verdachte jaarlijks een belastbaar inkomen genoten van ruim € 300.000,-. Verdachte wordt verweten dat hij over de jaren 2002 tot en met 2006 geen of onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan. Op grond van het bovenstaande oordeelt het hof dat het redelijk is om het benadelingsbedrag op € 900.000 à € 1.000.000,- te schatten. Bij een benadelingsbedrag van een dergelijke omvang geven de oriëntatiepunten als begin uitgangspunt aan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden tot het wettelijk maximum aan gevangenisstraf.
Het hof is van oordeel dat, gelet op het bovenstaande, het doelbewust niet of onjuist doen van aangifte over een reeks van jaren en de hoogte van het benadelingsbedrag, de door de rechtbank opgelegde straf de ernst van de gepleegde feiten miskent. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden geboden.
Daartegenover staat dat bij de strafvervolging van verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, is geschonden. Verdachte is op 20 mei 2008 in verzekering gesteld. Op 8 oktober 2010 heeft er een regiezitting plaatsgevonden, waarbij door de verdediging onderzoekswensen naar voren zijn gebracht. De zaak wordt daarop naar de rechter-commissaris verwezen. Op 3 oktober 2011 vindt opnieuw een regiezitting plaats, waarbij de inhoudelijke behandeling op 14 december 2011 wordt bepaald. Op 14 december 2011 wordt de behandeling van de zaak aangehouden , omdat de raadsvrouw van verdachte ziek is. Uiteindelijk vindt de inhoudelijke behandeling plaats op 11 april 2012 en heeft de rechtbank op 27 april 2012 vonnis gewezen. Vervolgens is er op 10 mei 2012 namens verdachte hoger beroep ingesteld. Op 16 december 2013, 25 november 2015 en 20 april 2016 heeft het hof de zaak ter terechtzitting behandeld. Op 18 mei 2016 doet het hof uitspraak in deze zaak. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden geboden zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.”