Conclusie
Nummer21/01198
De procedure
“medeplegen van doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken”en
“diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gelast. Bovendien heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen en een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel opgelegd, alsook beslissingen genomen over in beslag genomen voorwerpen.
ijzeren” in de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 03-659280-17 (dat wordt namelijk geschrapt) en (ii) wat betreft de opgelegde straf (inclusief bijkomende straf en opgelegde maatregelen). In zoverre opnieuw recht doende heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gelast. Tot slot heeft het hof een voorwerp verbeurdverklaard en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het vierde middel
de rapportages van de psycholoog en psychiater in het geding gebracht. De verdediging ontving deze rapportages op 30 september 2020. Op 18 oktober 2020 is de advocaat-generaal per brief verzocht de psychiater E.D.M. Masthoff en psycholoog J.M. Oudejans als getuigen-deskundigen op te roepen. Een kopie hiervan is aan het gerechtshof gezonden.
worden herhaald.
.” Hieruit blijkt eveneens dat niet uitsluitend het moment van het doen van het verzoek leidend is, maar dat ook – als vanwege de omstandigheden van het geval een eerder verzoek ter zake niet mogelijk was – de latere verzoeken in aanmerking kunnen komen voor een beoordeling op basis van het noodzaakscriterium, terwijl dat niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang. De Hoge Raad is dus gevoelig voor ‘praktische’ problemen. De verdediging meent dat haar verzoek[op]
deze manier dient te worden beoordeeld.
bevragen. Dit alles is in het bijzonder van belang voor de vraag naar de doorwerking van stoornis in delict.
invullingvan het noodzakelijkheidscriterium ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, geen aansluiting heeft gezocht bij het criterium van het verdedigingsbelang. Met deze klacht wordt kennelijk beoogd [11] te verwijzen naar HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702,
NJ2007/626 m.nt. Borgers, rov. 3.4.2. Die rechtsoverweging luidt voor zover relevant:
Hoewel de wetgever dus uiteindelijk heeft gemeend dat met toepassing van art. 414, tweede lid, en art. 418, derde lid, Sv in het algemeen aan het verdedigingsbelang niet tekort wordt gedaan, zal niettemin onder omstandigheden van de verdachte bezwaarlijk kunnen worden gevergd dat hij een of meer getuigen of deskundigen reeds bij de appelschriftuur opgeeft.
NJ2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.59, is van dezelfde strekking, zij het dat dit arrest geen betrekking heeft op de oproeping van deskundigen, maar alleen op de oproeping van getuigen. Dat onderscheid acht ik wat betreft de voorliggende problematiek echter niet cruciaal, aangezien het in deze rechtspraak ten aanzien van de oproeping (en het horen) van zowel getuigen als deskundigen gaat om het waarborgen van de aanspraak op het uitoefenen van verdedigingsrechten aangaande de vraagpunten van de artikelen 348 en 350 Sv. Voor zover van belang houdt dit arrest in:
NJ2017/440, heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
NJ2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.4-2.9, nadere beschouwingen gewijd aan de invulling van de beide criteria, het noodzakelijkheidscriterium en het criterium van het verdedigingsbelang, zulks in het licht van de rechtspraak van het EHRM. Of het is aangewezen dat het noodzakelijkheidscriterium zodanig wordt ingevuld dat het niet wezenlijk verschilt van de toepassing van het verdedigingsbelang, hangt af van de omstandigheden van het geval, daaronder begrepen of de verdediging de appelrechter in hoger beroep daarop heeft gewezen. Bovendien speelt de motivering van het verzoek een rol. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen of deskundigen om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [12]
het hof zich door de nieuwe rapportages van beide deskundigen voldoende voorgelicht[acht]
met betrekking tot de te beantwoorden vragen ex artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering”, is veeleer een indicatie dat het hof onverkort toepassing heeft gegeven aan het noodzakelijkheidscriterium. [13] Daarmee heeft het hof de hiervoor aangehaalde rechtspraak miskend. De klacht is in zoverre terecht voorgesteld.
Het eerste middel
meermalen met een mes in het hoofd en lichaam te steken” niet wordt gedekt door de gebezigde bewijsmiddelen. Hiertoe haalt de steller een aantal passages uit de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering van het hof aan. [15] Die passages zien allemaal op het ‘heftig uitwendig mechanisch botsend geweld tegen het hoofd van het slachtoffer’ (lees: het slaan met de pijp tegen het hoofd en aangezicht) als zijnde – aldus begrijp ik de steller van het middel – de
enigedoodsoorzaak. In de tweede plaats acht de steller van het middel (voorwaardelijk) opzet op de dood niet bewezen.
meerdere steekverwondingen waren vastgesteld: een in de buik tot het buikvlies, een in de hals door de huid heen en daarnaast messneden op het hoofd. Verder had [slachtoffer] meerdere botbreuken in het aangezicht en een gebroken ellepijp, terwijl op een scan een bloeding bij de hersenen was gezien en later ook vochtophoping in de ruimte tussen de hersenvliezen.”;
als doodsoorzaak: zwaar en gecompliceerd traumatisch hersenletsel met geen enkele kans op herstel. In het schouwverslag wordt onder meer melding gemaakt van multipele huidverwondingen aan gelaat, linkeroog en buik”;
Er waren uitgebreide fracturen van het aangezicht, skelet en wekedelen zwellingen van het hoofd. Rond de hersenen waren er bloedingen. Deze letsels kunnen worden verklaard door stomp extern inwerkend geweld op het aangezicht en het hoofd. Verder constateerde Hofman huiddefecten en onderhuidse afwijkingen, zes in het aangezicht, een in de buik en waarschijnlijk een in de hals. Deze letsels konden worden verklaard door penetrerend geweld. Er waren verder fracturen van de rechteronderarm, van de linkerschouder en van de 8e en 9e rib aan de rechterzijde. Deze letsels konden worden verklaard door stomp extern inwerkend geweld. De doodsoorzaak zijn de ziekelijke verwikkelingen ten gevolge van extern inwerkend geweld op het hoofd.”;
Arts en patholoog prof. dr. B. Kubat heeft het lichaam van [slachtoffer] , die 72 jaar oud is geworden, onderzocht teneinde de doodsoorzaak na te gaan. Kubat merkt op dat in brieven van het ziekenhuis Viecuri te Venlo en/of Maastricht UMC van 30 augustus 2017 en 19 september 2019 onder meer werd vermeld dat sprake was van “multiple messteken gelaat, linkeroog”. Voorafgaande aan de sectie is in het MUMC Maastricht een “total body CT-scan” verricht. Bij de beoordeling daarvan werden onder meer breuken van beide oogkassen, het neusbot en beide kaakholten, rib 8 en 9 rechts voor, schouderblad links, ellepijp rechts en spaakbeen links gezien. Bij de sectie werden aan het hoofd meerdere letsels gezien en waren er tekenen van beschadiging van het linkeroog. Gelet op de breuken en de oogbeschadiging was sprake van bij leven opgetreden inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd. Het vlies onder het harde hersenvlies past bij een chronisch subduraal hematoom (SDH). Het letsel in de hals en op de buik wijst op bij leven opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend geweld – steek- of snijletsels. Het overlijden van [slachtoffer] wordt (mede gelet op de verkregen medische informatie) verklaard door verwikkelingen van zeer ernstige letsels aan/in met name het hoofd.”
uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd. Er kan dus niet anders dan met kracht zijn geslagen.
met krachttegen het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Bovendien heeft de verdachte het slachtoffer met een mes gestoken in zijn buik. Het hof oordeelde op grond hiervan dat het handelen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op het intreden van de dood, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard. Dat oordeel is verre van onbegrijpelijk.
Het tweede middel
nietheeft doorgewerkt in het delict. Deze klacht, indien ik hem goed begrijp, kan nergens toe leiden alleen al doordat hij – gezien de door mij geciteerde overwegingen van de rechtbank en het hof – berust op een verkeerde lezing van het arrest.
Het derde middel
“de opgelegde straf (inclusief bijkomende straf en opgelegde maatregelen)”vernietigd, maar zijn eigen beslissingen tot strafoplegging en de oplegging van de genoemde maatregelen ontoereikend gemotiveerd.
grondenvoor beslissingen (de motivering) is verbonden met het lot van de beslissingen zelf. Indien het hof een beslissing van de rechtbank bevestigt, neemt het hof in beginsel de motivering ervan over. Indien het hof een beslissing van de rechtbank vernietigt, komt in beginsel ook de motivering daarvan te vervallen. De wet laat echter bepaalde nuanceringen toe.
Onder verwijzing naar en met overneming van de strafmotivering in onderdeel 6.3 van het vonnis van de rechtbank, acht ook het hof gezien de buitengewone ernst van het bewezenverklaarde de oplegging van een langdurige gevangenisstraf passend en geboden.” In onderdeel 6.3 van het vonnis heeft de rechtbank de gronden uiteengezet voor de oplegging van de vrijheidsbenemende sanctie en maatregel. Hieruit kan allereerst worden opgemaakt dat het hof de strafmotivering heeft overgenomen.
“onderdeel 6.3 van het vonnis van de rechtbank”het hof nog niet met zoveel woorden de motivering van de beslissingen van de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij, de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel en het beslag (de verbeurdverklaring) heeft overgenomen. Die motiveringen zijn immers weergegeven in de onderdelen 7 en 8 op bladzijden 16-17 van het vonnis.
Daarnaast zal, eveneens gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, de motivering van (…) de op te leggen straf en maatregel worden aangevuld.” Aan deze overweging gaat de steller van het middel in haar schriftuur stelselmatig voorbij. In deze overweging maakt het hof geen onderscheid tussen enerzijds de motivering van de vrijheidsbenemende straf en maatregel en anderzijds de motivering van de verbeurdverklaring en de schadevergoedingsmaatregel. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het hof de motivering van
allestraffen en maatregelen heeft “
aangevuld”. In het ‘aanvullen’ van de motivering van de op te leggen straf en maatregel ligt bovendien besloten dat het hof die motivering heeft ‘overgenomen’. De klacht dat het hof heeft verzuimd om de verbeurdverklaring en de schadevergedingsmaategel te motiveren mist feitelijke grondslag.