Conclusie
verplichtis om op grond van art. 7:683 lid 4 jo Pro. art. 7:682 lid 6 BW Pro een voorziening te treffen voor de tussenliggende periode, of dat hij daar ook vanaf kan zien.
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Voorzieningen bij onderbreking van de arbeidsovereenkomst
Derksen/Derksen. [10] De rechter kon in het vonnis waarin de werkgever tot herstel werd veroordeeld, bepalen dat de verplichting tot herstel vervalt door betaling van een in het vonnis vastgestelde afkoopsom (art. 1639t lid 3 BW (oud)).
treft hij voorzieningen’terwijl in art. 7:682 lid 2 BW Pro (oud) werd gesproken over:
‘kan hij voorzieningen treffen’. Het verschil in bewoordingen tussen de oude en de nieuwe wetsbepaling is in de parlementaire geschiedenis van de Wwz niet aan de orde is geweest. Er zijn ook geen aanknopingspunten in de wetsgeschiedenis om aan te nemen dat bewust is gekozen voor het laten vervallen van het woord ‘kan’ en voor een imperatieve formulering van het treffen van voorzieningen.
‘Wordt de arbeidsovereenkomst hersteld voor de toekomst, dan zal de rechter bepalen wat rechtens is in de tussenliggende periode.’ (MvA, p. 110) en
‘Dit volgt onder meer uit de toelichting waarin staat dat de rechter tevens voorzieningen moet treffen voor een eventuele tussenliggende periode.’(MvA, p. 114), zou kunnen worden afgeleid dat tot uitgangspunt is genomen dat de rechter
altijdeen voorziening treft. Maar andere passages duiden juist op een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Uit de zin:
‘dan kan de rechter de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen en voor de tussenliggende periode al dan niet voorzieningen treffen.’(MvT, p. 35), volgt dat de rechter er ook voor kan kiezen om géén voorziening te treffen. De memorie van toelichting vermeldt weliswaar ook:
‘Doet hij dit, dan zal hij tevens voorzieningen moeten treffen voor een eventuele tussenliggende periode’ (MvT, p. 119), waaruit wellicht een verplichting om een voorziening te treffen naar voren komt. Daaraan wordt echter toegevoegd:
‘aansluitend bij het specifieke geval’,dat juist op rechterlijke beslissingsruimte duidt. In de memorie van antwoord is te lezen:
‘Het is aan de rechter om te beoordelen welke voorziening in een bepaald geval nodig is’(MvA, p. 110). Uit het gebruik van het woord ‘welke’ kan mogelijk worden afgeleid dat altijd een voorziening getroffen moet worden. Enkele bladzijden verder is echter vermeld:
‘De rechter is vrij om, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, te bepalen welke voorzieningen hij aangewezen acht.’(MvA, p. 114). Die bewoordingen wijzen meer op een discretionaire bevoegdheid van de rechter om voorzieningen te treffen. Dat dit bedoeld is, kan tevens worden afgeleid uit de nota naar aanleiding van het verslag, waarin staat dat de rechter
‘een dergelijk voorziening [wel] kan (…) treffen als hij de werkgever opdraagt de arbeidsovereenkomst voor de toekomst te herstellen’en ‘
De rechter bepaalt dan hoe omgegaan wordt met de rechtsgevolgen van de onderbreking. De rechter kan hierbij een voorziening voor de tussenliggende periode treffen. Daarbij kan de rechter een vergoeding vanwege inkomensderving toekennen’(Nota n.a.v. EV, p. 17).
geenvoorziening te treffen, namelijk in gevallen waarin de werknemer géén schade heeft geleden door de onderbreking van de arbeidsovereenkomst. Overigens is denkbaar, zoals Verhulp opmerkt, [28] dat ook bij herstel van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht, tot aan het moment van de eerdere opzegging of beëindiging, sprake kan zijn van schade als gevolg van de onderbreking. Het ligt in de rede art. 7:683 lid 4 jo Pro. art. 7:682 lid 6 BW Pro zo uit te leggen, dat de rechter ook dan voorzieningen zal moeten treffen. [29] De opmerking van de minister dat bij herstel met terugwerkende kracht de rechter geen voorziening zal hoeven te treffen, [30] kan in zoverre genuanceerd worden. Daarbij is nog op te merken dat de te treffen voorzieningen blijkens de wettekst niet zien op ‘de onderbroken periode’, maar op ‘de onderbreking van de arbeidsovereenkomst’. Die laatste formulering zou een ruimere interpretatie kunnen toelaten dan de eerste formulering.
ofvoorzieningen moeten worden getroffen, is daarmee niet aannemelijk.
moettreffen. Wel is te constateren dat niet blijkt dat de auteurs een bewuste keuze hebben gemaakt voor die opvatting.
… voorzieningen [kan] treffen met betrekking tot de rechtsgevolgen van de onderbreking”. [39] Ook de VAAN leek er vanuit dat de rechter ook kon oordelen dat er géén aanleiding is om een voorziening te treffen, blijkens haar opmerking “
dat het ter discretie van de rechter is om te bepalen of de arbeidsovereenkomst wordt hersteld en, zo niet, wat rechtens is in de tussenliggende periode” (zie onder 3.13). Voor alle aangehaalde auteurs geldt echter dat niet duidelijk is of zij hun bewoordingen bewust hebben gekozen met het doel om duidelijk te maken dat de rechter er ook voor kan kiezen om géén voorziening te treffen.
Derksen/Derksen. [44] In dit onder het oude ontslagrecht gewezen arrest vorderde de werkgever opheffing van een beslag dat de werknemer had gelegd ter verzekering van zijn vordering tot schadevergoeding uit hoofde van een door de werkgever aan hem gegeven ontslag als (mede)directeur. Het hof gelastte de opheffing van het beslag, omdat – zo vat ik samen – zelfs al zou sprake zijn van een kennelijk onredelijk ontslag zoals de werknemer stelde, art. 1639s BW (oud) de rechter slechts de bevoegdheid geeft om een vergoeding naar billijkheid toe te kennen, maar de rechter
niet verplichttot toewijzing van zo’n vergoeding. De rechter kan namelijk ook veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst, terwijl bovendien de vaststelling van de hoogte van de vergoeding naar billijkheid dient plaats te vinden, zodat van vergoeding van schade in eigenlijke zin geen sprake is. Op die gronden was het hof van oordeel dat de werknemer geen schadevordering had jegens de werkgever, zodat het beslag diende te worden opgeheven. De Hoge Raad vernietigde dit arrest, onder overweging van het volgende:
(…)
geen sprake is van een vrijblijvende bevoegdheid om al dan niet een voorziening te treffen’, temeer nu in laatstgenoemde bepaling níet staat ‘kan’.
billijke vergoedingwegens kennelijk onredelijk ontslag (
in plaats vanherstel van de arbeidsovereenkomst), terwijl het in het tweede, onderhavige geval gaat om een
voorziening(vergoeding)
bij herstelvan de arbeidsovereenkomst in verband met de onderbreking van de arbeidsovereenkomst door een eerdere beëindiging of opzegging van de arbeidsovereenkomst. Met het woord ‘kan’ in art. 1639s BW (oud) werd ook niet aangeduid dat áls sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, de rechter ‘een vrijblijvende bevoegdheid’ had om al dan niet over te gaan tot toewijzing van een vergoeding aan de werknemer, zoals het hof had aangenomen. Het ‘kan’ duidde erop dat
in plaats vaneen vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, de werknemer ook herstel van de arbeidsovereenkomst kon vorderen [45] (zoals besproken onder 3.5 bestond de mogelijkheid van herstel ook reeds onder het oude ontslagrecht). In dat geval zou de rechter niet toekomen aan toekenning van een billijke vergoeding. (In de zaak
Derksen/Derksenhad de werknemer echter geen herstel gevorderd zodat de keuzemogelijkheid niet aan de orde was). Het ‘kan’ van art. 1639s BW (oud) zag dus in feite op de keuzemogelijkheid die thans geboden wordt in art. 7:682 lid 2 BW Pro en art. 7:683 lid 3 BW Pro: de rechter
kanofwel de arbeidsovereenkomst herstellen ofwel een billijke vergoeding toekennen. De vraag of de rechter verplicht is om, áls gekozen wordt voor herstel van de arbeidsovereenkomst, in alle gevallen een voorziening te treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst, staat hier los van.
in beginselgeboden zijn als wordt overgegaan tot herstel van de arbeidsovereenkomst tegen een later tijdstip dan waarop de overeenkomst geëindigd was en daardoor een onderbreking van de arbeidsovereenkomst optreedt. Er zijn echter omstandigheden denkbaar waarin dat anders ligt. Gedacht kan worden aan het geval dat de werknemer in de tussenliggende periode elders werkzaam is geweest en daar dezelfde of hogere inkomsten heeft gehad als hij zou hebben gehad zonder onderbreking van de arbeidsovereenkomst. Ook kan de werknemer in de tussenliggende periode niet beschikbaar zijn geweest voor het verrichten van arbeid, bijvoorbeeld omdat hij direct na het ontslag op wereldreis is gegaan. In dergelijke gevallen kan zich voordoen dat de werknemer geen schade heeft geleden als gevolg van de onderbreking, zodat een vergoeding achterwege kan blijven. Ondanks de afwezigheid van het woord ‘kan’ in art. 7:682 lid 6 BW Pro, is aan te nemen dat de rechter in zo’n geval kan afzien van het treffen van voorzieningen. Met het op deze wijze kunnen leveren van maatwerk door de rechter, wordt recht gedaan aan de bedoeling van de bepaling.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelis gericht tegen rov. 5.8 van de beschikking en houdt in dat het hof op grond van art. 7:683 lid 4 BW Pro jo. art. 7:682 lid 6 BW Pro verplicht is om een voorziening te treffen voor de periode gelegen tussen de datum van ontbinding en de datum van herstel van de arbeidsovereenkomst. In strijd met deze rechtsregel heeft het hof beslist om géén voorziening te treffen voor deze periode (rov. 5.8-5.9). Volgens het onderdeel kan de verplichting om een voorziening te treffen alleen terzijde worden geschoven als aan de strenge normen van art. 6:248 lid 2 BW Pro (naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar) is voldaan.
Onderdeel 2richt zich tegen rov. 5.12 van de beschikking en bouwt voort op de door onderdeel 1 bestreden beslissing.
zoveel mogelijk in de positie moet worden gebracht alsof de onterechte ontbinding niet heeft plaatsgevonden. Dit laatste is in zoverre niet juist, dat de wet de rechter niet alleen de bevoegdheid geeft om al dan niet de arbeidsovereenkomst te herstellen; daarnaast biedt de wet de rechter óók de keuze om de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht te herstellen (waardoor de werknemer inderdaad in dezelfde situatie wordt gebracht als waarin hij verkeerde vóór de ontbinding), dan wel deze te herstellen met ingang van een latere datum. In die laatste situatie heeft de rechter dan de bevoegdheid om, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, voorzieningen te treffen voor de tussenliggende periode. Dit betekent dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, er verschillende manieren zijn waarop de rechter genoegdoening kan geven voor een onterechte ontbinding.
altijdeen vergoeding zou moeten toekennen voor dergelijke schade. Daarvoor zijn geen aanknopingspunten te vinden in tekst of parlementaire geschiedenis.
tweede onderdeelbouwt voort op het eerste onderdeel en faalt daarmee eveneens.