Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
grief 1keren [eiser] c.s. zich tevergeefs tegen de door de rechtbank gehanteerde uitlegmaatstaf voor het Sociaal Plan. [eiser] c.s. stellen dat naast het Sociaal Plan sprake is van een door Condor gegeven garantie, die zij aanmerken als een overeenkomst van borgtocht. Condor verenigt zich met deze kwalificatie.
grieven II en III en IVvechten de uitleg aan die de rechtbank aan het Sociaal Plan heeft gegeven. Deze grieven richten zich evenwel niet tegen de grammaticale uitleg die de rechtbank geeft aan artikel 1.2 van het Sociaal Plan, hiervoor onder 4.3 weergegeven. In grief II betogen [eiser] c.s. dat de looptijd van de CAO een aanwijzing is dat deze, klaarblijkelijk in weerwil van artikel 1.2, toch van toepassing is op de “achterblijvers” en op een faillissement als oorzaak van ontslag. Daarbij beroepen [eiser] c.s. zich op eerdere concepten van het desbetreffende Sociaal Plan. Het hof overweegt dat, gelet op de toepasselijke uitlegmaatstaf, de niet-openbare eerdere concepten van het Sociaal Plan in dezen buiten beschouwing dienen te blijven. Dat de looptijd van de CAO vijf jaar bedraagt terwijl de reorganisatie, volgens [eiser] c.s., in een paar maanden haar beslag zou krijgen, is naar 's hof oordeel onvoldoende om de grammaticale uitleg van artikel 1.2 opzij te zetten. Het hof wijst erop dat het Sociaal Plan blijkens artikel 1.2
in fineniet alleen betrekking heeft op de werknemers die direct ten gevolge van de reorganisatie hun baan verliezen, maar ook op die werknemers die indirect daardoor hun baan verliezen, omdat zij zich niet kunnen aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden. Ook het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bijzondere situaties van [betrokkene 9] en [betrokkene 8] vormt een illustratie dat het Sociaal Plan een ruimer bereik had dan uitsluitend de datum waarop (de meeste van) de door de reorganisatie getroffen werknemers hun congé kregen.
in fine, zodat het hof ervan uitgaat dat op het moment waarop die brief gedateerd was nog alle werknemers met de reorganisatiegevolgen geconfronteerd konden worden.
in fineen de bijzondere situatie van de werknemers [betrokkene 9] en [betrokkene 8] .
contra proferentem-gezichtspunt snijdt geen hout. De
contra proferentem-uitleg - die niet meer is dan een gezichtspunt - heeft betrekking op (onduidelijke) bedingen die ten voordele van de opsteller ervan strekken en die in het nadeel van die opsteller worden uitgelegd. Nog daargelaten dat het hier niet om een beding in een overeenkomst gaat maar om een zelfstandige - zij het accessoire - overeenkomst van borgtocht, strekt deze garantie bij dit Sociaal Plan juist ten voordele van de wederpartij van Ossfloor bij de CAO - derhalve FNV - zodat er vanuit dit gezichtspunt al in het geheel geen reden is om de overeenkomst van borgtocht in het nadeel van Condor uit te leggen.
grief Vwordt betoogd dat het naar eisen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat het Sociaal Plan niet wordt toegepast op de “achterblijvers” en daarvoor de CAO-norm zou dienen ten wijken. Het hof is van oordeel dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen op grond van artikel 6:248 BW Pro ingegrepen kan worden in de tussen partijen gemaakte afspraken. Hetgeen daartoe van de zijde [eiser] c.s. wordt aangevoerd, is daartoe onvoldoende. Dat bij het faillissement van een onderneming de werknemers ontslagen kunnen worden zonder toekenning van enige ontslagvergoeding, is bepaald geen uitzonderlijke omstandigheid. Evenmin is in het huidig tijdgewricht nog uitzonderlijk te noemen dat bij latere ontslagrondes minder compensatie wordt geboden dan voorheen gebruikelijk was.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2agetuigt het arrest van het hof van een onjuiste rechtsopvatting op de in onderdeel 1 weergegeven gronden waar het hof in rov. 6.6 heeft beslist dat de “niet-openbare eerdere concepten van het sociaal plan in dezen buiten beschouwing dienen te blijven”.
objectieve maatstavenvolgt uit de bewoordingen waarin het geschrift is gesteld. Weliswaar moet het betreffende beding worden uitgelegd in de context van de gehele overeenkomst plus de bijbehorende toelichting, en kan ook acht worden geslagen op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden tekstinterpretaties zouden leiden, maar het lijkt wel steeds te moeten gaan om objectief kenbare gegevens. [11] Ook in de literatuur lijkt daarvan te worden uitgegaan. [12]
derdenbescherming: niet objectief kenbare partijbedoelingen moeten niet kunnen worden tegengeworpen aan partijen die niet bij de onderhandelingen betrokken zijn geweest. Dat zijn in het geval van een CAO of een sociaal plan vaak werknemers, maar het kan ook om een werkgever gaan.
subjectieve partijbedoeling.En het is een partij (Condor) die wél betrokken was bij de totstandkoming van het sociaal plan, althans op de hoogte was van de werkelijke bedoelingen van de contractspartijen, die zich beroept op een uitleg naar
objectieve maatstaven.
in beginselobjectieve maatstaven [20] en leerde hij dat beide methodes “als gemeenschappelijke grondslag (kennen) dat bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen”. Hiermee vind ik niet te rijmen dat subjectieve factoren
per definitie en ongeacht bepaalde bijzondere omstandighedenbuiten beeld blijven bij de uitleg van – bijvoorbeeld – een sociaal plan. Mij spreekt een zo strikte benadering ook niet aan, omdat deze de rechter (in bijzondere gevallen) kan belemmeren om te komen tot een beslissing die recht doet aan de omstandigheden van het geval. De onderhavige zaak is daar wat mij betreft een treffend voorbeeld van. [21]
onderdeel 2cis het oordeel van het hof in rov. 6.6 over de betekenis van de looptijd van de CAO onbegrijpelijk in het licht van de volgende essentiële stellingen van FNV c.s. (die het hof onbesproken heeft gelaten):
nietdat het hof het advies van de ondernemingsraad ten onrechte niet als uitvoeringspraktijk heeft aangemerkt. Het onderdeel klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting indien de bestreden overweging van het hof zo moet worden begrepen dat het advies
hoe dan ookniet kan meewegen bij de uitleg van het sociaal plan. Dit laatste valt in de bestreden overweging echter niet te lezen. Het hof is in de bestreden slotzin slechts ingegaan op de stelling van FNV c.s. (zoals het hof die heeft opgevat) dat het advies onder de uitvoeringspraktijk moet worden geschaard. Reeds hierom faalt ook onderdeel 2e.
onderdeel 3aheeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan grief V door deze grief aldus uit te leggen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is wanneer de achterblijvers geen aanspraak kunnen maken op het sociaal plan zodat zij daarop – onder terzijdestelling van hetgeen volgt uit de “tussen partijen gemaakte afspraken” – alsnog aanspraak moeten kunnen maken. Grief V hield in werkelijkheid in dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn wanneer voor de uitleg van het sociaal plan tussen partijen de CAO-norm zou gelden (met als gevolg dat geen rekening gehouden kan worden met de niet voor derden kenbare partijbedoelingen).
onderdeel 4ais onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat niet uit de toelichting op de grief blijkt op welke toezeggingen van Condor FNV c.s. zich hebben beroepen. FNV c.s. hebben immers (ook in appel) gesteld dat (de vertegenwoordigers/de betrokkenen van) Condor tijdens de onderhandelingen op 20 mei 2010 toegezegd heeft (hebben) dat de achterblijvers onder het sociaal plan zouden vallen. Bij het beroep op onrechtmatige daad gaat het evident om die toezeggingen.
onderdeel 4bis de overweging dat het hof ook niet kan afleiden uit de getuigenverklaringen dat Condor
tegenover de werknemersdergelijke toezeggingen heeft gedaan, niet steekhoudend als grond om het beroep op onrechtmatige daad te verwerpen, omdat FNV c.s. hun beroep op onrechtmatige daad niet gestoeld hebben op een toezegging van Condor (rechtstreeks) aan de werknemers – wat veeleer op een contractuele grondslag zou duiden – maar op het feit dat Condor eerst de betrokken partijen, te weten FNV en de ondernemingsraad, heeft meegekregen met de gewenste reorganisatie van Ossfloor door de toezegging te doen dat de achterblijvers nog vijf jaar onder het sociaal plan zouden vallen, en dat Condor daar zelfs garant voor zou staan, maar zich, toen het op nakoming van die toezegging aankwam, in strijd met het door haar gewekte vertrouwen op het standpunt heeft gesteld tot niets verplicht te zijn.
onderdeel 4cis rechtens onjuist de overweging van het hof dat het nog daar laat dat onrechtmatige daad, mits bewezen, aanspraak kan geven op schadevergoeding en dat dit woord in de toelichting niet voorkomt. Het hof heeft hiermee miskend dat de stelplicht niet vereist dat, bij een beroep op onrechtmatige daad, specifiek het woord “schadevergoeding” genoemd wordt (of woorden van gelijke strekking). Het beroep op onrechtmatige daad impliceert immers reeds dat een beroep op schadevergoeding wordt gedaan. Zo nodig had het hof ambtshalve de rechtsgronden moeten aanvullen. De overweging dat het geen betoog behoeft dat schadevergoeding iets anders is dan nakoming is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, indien het hof hiermee bedoelt dat de vordering van FNV c.s. uit onrechtmatige daad niet tot toewijzing van de door haar gevorderde bedragen kan leiden, aldus onderdeel 4c.