Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Moment van toekenning van aandelenoptierechten voor toepassing van de regeling van de pseudo-eindheffing bij vertrekvergoedingen
Kleine Kalvenhaarbenadrukt dat artikel 32bb, lid 7, Wet LB 1964 aanhaakt bij het moment van overeenkomen van de aandelenoptierechten en niet het moment van onvoorwaardelijk worden hiervan. Zulks volgt in zijn optiek logischerwijs uit de ratio achter deze bepaling, daar van vóór t-1 toegekende voorwaardelijke aandelenoptierechten net zo min kan worden gezegd dat deze verband houden met het einde van de dienstbetrekking, dan van onvoorwaardelijke aandelenoptierechten die in deze periode zijn toegekend
: [34]
Fiscaal up to Dateop de uitspraak van de Rechtbank was eensluidend: [36]
Fiscaal up to Datedat zij zich kan vinden in de uitspraken van de Rechtbank en het Hof, doch wijst erop dat de door de gerechten gebezigde interpretatie van artikel 32bb, lid 7, Wet LB 1964 mogelijk ruimte voor misbruik laat: [37]
Het hof oordeelt tevens dat de reden van het ontslag en de vraag wie het initiatief neemt (werkgever of werknemer) niet van belang zijn voor de uitleg van art. 32bb Wet LB 1964. De wetgever heeft bewust geen tegenbewijs gecreëerd en de tekst van het artikel moet letterlijk worden geïnterpreteerd.