ECLI:NL:GHDHA:2016:441
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 32bb Wet LB 1964 op aandelenoptierechten bij beëindiging dienstbetrekking
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of artikel 32bb van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) van toepassing is op aandelenoptierechten die onvoorwaardelijk zijn geworden in het jaar waarin de dienstbetrekking eindigt. Belanghebbende had aandelenopties toegekend aan werknemers die onvoorwaardelijk werden in het jaar van beëindiging van hun dienstverband. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen loonheffing op, welke de rechtbank deels vernietigde.
Het geschil spitst zich toe op de uitleg van artikel 32bb Wet LB 1964, met name of alleen onvoorwaardelijk toegekende optierechten vóór het jaar voorafgaand aan het jaar van beëindiging (jaar t-1) onder de regeling vallen, of ook voorwaardelijke optierechten die in het jaar van beëindiging onvoorwaardelijk worden. Belanghebbende stelt dat de regeling niet van toepassing is op optierechten die onvoorwaardelijk worden in het jaar van beëindiging, terwijl de Inspecteur dit wel betwist.
De rechtbank oordeelde dat artikel 32bb, zevende lid, ook van toepassing is op voorwaardelijk toegekende aandelenoptierechten en dat de regeling geldt ongeacht de wijze van beëindiging van de dienstbetrekking. Het Hof bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep van de Inspecteur af. Tevens wordt het incidenteel hoger beroep van belanghebbende ingetrokken. De proceskosten worden deels aan de Inspecteur opgelegd, en het griffierecht wordt geheven.
De uitspraak benadrukt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een generieke regeling zonder tegenbewijsregeling, mede om ontduiking te voorkomen, en dat de regeling ook geldt als de dienstbetrekking op eigen initiatief wordt beëindigd. De heffing is niet in strijd met het EVRM. Het Hof volgt de Inspecteur niet in diens interpretatie dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke optierechten in het jaar van beëindiging.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.