Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB1991/206, HR
BNB1995/33, Hof Amsterdam
V-N2000/27.23 en Hof ’s-Hertogenbosch
V-N2012/46.2.3 volgt dat de rechtsvorm van de dienstverlener niet ter zake doet voor de toepassing van de litigieuze vrijstelling. Dat strookt met de tekst van de vrijstellingsbepaling, met het doel van de vrijstelling, met het neutraliteitsbeginsel en met het objectieve karakter van de vrijstellingen.
BNB2014/188 en HR
BNB2014/189 betroffen diensten verricht door een maatschap van medisch specialisten resp. een zelfstandige anesthesiemedewerker. In HR
BNB2014/188 was niet gesteld dat een ondergeschiktheidsverhouding bestond tussen de feitelijke dienstverlener en de zorginstelling en gezien de maatschapsvorm bestond evenmin ondergeschiktheid van de medisch specialisten aan de maatschap; in HR
BNB2014/189 werd niet bestreden dat de belanghebbende de werkzaamheden als zelfstandig ondernemer had verricht. Art. 10 van Pro de btw-richtlijn (werknemers/ondergeschikten leveren geen voor de omzetbelasting relevante prestaties) was dus in geen van beide zaken van toepassing. Conform het latere arrest
“go fair” Zeitarbeit OHGvan het HvJ EU oordeelde u dat, nu de voor de omzetbelasting relevante diensten aldus die van zelfstandige medici aan zorginstellingen waren, de dienstverlening door de maatschap niet gekwalificeerd kon worden als terbeschikkingstelling van personeel, maar als medische verzorging.
“go fair” Zeitarbeit OHG.
BNB1991/206 geoordeeld ̶ dat het uitmaakt of een zelfstandige arts zijn diensten rechtstreeks of door tussenkomst van een (praktijk-)BV aanbiedt. Hij heeft slechts geoordeeld dat in casu niet de artsen hun diensten zelfstandig ̶ zij het door tussenkomst van de belanghebbende ̶ aanbieden (zoals artsen in een maatschap of met een eigen praktijk-BV), maar andersom, dat de belanghebbende artsen aanbiedt als in te lenen personeel.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
V-N2007/17.26 niet van toepassing op de belanghebbende:
BNB2014/188; zie 4.11 hieronder; PJW], waarin de Hoge Raad oordeelde dat een maatschap van operatieassistenten en anesthesiemedewerkers zelfstandig diensten (“medische verzorging”) verricht. In dat arrest achtte de Hoge Raad namelijk van belang dat de personen die feitelijk het werk verrichtten (de maten) niet in een verhouding van ondergeschiktheid ten opzichte van de maatschap of de opdrachtgever werkten. De Hoge Raad overweegt daarin het volgende:
The Rank Group plcvan het HvJ EU. [5] Zij meent dat een medische dienst verricht door een bij haar in dienst zijnde arts, vanuit het gezichtspunt van de patiënt, gelijk(soortig) is aan een medische dienst verricht door een arts vanuit een medische specialistenvennootschap; beide diensten voorzien in identieke behoeften van de patiënt. Het Hof heeft te dier zake herhaald dat belanghebbendes artsen geen voor de omzetbelasting relevante diensten verrichten (r.o. 4.4) en dat belanghebbendes diensten aan de ziekenhuizen bestaan uit terbeschikkingstelling van personeel. De belanghebbende concurreert met uitzendbureaus, wier prestaties belast worden in de omzetbelasting. Het Hof achtte ook het neutraliteitsbeginsel daarom niet geschonden.
NTFR2015-2337) was niet overtuigd van de juistheid van ’s Hofs uitspraak:
3.Het geding in cassatie
Middel (i)bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten ’s Hofs oordeel dat de vrijstelling ex art. 11(1)(g) Wet OB niet geldt omdat belanghebbendes prestaties geen gezondheidskundige diensten zijn, maar terbeschikkingstelling van personeel aan ziekenhuizen. De belanghebbende verwijst naar Hof ’s-Hertogenbosch 22 juni 2012 [6] en HR
BNB1991/206 [7] ten betoge dat onderscheid tussen diensten verricht door artsen voor eigen rekening, en diensten verricht door tussenkomst van een naamloze vennootschap of een ander lichaam, onverenigbaar is met doel en strekking van de vrijstelling ex art. 11(1)(g) Wet OB. Het Hof heeft ten onrechte relevant geacht of de diensten onder eigen verantwoordelijkheid van de artsen worden verricht en in welke rechtsvorm de belanghebbende haar diensten levert. Zij wijst daartoe op de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Van Hilten voor HR
BNB2014/188, [8] op Hof ’s-Hertogenbosch 4 oktober 2013, [9] op Hof Den Haag 21 maart 2014 [10] en op HR
BNB2013/146. [11] Dat de belanghebbende een BV is en daarom haar diensten aan ziekenhuizen slechts via haar personeel kan leveren, heeft niet tot gevolg dat haar diensten buiten de vrijstelling vallen. Zij verleent gezondheidskundige diensten die worden uitgevoerd door artsen die bij haar in dienst zijn. Dat zij per uur declareert en dat vervanging van artsen in onderling overleg geschiedt is volgens de heersende jurisprudentie en anders dan ’s Hofs uitspraak lijkt te impliceren, geen beletsel voor de toepassing van de vrijstelling.
The Rank Group plc [12] blijkt haars inziens overduidelijk dat de gelijk(soortig)heid van diensten beoordeeld moet worden vanuit het oogpunt van de consument; niet vanuit het oogpunt van het ziekenhuis. De patiënt is volgens de belanghebbende de uiteindelijke afnemer van de dienst en daarmee de relevante consument. Zij beroept zich voorts op de arresten van het HvJ in de zaken
ADV Allround Vermittlungs AG, [13] Gregg and Gregg [14] en
Kügler [15] ten betoge dat voor de kwalificatie van haar diensten slechts de aard van de prestatie relevant is en niet de rechtsvorm waarin haar onderneming wordt gedreven. ’s Hofs oordeel is volgens de belanghebbende gebaseerd op een doelredenering, nu het inherent is aan de rechtsvorm van een BV dat deze haar diensten slechts kan verlenen door middel van werknemers. De diensten verschillen in de ogen van de patiënt niet van de diensten die door een medisch-specialistenmaatschap worden geleverd. ’s Hofs oordeel is ook onverenigbaar met het doel van de vrijstelling zoals dat blijkt uit de zaken
Kügler [16] en
Commissie tegen Frankrijk, [17] nl. verlaging van de kosten van de gezondheidszorg. Er kunnen verschillen bestaan tussen het declaratierecht van specialistenmaatschappen en dat van de belanghebbende, maar het HvJ heeft in
Christoph-Dornier-Stiftung für Klinische Psychologie [18] verduidelijkt dat de wijze van declareren geen verschil in behandeling voor de btw rechtvaardigt. De belanghebbende meent voorts dat de gezagsverhouding tussen ziekenhuizen en artsen van medische-specialistenmaatschappen niet verschilt van die tussen ziekenhuizen en belanghebbendes artsen. De artsen verrichten zelfstandig, maar in opdracht van de belanghebbende, de werkzaamheden die de belanghebbende met de ziekenhuizen heeft afgesproken te verrichten. Het ziekenhuis geeft geen inhoudelijke opdrachten. Wel geeft het aan welke prestaties verricht moeten worden. Als het ziekenhuis klachten heeft, lopen die via de belanghebbende, net zo als in het geval van een specialistenmaatschap. Incidentele kleine verschillen tussen zo’n maatschap en de belanghebbende rechtvaardigen volgens haar geen tegengestelde fiscale behandeling.
verweerstelt de Staatssecretaris ad middel (i) dat het Hof, mede gezien HR
BNB2014/188 [19] en HR
BNB1995/33 [20] , op basis van de essentiële kenmerken van belanghebbendes diensten heeft kunnen oordelen dat zij gekarakteriseerd moeten worden als terbeschikkingstelling c.q. uitlening van personeel aan ziekenhuizen. Hij benadrukt belanghebbendes vergelijkbaarheid met een uitzendbureau en wijst op de in 2.6 beschreven wijzigingen in belanghebbendes eigen omschrijving van haar diensten op haar website en haar LinkedIn-profiel. Als haar prestatie bestaat uit het ter beschikking stellen van medisch personeel, dan verricht de belanghebbende geen (para)medische diensten (HR
BNB1995/33 [21] en HvJ EU
“go fair” Zeitarbeit OHG [22] ). HR
BNB2014/188 [23] heeft hierin geen wijziging gebracht.
repliek, haar eerder aangevoerde rechtskundige stellingen, argumenten en motiveringsklachten nogmaals benadrukkend, onder toevoeging van een subsidiaire stelling dat, gezien de in haar cassatieberoep aangehaalde jurisprudentie, ook bij een uitzendbureau sprake kan zijn van een medische dienst die onder de vrijstelling valt. Zij acht het door de Staatssecretaris genoemde arrest HR
BNB1995/33 [24] niet toepasbaar op haar situatie, omdat (i) het in die zaak mede ging om verpleegkundigen, (ii)het Hof in die zaak had vastgesteld dat geen sprake was van gezondheidskundige prestaties en (iii) dat arrest is afgezwakt door gewijzigde inzichten en recente jurisprudentie.
4.De vrijstelling voor gezondheidskundige verzorging (middel I)
BNB2013/146, [30] waarin wordt verduidelijkt wanneer sprake is van ziekenhuisverpleging en medische verzorging in de zin van art. 11(1)(c) en (f) Wet OB. Nu het geschil slechts de vrijstelling ex art. 11(1)(g)(1°)(a) Wet OB betreft en die bepaling “nauw met de gezondheidskundige verzorging van de mens samenhangende activiteiten” niet vrijstelt (en art. 132(1)(c) btw-richtlijn dat evenmin doet), meen ik dat evenmin relevant is de jurisprudentie over de vrijstelling ex art. 11(1)(o)(1°) Wet OB voor diensten die “nauw samenhangen met het onderwijs” waarop de belanghebbende zich beroept. [31]
BNB1991/206 [34] betrof een NV die een bedrijvencomplex exploiteerde en in dit complex een Medische Dienst had gevestigd. Die dienst was belast met bedrijfsgeneeskundige taken met betrekking tot het bedrijf en het personeel van de belanghebbende en van derden. De dienst trad ook op als gezondheidsdienst voor het bedrijvencomplex. Hij voerde als zodanig werkzaamheden op geneeskundig terrein uit ten behoeve van bezoekers van het bedrijvencomplex, ten behoeve van het personeel van de in het complex gevestigde bedrijven en ten behoeve van personeelsleden van de belanghebbende. De Medische Dienst bracht geen vergoeding in rekening voor diensten aan bezoekers of personeelsleden van de belanghebbende, maar wel voor diensten aan in het bedrijvencomplex gevestigde bedrijven. De dienst had geen artsen of verpleegkundigen in dienst; die waren in dienst van de GG en GD; de bedrijfsgeneeskundigen en de administratieve medewerkers waren wel in dienst bij belanghebbende. De medische verantwoordelijkheid voor de gezondheidsdienst lag bij de GG en GD. In cassatie was onder meer in geschil of art. 11(1)(g) Wet OB geldt voor de prestaties die de belanghebbende om niet en binnen het kader van de Medische Dienst heeft verricht. U oordeelde als volgt:
BNB1995/33 [35] betrof een stichting die diensten verleende aan ziekenhuizen en verzorgingsinstellingen door terbeschikkingstelling van verpleegkundig, verzorgend, paramedisch en medisch personeel. Het medisch personeel wordt door de stichting gesalarieerd overeenkomstig de CAO voor de gezondheidszorg. Het beroep van de stichting op het geciteerde arrest HR
BNB1991/206 [36] faalde omdat de diensten van de stichting geen medische diensten waren, maar terbeschikkingstelling van medisch personeel:
BNB1991/206 berust erop dat in HR
BNB1995/33 feitelijk vaststond (r.o. 3.1.1) dat de verleende diensten bestonden uit terbeschikkingstelling van personeel. De rechtsvorm van de belanghebbende (stichting) speelde (terecht; zie onderdeel 5 hieronder) geen rol te spelen, net zomin als de rechtsvorm van de Medische Dienst in HR
BNB1991/206 van belang was; het ging om de kwalificatie van de dienst als ‘medisch’ of iets anders.
BNB2014/188 [41] ging het om een maatschap wier maten tegen een uurtarief als operatieassistent of anesthesiemedewerker werkzaamheden verrichtten in ziekenhuizen. De vrijstelling voor medische verzorging werd rechtstreeks toegepast op de maten omdat hun medische diensten de voor de btw-richtlijn relevante prestaties waren. U overwoog:
BNB2014/189 [43] volgt dat ook vrijwaring van aansprakelijkheid niet in de weg staat aan toepasselijkheid van art. 11(1)(g)(1°)(a) Wet OB als vaststaat dat de medische dienstverlener als zelfstandig ondernemer optreedt en geen ondergeschiktheidsrelatie bestaat met het ziekenhuis. De zaak betrof een anesthesieverpleegkundige die tegen een uurvergoeding overeenkomsten van opdracht met ziekenhuizen en klinieken sloot die haar vrijwaarden van aansprakelijk voor schade aan de zijde van de ziekenhuizen of derden ten gevolge van of naar aanleiding van de (uitvoering van de) overeenkomst, behoudens voor zover voortvloeiend uit eigen opzet of bewuste roekeloosheid. U overwoog:
“go fair” Zeitarbeit OHG [44] van het HvJ EU volgt dat als de feitelijke medische-dienstverleners in ondergeschiktheid aan het ziekenhuis werken, de voor de BTW-heffing relevante dienst niet bestaat uit de feitelijke werkzaamheden van de medische-dienstverleners voor het ziekenhuis, maar uit hetgeen hun ‘uitlener’ jegens het ziekenhuis presteert. Het HvJ EU overwoog:
BNB2014/188 en HR
BNB2014/189 enerzijds wegneming van vrijstellingsbelemmeringen voor medische uitzendbureaus, maar concludeert anderzijds dat als de feitelijke dienstverlener ondergeschikt is aan de uitzender, de verleende dienst al gauw als het belast uitlenen van personeel kwalificeert:
steedsals (belaste) terbeschikkingstelling van personeel gezien moet worden.
“go fair” Zeitarbeit OHGen HR
BNB2014/188 en 189 op (i) dat belanghebbendes artsen als gevolg van hun werknemerschap (onzelfstandigheid; ondergeschiktheid aan de belanghebbende) voor de heffing van de omzetbelasting tussen de ziekenhuizen en de belanghebbende uit vallen, waardoor het nog slechts gaat om de kwalificatie van belanghebbendes prestaties jegens de ziekenhuizen, en (ii) dat ook als de artsen hun medische werkzaamheden in ondergeschiktheid
aan het ziekenhuisverrichten (zie r.o. 11 van
“go fair” Zeitarbeit OHG), de dienst jegens het ziekenhuis geen vrijgestelde medische dienst is. In het hierboven in 4.6 geciteerde arrest HR
BNB1991/206 en in de hierboven in 4.8 en 4.9 geciteerde zaken voor het Hof Amsterdam resp. het Hof ’s-Hertogenbosch ging het dan ook om zelfstandig (niet in ondergeschiktheid aan een uitzender of aan de afnemer, maar vanuit een
medischedienst van een NV, vanuit een maatschap van medici of vanuit een ‘eigen’ medische praktijk-BV) verrichte medische diensten.
ófsprake is van terbeschikkingstelling van personeel. [50] Uitgangspunt van het Besluit is – in overeenstemming met de geciteerde jurisprudentie – dat terbeschikkingstelling van personeel niet deelt in de vrijstelling, maar goedgekeurd wordt dat dergelijke terbeschikkingstelling onder bepaalde omstandigheden wél vrijgesteld wordt, nl. binnen de zorgsector indien de terbeschikkinggestelden reeds in dienst zijn bij een zorginstelling maar uitgeleend worden aan een andere zorginstelling en aldaar materieel gelijkgesteld kunnen worden met eigen personeel van de ‘inlenende’ zorginstelling. Het Besluit lijkt mij daarom niet relevant voor de aan het Besluit voorafgaande vraag óf sprake is terbeschikkingstelling van personeel (door een niet-zorginstelling). Áls het om dergelijke terbeschikkingstelling van personeel gaat, zoals de feitenrechters in casu hebben geoordeeld, rijst vervolgens wel de vraag of de belanghebbende zich op het Besluit kan beroepen, maar duidelijk is dat in haar geval niet voldaan wordt aan de daartoe in het Besluit gestelde voorwaarden. Het is zonder nadere feitenvaststelling al duidelijk dat de belanghebbende geen andere primaire activiteiten heeft waarvoor zij zich kan beroepen op de vrijstelling ex art. 11(1)(c) Wet OB of die ex art. 11(1)(g) Wet OB.
aan het ziekenhuiswerkten; (iii) welke prestatie relevant is voor de BTW en (iv) hoe die prestatie gekwalificeerd moet worden. Dat het inherent is aan een maatschap dat een maat niet in dienst is van de maatschap, laat zich horen, evenals dat een tandarts die formeel werknemer (DGA) is maar materieel zelfstandig de tandartspraktijk uitoefent niet in een relatie van ondergeschiktheid tot zijn praktijk-BV staat, maar dat neemt niet weg dat bij de belanghebbende de artsen naar ’s Hofs feitelijke en niet-onbegrijpelijke vaststellingen zowel formeel als materieel in dienst/ondergeschikt zijn in de zin van art. 10 btw Pro-richtlijn. Het Hof heeft niet belanghebbendes rechtsvorm, maar de dienstbetrekking/ondergeschiktheid van de artsen beslissend geacht, alsmede, vervolgens, de aard van
belanghebbendesdienstverlening aan de ziekenhuizen.
“go fair” Zeitarbeit OHG.
“go fair” Zeitarbeit OHG, door het citeren van r.o. 3.4.4 van HR
BNB2014/188 en door het in r.o. 4.8 nalopen van door u genoemde criteria, heeft hij dat oordeel kennelijk mede gebaseerd op de ondergeschiktheid van de artsen aan de ziekenhuizen bij de uitvoering van hun medische werkzaamheden, ‘onder meer’ blijkende uit het op uurbasis ter beschikking stellen van de artsen, het in het organisatorische verband van de ziekenhuizen geplaatst worden van de artsen en het werken van de artsen onder verantwoordelijkheid en voor risico van de ziekenhuizen. Zoals opgemerkt, heeft het Hof aan belanghebbendes rechtsvorm geen betekenis gehecht. Ik meen dat deze laatste redengeving in wezen ten overvloede is. Zoals ook al in de laatste alinea van 4.14 hierboven geïmpliceerd: als de belanghebbende niet beschouwd kan worden als een vehikel voor de zelfstandige praktijkuitoefening door de artsen (zoals een specialistenmaatschap of een medische praktijk-BV), maar als uitzender beschouwd moet worden die aan haar ondergeschikte artsen ‘exploiteert’, volgt reeds op die grond dat haar diensten niet vrijgesteld zijn en doet niet meer ter zake dat de artsen in organisatorisch verband en onder verantwoordelijkheid en voor risico van het ziekenhuis werken. In r.o. 3.4.5 van HR
BNB2014/188 (zie 4.11 hierboven) overwoog u in het omgekeerde geval (wél zelfstandige artsen) dat “dergelijke omstandigheden niet van belang zijn als het gaat om het karakteriseren van een prestatie met het oog op de toepassing van een vrijstelling”.
BNB1991/206 (zie 4.6 hierboven) geoordeeld ̶ dat het uitmaakt of een zelfstandige arts zijn diensten rechtstreeks of door tussenkomst van een (praktijk-)BV aanbiedt. Hij heeft slechts geoordeeld dat in casu de artsen hun diensten niet zelfstandig, zij het door tussenkomst van de belanghebbende aanbieden (zoals artsen in een maatschap of met een eigen praktijk-BV), maar dat andersom, de belanghebbende in te lenen artsen aanbiedt.
5.Het neutraliteitsbeginsel
The Rank Group: [54]
Margarete Unterpertinger; PJW] en C-307/01 [
Peter d’Ambrumenil; PJW]). Al eerder oordeelde het HvJ EG dat het begrip «gezondheidskundige verzorging van de mens» zich niet leent voor een uitleg die medische handelingen omvat die worden verricht met een ander doel dan diagnose, behandeling en – voorzover mogelijk – genezing van ziekten of gezondheidsproblemen (HvJ EG, 14 september 2000, C-384/98). Anderzijds dient dit therapeutische doel verwezenlijkt te worden door personen (ongeacht de rechtsvorm) die beschikken over de juiste beroepskwalificaties (HvJ EG, 10 september 2002, C-141/00).”
ADV Allround Vermittlungs AG, [58] betreft de vragen of voor de bepaling van de plaats van de dienst onder terbeschikkingstelling van personeel ook terbeschikkingstelling van zelfstandige vrachtwagenschauffeurs kan worden verstaan en wat, als verschillende belastingdiensten daar verschillend over denken. Dat lijkt mij geen licht te werpen op de litigieuze kwestie. Treffender lijkt belanghebbendes beroep op het HvJ-arrest
Gregg and Gregg [59] over de echtelieden Gregg, die in een
partnershipdie naar Noord-Iers recht geen rechtspersoonlijkheid had, een verpleeghuis c.q. verzorgingstehuis voor bejaarden en gehandicapten exploiteerden. De vraag was of natuurlijke personen in een
partnershipzonder rechtspersoonlijkheid onder de vrijstelling kunnen vallen voor ziekenhuisverpleging en medische verzorging ex art. 13A(1)(b) van de Zesde richtlijn c.q. de vrijstelling voor diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en sociale zekerheid ex art. 13A(1)(g) van de Zesde richtlijn. Die bepalingen noemen als belastingplichtigen die gebruik kunnen maken van deze regelingen “publiekrechtelijke lichamen” (sub b en g), “centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard” (sub b) en “andere organisaties die door de betrokken lidstaten als instellingen van sociale aard worden erkend” (sub g). Het HvJ baseerde op het neutraliteitsbeginsel zijn oordeel dat ook ondernemingen van natuurlijke personen onder de termen ‘inrichting’ en ‘organisatie’ konden vallen:
Kügler [60] oordeelde het HvJ, omgekeerd, dat de vrijstelling ex art. 13A(1)(c) Zesde richtlijn (oud) voor “medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen” ook geldt voor rechtspersonen. De zaak betrof een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht die als doel had uit liefdadigheid ambulante verpleegdiensten te verrichten. Het HvJ overwoog als volgt:
Christoph-Dornier-Stiftung [61] ten slotte, betrof neutraliteit van (vrijstelling van) BTW-heffing tussen intramurale en extramurale psychotherapeutische (neven)zorg en tussen erkende en niet erkende instellingen in dezelfde omstandigheden die soortgelijke zorgdiensten aanbieden, ongeacht hun rechtsvorm. De belanghebbende in het hoofdgeding was een privaatrechtelijke stichting met als doel bevordering van de klinische psychologie door verbetering van behandelmethoden op basis van fundamenteel en toegepast onderzoek. Zij exploiteerde een polikliniek waar gediplomeerde psychologen in haar dienst psychotherapeutische behandelingen aan patiënten verstrekten. De psychologen waren geen arts, maar hadden wel een
Heilpraktiker-vergunning en waren opgeleid tot psychotherapeut. In geschil was of de prestaties van de stichting vrijgesteld waren. Het HvJ overwoog onder meer:
45. Zoals blijkt uit het antwoord van het Hof op de derde vraag, is de vrijstelling van artikel 13, A, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn van toepassing op psychotherapeutische behandelingen verstrekt door gediplomeerde psychologen, wanneer deze prestaties worden verricht buiten het kader van de in lid 1, sub b, bedoelde publiekrechtelijke lichamen en andere instellingen.
(…).
48. Voorts moet worden geoordeeld dat, gelet op het doel van vermindering van de kosten van de gezondheidszorg, het begrip medische verzorging in artikel 13, A, lid 1, sub b, veeleer ruim moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 23). Daarbij is wel van belang, dat de onder dit begrip vallende prestaties, evenals die welke onder het in datzelfde lid, sub c, voorkomende begrip gezondheidskundige verzorging van de mens vallen, tot doel hebben de diagnose, de behandeling en, voor zoveel mogelijk, de genezing van ziekten of gezondheidsproblemen (arresten D., reeds aangehaald, punt 18, en Kügler, reeds aangehaald, punt 38). Tussen partijen is niet in geding, dat de door gediplomeerde psychologen intramuraal verstrekte behandelingen voldoen aan de voorwaarde dat zij een therapeutisch doel nastreven.
49. Tot slot moet worden geconstateerd dat deze uitlegging van het begrip medische verzorging in artikel 13, A, lid 1, sub b, het beginsel van fiscale neutraliteit eerbiedigt, omdat paramedische prestaties, evenals behandelingen door gediplomeerde psychologen, van BTW zijn vrijgesteld ongeacht de plaats waar zij worden verricht.
50. Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort, dat de term medische verzorging in artikel 13, A, lid 1, sub b, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat hij alle in dit lid, sub c, bedoelde gezondheidskundige verzorging van de mens omvat, met name de prestaties die worden verricht door personen die niet de hoedanigheid van arts hebben, doch die paramedische diensten leveren zoals psychotherapeutische behandelingen door gediplomeerde psychologen.
73. Zoals de advocaat-generaal terecht in punt 55 van haar conclusie heeft opgemerkt, gelden deze aanwijzingen ook voor de uitlegging van artikel 13, A, lid 1, sub b, van de Zesde richtlijn, wat betreft de erkenning van de in deze bepaling bedoelde inrichtingen.
74. In het hoofdgeding staat het dus aan de verwijzende rechter om uit te maken of, gelet op al deze elementen, de weigering om Dornier te erkennen met het oog op de vrijstelling van artikel 13, A, lid 1, sub b, van de Zesde richtlijn, al dan geen schending oplevert van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde prestaties in vergelijkbare situaties verrichten.”
Heilpraktikermet psychotherapeutendiploma aan andere instellingen om aldaar voor rekening en risico en onder gezag en verantwoordelijkheid van die andere instellingen op uurbasis psychotherapeutische diensten te verlenen. Zoals uit het antwoord van het HvJ op vraag 3 blijkt, ging het om “psychotherapeutische behandelingen die door een privaatrechtelijke stichting worden verstrekt”. In onze zaak staat feitelijk vast dat de belanghebbende geen behandelingen verstrekt aan patiënten, maar diensten levert aan ziekenhuizen.
dienevenactiviteiten net zo als de belanghebbende aangemerkt worden als uitzendbureau en voor
dieactiviteiten dus niet in de vrijstelling delen.