Conclusie
Onderdeel 1.2klaagt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door de omvang van de schulden van en de aard van de verwijten aan [verzoeker 1] en [verzoekster 2] in zijn oordeel over de hardheidsclausule te betrekken. Betoogd wordt dat het hof daarmee bepalend heeft geacht dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] niet te goeder trouw zijn geweest, terwijl het bij de hardheidsclausule aankomt op de vraag of de oorzaken van de schulden onder controle zijn.
Onderdeel 1.3baseert een rechtsklacht op een lezing van het slot van rov. 3.5 waarbij het hof ervan is uitgegaan dat toepassing van de hardheidsclausule slechts betekent dat over een kortere periode dan de vijfjaarstermijn aan de eis van goede trouw moet zijn voldaan. Subsidiair klaagt het onderdeel dat niet valt in te zien waarom het hof de vijfjaarstermijn van art. 288 lid 1 onder Pro b Fw relevant heeft geacht voor het toepassen van de hardheidsclausule.
Onderdeel 1.4betoogt dat uit de door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] in appel aangevoerde stellingen blijkt dat de omstandigheden die hen in financiële problemen hebben gebracht onder controle zijn nu de onderneming is gestaakt. Als het hof dit heeft miskend, heeft het volgens de klacht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Subsidiair klaagt het onderdeel dat niet begrijpelijk is waarom de door [verzoeker 1] aangevoerde omstandigheden volgens het hof niet tot toepassing van de hardheidsclausule kunnen leiden.
onderdeel 2.2wordt geklaagd dat het hof niet is ingegaan op een aantal essentiële stellingen van [verzoeker 1] en [verzoekster 2].
Onderdeel 4.3richt zich eveneens tegen het oordeel over de goede trouw in rov. 3.4. Het onderdeel baseert motiveringsklachten op het proces-verbaal van de zitting bij het hof. Onder a klaagt het onderdeel dat het hof “de kleiner wordende doelgroep voor het gevoerde assortiment” als contra-indicatie aanmerkt, terwijl [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ter zitting hebben toegelicht dat zij naast kinderkleding ook kleding voor tieners en luxe cadeau-artikelen zijn gaan verkopen. Onder b wordt geklaagd dat het hof lijkt aan te nemen dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] pas na het treffen van een aantal andere maatregelen de leningen met [betrokkene 1] zijn aangegaan, terwijl uit het proces-verbaal blijkt dat de leningen uit dezelfde periode dateren als de maatregelen. Deze ten onrechte aangenomen chronologie maakt het volgens de klacht onder c ook onbegrijpelijk dat het aangaan van een geldlening in de redenering van het hof ‘over de grens’ zou zijn nu op dat moment de doorgevoerde wijzigingen in de bedrijfsvoering zich nog moesten bewijzen.
Onderdeel 5.1klaagt dat het hof zijn oordeel dat de goede trouw onvoldoende aannemelijk is geworden ten onrechte heeft gebaseerd op de alleen achteraf te trekken conclusie dat de onderneming te lang is voortgezet, zonder daaraan een verwijt te koppelen. De toepassing van deze maatstaf blijkt volgens het onderdeel ook uit hetgeen de voorzitter tijdens de zitting over de beoordeling van de goede trouw heeft opgemerkt: “Dat wil niet zeggen dat u niet uw best heeft gedaan of dat u verkeerd dingen hebt gedaan.”