Conclusie
De rechtbank verzoekt de bewindvoerder nauwgezet in de te monitoren dat schuldenares deze voorwaarde naleeft.
Advocaat:
2.Juridisch kader
Het behoort tot de taak van de beschermingsbewindvoerderom te bezien of de rechthebbende in aanmerking kan komen voor schuldhulpverlening of schuldsanering en
hem zonodig te begeleiden om aan de daarvoor geldende eisen te voldoen. Indien de rechthebbende geen beroep kan doen op één van beide regelingen, staat het zijn bewindvoerder vrij om te een betalingsregeling met crediteuren te treffen. De voornaamste taak van een bewindvoerder in een schuldenbewind is het stabiliseren van de financiële situatie.” (cursivering A-G)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
hoofdonderdeel Imet drie inhoudelijke
subonderdelen I.1(miskenning 3 essentiële vaststaande feiten resulterend in een onjuiste rechtsopvatting over art. 354 jo Pro. 358 Fw)
, I.2(miskenning grievenstelsel en motiveringsgebrek door onvolledig te responderen op grief 2)
en I.3(indien het toerekenbaarheidsoordeel zelfstandig rust op de grond dat het [verzoeksters] eigen verantwoordelijkheid is de Belastingdienst juist te informeren, is sprake van een motiveringsgebrek), die verder uiteenvallen in de
subonderdelen I.1.1, I.1.2, I.2.1, I.2.2, I.3.1, I.3.2 en I.3.3, gevolgd door een loutere veegklacht in
subonderdeel I.4(indien een inhoudelijk onderdeel slaagt, kan ook het dictum niet in stand blijven). De inhoudelijke klachten richten zich tegen rov. 4 van het bestreden arrest (hiervoor weergegeven in 1.10) en laten zich als volgt samenvatten.
subonderdeel I.1.1heeft het hof drie vaststaande feiten heeft miskend, namelijk dat de rechtbank de bewindvoerder een ‘monitorverplichting’ heeft opgelegd, [verzoekster] door haar leeftijd en psychische gesteldheid grote moeite heeft met het doen van haar administratie en [verzoekster] in de tussentijdse beëindigingsprocedure niet werd bijgestaan door een advocaat. Op grond daarvan (vooral de monitorverplichting) had het hof volgens
subonderdeel I.1.2of moeten oordelen dat [verzoekster] niet (geheel) was tekortgeschoten, of had het die tekortkomingen buiten beschouwing moeten laten wegens de bijzondere aard of geringe betekenis (vgl. art. 354 Fw Pro)
,omdat in dit speciale geval een verplichting op de bewindvoerder rustte om toe te zien dat [verzoekster] aan de voorwaarde van de rechtbank voldeed dat zij beschermingsbewind aan zou vragen. Dat heeft de bewindvoerder in de wind geslagen, zij heeft [verzoekster] hierover niet benaderd en haar aan haar lot overgelaten en in plaats daarvan een half jaar later de rechtbank geadviseerd geen schone lei te verlenen. In die situatie had het hof niet mogen oordelen dat [verzoekster] zich niet aan de voorwaarde van het aanzoeken van beschermingsbewind heeft gehouden en dat als zij niet begreep wat van haar verlangd werd, zij hulp had moeten inschakelen, wat zij heeft nagelaten, waarbij onvoldoende aannemelijk is geworden dat zij daartoe gelet op haar leeftijd en psychische gesteldheid niet in staat was.
subonderdeel I.2.2heeft het hof hierop helemaal niet gerespondeerd gelet op de tweede alinea van rov. 4, een miskenning van het grievenstelsel. Ook is onbegrijpelijk dat bij het opleggen van deze (resultaat)verplichting tot monitoring dat aan de voorwaarde van de rechtbank wordt voldaan dat beschermingsbewind wordt aangezocht aangezien [verzoekster] vanwege leeftijd en psychische gesteldheid moeite heeft met het voeren van administratie, en de bewindvoerder die monitorplicht verzaakt, er toch sprake kan zijn van toerekenbare tekortkomingen zijdens [verzoekster] die niet wegens bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing moeten blijven. In deze door het subonderdeel als zeer uniek gekenschetste omstandigheden had het hof in redelijkheid niet het ingrijpende middel mogen hanteren van het onthouden van een schone lei, maar had het minstens een korte verlenging moeten uitspreken, zodat Verweij met behulp van de bewindvoerder beschermingsbewind had kunnen aanvragen, waartoe blijkens het appelverzoekschrift Verweij’s advocaat inmiddels ook al stappen had gezet.
subonderdelen I.3.1 t/m I.3.3voort op subonderdeel I.2 en voert aan dat voor zover het toerekenbaarheidsoordeel van de ontstane nieuwe schulden zelfstandig zou worden gedragen door de derde t/m zesde volzin van de eerste alinea van rov. 4, te weten dat het de verantwoordelijkheid van [verzoekster] is om de Belastingdienst over haar situatie juist te informeren, dat onbegrijpelijk is, omdat bij de beantwoording van de vraag of de nieuwe schulden aan [verzoekster] te wijten zijn in de onderhavige beëindigingsprocedure ook in ogenschouw moet worden genomen de niet-nakoming door de bewindvoerder van zijn monitorverplichting.
Subonderdeel I.3.2formuleert dat zo: of de nieuwe schulden te wijten zijn aan [verzoekster] hangt ervan af of het niet aanvragen van beschermingsbewind aan [verzoekster] kan worden toegerekend, gelet op de monitorverplichting aan het adres van de WSNP-bewindvoerder.
nietvoorsta, is deze. Het monitorverzoek aan de WSNP-bewindvoerder is klaarblijkelijk ingegeven doordat Verweij destijds niet werd bijgestaan door een advocaat, maar betekent niet dat de bewindvoerder zelf actief moet bevorderen dat er beschermingsbewind komt voor [verzoekster]. Zij is immers geen schuldhulpverlener. Dat moest [verzoekster] zelf doen, eventueel met behulp van derden en de WSNP-bewindvoerder hoefde [verzoekster] slechts te (ver)wijzen op (naar) de mogelijkheden daartoe. Kennelijk is de opvatting van het hof dat [verzoekster] niet aannemelijk heeft gemaakt dat
ten gevolge van haar persoonlijke problematiekniet van haar gevergd kon worden dat zij ervoor zorgde, eventueel met behulp van derden, dat er beschermingsbewind kwam. Het gegeven dat de rechtbank beschermingsbewind noodzakelijk achtte voor het met goed gevolg volbrengen van de schuldsaneringsregeling en de WSNP-bewindvoerder verzocht te monitoren of dat gebeurde, is daartoe niet voldoende; de rechtbank heeft Verweij te verstaan gegeven dat zij haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet nakomt, wat in beginsel tussentijdse beëindiging zonder schone lei rechtvaardigt en dat zij nog een laatste kans krijgt, maar dat de rechtbank die nakoming er alleen van ziet komen als er beschermingsbewind wordt aangevraagd
door [verzoekster]. Ook van psychisch zieke schuldenaren kan worden verlangd dat zij een hulpverzoek doen aan derden, indien nodig. Leg ik dit naast het besproken arrest van Uw Raad van 7 oktober 2016, dan stranden de klachten daarop. Dan is er geen sprake van schending van een verplichting van de WSNP-bewindvoerder, die alleen moest toezien. Althans staat een eventueel tekortschieten van de bewindvoerder in zijn ‘monitoring’ niet in de weg aan het aannemen van verwijtbaarheid van de tekortkomingen zijdens [verzoekster]. Daar komt bovendien nog bij dat, ook al zou de bewindvoerder op dit punt wel zijn tekortgeschoten, dit niet zonder meer meebrengt dat tekortkomingen aan de kant van [verzoekster] (helemaal) niet aan haar mogen worden toegerekend (vgl. de conclusies van A-G Huydecoper vóór HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9353, onder 7 en vóór HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF7409, RvdW 2008/1059 onder 22).
rechterheeft de WSNP-bewindvoerder
uitdrukkelijk verzocht toe te zien(‘nauwgezet te monitoren’) op de nakoming door [verzoekster] van de aan de haar geboden ‘laatste kans’ verbonden voorwaarde om beschermingsbewind aan te vragen. Uit het proces-verbaal van de appelzitting (vgl. hiervoor onder 1.9, 4e alinea) en de achter tabblad 6 van het procesdossier overgelegde brief van de bewindvoerder van 25 februari 2016 aan het hof (p. 2 onder het kopje ‘Overige informatie’: ‘[verzoekster] heeft niet laten weten of zij in beschermingsbewind is gegaan. Ik heb geen beschikking ontvangen’) kan moeilijk anders worden afgeleid dan dat de bewindvoerder
geen contactheeft opgenomen met [verzoekster] over het beschermingsbewind en ook overigens
niets heeft ondernomenin dat verband [43] . Daarmee staat in cassatie vast dat de bewindvoerder aan het ‘nauwgezet monitoren’-verzoek van de rechtbank geen enkele andere concrete invulling heeft gegeven dan
volkomen passief afwachtenof er een beschikking beschermingsbewind zou afkomen in een situatie waarin [verzoekster] had aangegeven niet te beseffen wat beschermingsbewind is. Aangezien de rechtbank had geoordeeld dat [verzoekster] in feite niet zonder beschermingsbewind kon voor het nakomen van haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, is deze houding van de bewindvoerder in de gegeven omstandigheden in mijn optiek te afstandelijk te achten, ook indien de rechtbank de bewindvoerder slechts op haar wettelijke taak heeft willen wijzen en geen specifieke (aanvullende) verplichting in het leven heeft willen roepen (dus anders dan het cassatiemiddel betoogt). Als gezegd wordt in rechtspraak en literatuur aangenomen dat de bewindvoerder kan volstaan met een doorverwijzing ter zake van het verhelpen van persoonlijke problematiek die nakoming van schuldsaneringsverplichtingen in de weg staat, maar zelfs dat heeft de bewindvoerder klaarblijkelijk ondanks niet mis te verstane rechterlijke aansporing nagelaten. Dat lijkt mij
in dit gevalniet acceptabel. Al helemaal niet, nu de bewindvoerder zelf constateert dat een enkel telefoontje met het budgetbeheer voerende Plangroep al voldoende zou zijn geweest om een beschermingsbewindaanvraag in gang te zetten (vgl. citaat in de laatste voetnoot) en het ervaringsfeit dat een aanvraag tot beschermingsbewind op eigen verzoek doorgaans pleegt te worden gehonoreerd door de rechter [44] . Dat een bewindvoerder in die situatie kan volstaan met het niet zelf plegen van dat telefoontje, wil er niet goed in. Dat is geen ‘nauwgezet monitoren’ maar lijdelijk afwachten of er iets gebeurt.
toezichtnaar
schuldhulpverleningof dat laatste oneigenlijk onder de taak van een WSNP-bewindvoerder brengen, maar van het aanzoeken van een instrument dat volgens inzicht van de rechter kan leiden tot juiste nakoming van de verplichtingen van de saniet, gelet op de persoonlijke problematiek van betrokkene. Dat ligt zo beschouwd in het rechtstreekse verlengde van de toezichthoudende taak van de WSNP-bewindvoerder.