Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
3.Het geding in feitelijke instanties
Card Protection Plan [13] en
Field Fisher Waterhouse LLP [14] van het HvJ komt de Rechtbank tot het oordeel dat belanghebbende diverse zelfstandige diensten heeft afgenomen. Voor iedere dienst moet afzonderlijk worden beoordeeld of sprake is van een vrijgestelde of belaste dienst. De Rechtbank acht van belang dat bij de verstrekking van koersinformatie respectievelijk market data/bid & ask diensten sprake is van diensten die aan een brede groep afnemers worden verleend (en niet alleen aan frequent traders die lid zijn van de beurs respectievelijk een prime broker hebben gecontracteerd) en die, gelet op het gewijzigde verdienmodel van de aanbieders en de gewijzigde omstandigheden in de effectenhandel, een eigen economisch doel dienen. De diensten hebben een zelfstandige betekenis omdat ook andere marktpartijen deze diensten tegen vergoeding verstrekken zonder dat sprake is van een bijbehorende hoofddienst. Dit geldt volgens de Rechtbank ook voor de rackspace diensten.
SDC [15] leidt de Rechtbank af dat het bij de beoordeling van de vraag of de diverse diensten afzonderlijk beschouwd zijn vrijgesteld, gaat om de essentie van de handelingen inzake effecten. Uit het arrest
Nordea [16] leidt de Rechtbank vervolgens af dat het vooral van belang is of het aanbieden van de diensten juridische en financiële wijzigingen kan meebrengen die vergelijkbaar zijn met de wijzigingen die voortvloeien uit transacties in effecten zelf, en voorts of de aansprakelijkheid van de dienstverrichter jegens belanghebbende beperkt is tot de technische aspecten, dan wel of zij zich uitstrekt tot de kenmerkende en essentiële elementen van deze financiële transacties. De Rechtbank komt tot het oordeel dat de aan belanghebbende verleende diensten niet tot gevolg hebben dat de financiële of juridische positie van de betrokken partijen wijzigt. Ook oordeelt de Rechtbank dat deze diensten niet kenmerkend en essentieel zijn voor de vrijgestelde handelingen inzake effecten of de bemiddeling daarbij. Daarnaast is niet gebleken dat de verantwoordelijkheid van de dienstverrichter zich uitstrekt tot de kenmerkende en essentiële elementen van de vrijgestelde handeling. Dit alles brengt de Rechtbank tot het oordeel dat alle afgenomen diensten zijn belast met omzetbelasting.
Sinclair Collis [17] overweegt de Rechtbank over het subsidiaire geschilpunt dat het recht om hardware in een rek of stelling in een gebouw te plaatsen (rackspace diensten), gelijk is te stellen met het recht om een sigarettenautomaat in een etablissement te plaatsen. Volgens de Rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij het exclusieve gebruiksrecht heeft van een gedeelte van een onroerende zaak, met uitsluiting van anderen. Om die reden is geen sprake van verhuur van onroerende zaken en is de plaats van dienst gelegen in Nederland, aldus de Rechtbank.
4.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelhoudt in dat het Hof ten onrechte, althans op gronden die het oordeel niet kunnen dragen, de in geschil zijnde diensten niet heeft aangemerkt als (onderdeel van) één samenstel van prestaties, waarop de btw-vrijstelling van artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel i, aanhef en sub 2°, van de Wet van toepassing is. Ter toelichting merkt belanghebbende op dat het Hof een essentiële stelling onbehandeld heeft gelaten bij de beoordeling of sprake is van één samenstel van prestaties. Deze stelling van belanghebbende luidt dat de mening van de specifieke groep afnemers waartoe belanghebbende behoort van belang is bij het beoordelen of sprake is van één of meer prestaties. Belanghebbende verwijst naar het begrip ‘modale consument’ zoals het HvJ in het arrest
Card Protection Plan [24] heeft gebruikt. Dit begrip beperkt zich volgens belanghebbende in de onderhavige zaak tot market makers, die de diensten welke zij afnemen beschouwen als één samengesteld pakket, omdat zij alle elementen afnemen welke van belang zijn om op die specifieke beurs, al dan niet via de broker, de gewenste activiteiten als market maker uit te oefenen. Belanghebbende betoogt dat haar stelling bij gegrondbevinding tot een andere beslissing had kunnen leiden. Door het onbehandeld laten van deze stelling is de uitspraak op onjuiste wijze tot stand gekomen respectievelijk onvoldoende gemotiveerd, aldus belanghebbende.
tweede cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat het Hof ten onrechte, althans op gronden die zulks niet kunnen dragen, in punt 5.22 van zijn uitspraak heeft geoordeeld dat belanghebbende in de zogenoemde bankenresolutie niet heeft kunnen lezen dat diensten op het gebied van informatie en communicatie zijn vrijgesteld. Volgens belanghebbende is het vanzelfsprekend dat het Hof in de zogenoemde bankenresolutie niet heeft kunnen lezen dat diensten op het gebied van informatie en communicatie zijn vrijgesteld, omdat men bij de publicatie ervan in 1979 nog niet kon bedenken dat dergelijke technische diensten zouden bestaan, laat staan op grote schaal zouden worden gebruikt. Dit sluit volgens belanghebbende niet uit dat de technische diensten, voor zover essentieel en kenmerkend voor de wel in de zogenoemde bankenresolutie genoemde diensten, hieronder kunnen vallen.
derde cassatiemiddelbetoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte, althans op gronden die zulks niet kunnen dragen, niet is ingegaan op de essentiële stelling van belanghebbende dat de door haar afgenomen diensten bestaan uit de bemiddeling bij handelingen inzake effecten en andere waardepapieren. Daaraan voegt belanghebbende toe dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de specifieke criteria voor bemiddeling bij handelingen inzake waardepapieren die volgen uit de jurisprudentie van het HvJ. Belanghebbende geeft de Hoge Raad in overweging prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ over de uitleg van het begrip ‘bemiddeling’ als bedoeld in artikel 135, lid 1, aanhef en onder f, van de Btw-richtlijn [25] .
vierde cassatiemiddelop tegen het oordeel van het Hof (in punt 5.26) dat de rackspace dienst niet het ter beschikking krijgen van een ruimte in een onroerende zaak betreft. Belanghebbende acht het oordeel van het Hof onbegrijpelijk in het licht van de stukken van het geding. Zij is van mening dat de locatie van de ‘rackspace’ van essentieel belang is om zo snel mogelijk transacties tot stand te brengen, waardoor (milli)seconden winst kan worden behaald. Belanghebbende geeft aan in de procedure bewijsstukken te hebben ingebracht die ondersteunen dat vergelijkbare diensten in andere lidstaten van de Europese Unie wel als diensten die betrekking hebben op onroerend goed in de zin van de Btw-richtlijn worden beschouwd. Omdat geen sprake is van een bepaling van Unierecht waarvan de juiste toepassing zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan, noch van een situatie waarbij deze bepaling (artikel 47 van Pro de Btw-richtlijn) reeds door het HvJ is uitgelegd, verzoekt belanghebbende de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ.
5.Samenstel van prestaties
eerste cassatiemiddeldat het Hof in zijn beoordeling of sprake is van één enkele samengestelde of meerdere zelfstandig te onderscheiden prestaties ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de (juiste) ‘modale consument’. De ‘modale consument’ is volgens belanghebbende in de onderhavige zaak beperkt tot partijen (market makers) die op gelijke wijze op de beurs handelen als belanghebbende. Deze market makers beschouwen de diensten welke zij afnemen als één samengesteld pakket, omdat zij alle elementen afnemen welke van belang zijn om op die specifieke beurs, al dan niet via de broker, de gewenste activiteiten als market maker uit te oefenen, aldus belanghebbende. Doordat het Hof in zijn beoordeling alle leden van de beurs heeft betrokken, heeft het volgens belanghebbende een onjuiste invulling gegeven aan het begrip ‘modale consument’.
Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie(hierna:
WAMW) [29] . Volgens belanghebbende vormt het feit dat de consument niet zelf kan bepalen of hij de aanvullende prestatie(s) afneemt, een belangrijke indicatie voor de aanwezigheid van één prestatie.
Deutsche Bank AG [33] , Field Fisher Waterhouse LLP [34] en
WAMW [35] . Uitgangspunt in al deze arresten is steeds dat elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd.
Field Fisher Waterhouse LLP,waar het ging om de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed, verwijst het HvJ naar de ‘gemiddelde huurder’ van commerciële ruimten (punt 23). In het arrest
WAMWpreciseert het HvJ dat het de kwestie in
Field Fisher Waterhouse LLPbij zijn analyse met name heeft bekeken “vanuit het perspectief van een gemiddelde huurder van de betrokken bedrijfsruimte, te weten kantoorruimte voor advocatenkantoren” (punt 35). Het HvJ verwijst in het arrest
Deutsche Bank AG, waar het mede de vrijstelling voor handelingen inzake aandelen, deelnemingen, obligaties en andere waardepapieren betrof (artikel 135, lid 1, aanhef en onder f, van de Btw-richtlijn), naar de ‘gemiddelde belegger’ (punt 25). Tot slot valt bijvoorbeeld in het arrest
Levob [41] te lezen dat het HvJ aansluit bij de specifieke behoefte van de verkrijger van de dienst. Levob verschafte aan de verkrijger eerder ontwikkelde en op de markt gebrachte, op een drager opgeslagen standaardsoftware en paste deze software later aan de specifieke behoeften van die verkrijger aan. Het HvJ oordeelde dat de levering van de software en de aanpassing daarvan als één dienst moeten worden beschouwd, wanneer blijkt dat de betrokken aanpassing noch gering noch van ondergeschikte aard is, maar juist een overheersend karakter heeft. Dit is met name het geval wanneer deze aanpassing, gelet op elementen als de omvang, de kosten of de duur ervan, van doorslaggevend belang is om de verkrijger in staat te stellen op maat gemaakte software te gebruiken.
Card Protection Planis volgens Van Hilten de vraag of objectieve dan wel subjectieve maatstaven doorslaggevend moeten zijn bij de beoordeling of in een concrete situatie sprake is van één samengestelde of meerdere afzonderlijke prestaties beantwoord. In reactie op dit arrest heeft zij het volgende opgemerkt (cursivering origineel): [42]
verbruiksbelasting past de subjectieve benadering het beste: wie is immers beter gekwalificeerd om te bepalen wat hij verbruikt (en waarvoor hij belast wordt) dan de verbruiker zelf. Praktisch bezien is die benadering echter een monstrum: de presterende ondernemer zou de bedoeling van zijn afnemer moeten kennen om te weten hoe hij de BTW moet berekenen die hij ter zake van zijn meervoudige prestatie verschuldigd is en bovendien is niet ondenkbaar dat één en dezelfde meervoudige prestatie verschillend moet worden behandeld omdat verschillende afnemers de prestatie met een verschillende bedoeling afnemen. Door het subjectieve element (de consument) te objectiveren (de
gemiddelde,
of modaleconsument) wordt in ieder geval een hanteerbaar criterium geschapen. (…).”
HR BNB 2013/3 [43] over de levering van een huishoudelijk of elektronisch apparaat en, tegen bijbetaling, de verstrekking van een zogenoemd servicecertificaat (extra garantie voor reparaties) beoordeelt de Hoge Raad de samengestelde prestatie vanuit de behoefte van de klanten van belanghebbende. In dit geval van klanten van winkels waarin huishoudelijke en elektronische apparaten worden verkocht.
HR BNB 2013/45 [44] betrekt de Hoge Raad bij de beoordeling of sprake is van de enkele terbeschikkingstelling van een onroerende zaak met aanvullende, al dan niet bijkomstige dienstverlening of van de meeromvattende dienst bestaande uit het gelegenheid geven tot prostitutie, het doel van het gebruik van de onroerende zaak door de huurder. De Hoge Raad overweegt:
HR BNB 2014/71 [45] , over het bieden van seksueel vermaak concludeert de Hoge Raad dat het oordeel van hof ’s-Hertogenbosch, waarin besloten ligt “dat de gemiddelde afnemer van de door belanghebbende geboden dienstverlening deze zal opvatten als één (hoofd)dienst, te weten het tegen betaling van de entreeprijs geboden krijgen van de mogelijkheid gebruik te maken van de seksuele diensten van de zich in het pand bevindende prostituees, en dat hij de overige dienstverlening als bijkomend zal opvatten, dat wil zeggen als niet meer dan middelen om de hoofddienst aantrekkelijk maken”, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. In dit oordeel komt duidelijk de beoordeling vanuit de ‘modale consument’ (‘gemiddelde afnemer’) terug.
HR BNB 2015/9 [46] over optometrische diensten het oordeel van hof Den Haag in stand “dat de kenmerkende elementen van de verrichte handelingen van dien aard zijn, ook uitgaande van de beleving van de abonnementhouder, dat de optometrische diensten hebben te gelden als voor de omzetbelasting afzonderlijk, dat wil zeggen los van de leveringen van contactlenzen en contactlenzenvloeistoffen, in aanmerking te nemen prestaties”. Klanten konden tegen een vaste vergoeding bij de betreffende belanghebbende een all-in-abonnement afnemen waarbij naast de levering van de contactlenzen en lenzenvloeistoffen ook diensten, verricht door bij belanghebbende in dienst zijnde gediplomeerde optometristen, waren inbegrepen. Hof Den Haag neemt in aanmerking dat klanten van de betreffende belanghebbende de diensten speciaal van die belanghebbende afnemen vanwege haar deskundigheid als optometrist, vooral waar het gaat om gezondheids- en veiligheidsaspecten, en de klanten daarom niet naar een gewone contactlenzenspecialist gaan.
WAMWdat uit rechtspraak [47] volgt dat aanvullende prestaties (in casu levering nutsvoorzieningen en afvalophaling) onafhankelijk van de verhuur kunnen bestaan, ook al zijn deze prestatie doorgaans nuttig en soms zelfs noodzakelijk voor het gebruik van het gehuurde onroerend goed. De aanvullende prestaties kunnen evenwel, afhankelijk van de specifieke omstandigheden en met name de inhoud van de overeenkomst, ondergeschikt of onlosmakelijk met de verhuur zijn verbonden en er één enkele prestatie mee vormen. Het HvJ onderscheidt vervolgens twee hoofdscenario’s die zich kunnen voordoen (cursivering en onderstreping van mijn hand):
Ten eerstekunnen de prestaties in verband met de betrokken goederen of diensten in beginsel als onderscheiden van de huur worden aangemerkt,
indien de huurder de leveranciers of dienstverrichters zelf kan kiezen en/of zelf kan bepalen hoe hij de betrokken goederen of diensten gebruikt. In het bijzonder kunnen de prestaties in verband met de levering van water, elektriciteit en verwarming in beginsel worden geacht los te staan van de huur indien de huurder zelf kan beslissen over zijn water-, elektriciteits- of verwarmingsverbruik, dat kan worden geverifieerd door de installatie van individuele meters en gefactureerd aan de hand van het werkelijke verbruik. Diensten zoals de schoonmaak van de gemeenschappelijke delen van een gebouw in mede-eigendom moeten als gescheiden van de huur worden aangemerkt
indien zij door elke huurder afzonderlijk of door de huurders gezamenlijk kunnen worden georganiseerd en de aan de huurders gerichte facturen in ieder geval de levering van die goederen en/of de verrichting van die diensten vermelden als een van de huur onderscheiden post.
Dat de huurder de mogelijkheid heeft om deze prestaties te betrekken bij de aanbieder van zijn keuze, is op zich overigens evenmin bepalend, aangezien de mogelijkheid dat de onderdelen van de ene enkele prestatie in andere omstandigheden afzonderlijk worden verricht, inherent is aan het begrip één samengestelde handeling(arrest Field Fisher Waterhouse, C‑392/11, EU:C:2012:597, punt 26).
Ten tweedekunnen de prestaties die in verband met een te huur gesteld onroerend goed worden verricht, worden geacht één enkele prestatie te vormen met de verhuurdienst, indien het goed in kwestie – economisch gezien – objectief één geheel vormt met de eerstbedoelde prestaties. Dit kan met name het geval zijn voor de verhuur van sleutelklare kantoren, die dankzij de levering van nutsvoorzieningen en bepaalde andere prestaties meteen gebruiksklaar zijn, en voor de kortetermijnverhuur van onroerende goederen, met name voor vakanties of voor professionele doeleinden, die samen met deze prestaties wordt aangeboden zonder dat laatstbedoelde prestaties ervan kunnen worden gescheiden.
Ook in gevallen waarin de verhuurder zelf niet de mogelijkheid heeft om vrijelijk en onafhankelijk – met name onafhankelijk van andere verhuurders – de leveranciers of dienstverrichters te kiezen en te bepalen hoe de goederen en diensten waarmee de verhuur gepaard gaat kunnen worden gebruikt, zijn de betrokken prestaties doorgaans niet te scheiden van de verhuur en kunnen zij eveneens worden geacht één geheel en dus één enkele prestatie te vormen met de verhuur.Dit is in het bijzonder het geval wanneer de verhuurder die eigenaar is van een gedeelte van een gebouw in mede-eigendom, een beroep moet doen op leveranciers of dienstverrichters die zijn gekozen door de gezamenlijke mede-eigenaars en een bepaald aandeel in de collectieve lasten betreffende die prestaties moet dragen, dat hij vervolgens doorberekent aan de huurder.
Field Fisher Waterhouse LLPoverweegt het HvJ het volgende (cursivering CE):
Met betrekking tot de relevantie van het feit dat een derde in beginsel bepaalde diensten kan verrichten, is het bestaan van een dergelijke mogelijkheid op zich evenmin doorslaggevend.Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, is de mogelijkheid dat de elementen van één dienst in andere omstandigheden afzonderlijk worden verricht, inherent aan het begrip één samengestelde dienst, zoals dit voortvloeit uit punt 15 van het onderhavige arrest (zie in die zin beschikking Purple Parking en Airparks Services, reeds aangehaald, punt 31).”
Field Fisher Waterhouse LLPdaarover het volgende opgemerkt: [48]
eerste cassatiemiddelfaalt.
6.Toepassing van de bankenresolutie
tweede cassatiemiddelbestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof dat zij niet in de zogenoemde bankenresolutie heeft kunnen lezen dat diensten op het gebied van informatie en communicatie zijn vrijgesteld van omzetbelasting.
ongeachtof het daarbij gaat om de uitgifte, de overdracht, de verwisseling of de opsplitsing van de desbetreffende stukken, dan wel om de instandhouding, de wijziging, de realisering of het tenietgaan van de in die stukken belichaamde rechten, een en ander met dien verstande dat de – veelal door banken – ter zake verleende bemiddelingsdiensten mede tot de vrijgestelde prestaties dienen te worden gerekend.”
tweede cassatiemiddelen kan het middel niet tot cassatie leiden.
7.Bemiddeling bij handelingen inzake waardepapieren
derde cassatiemiddeldat het Hof ten onrechte, althans op gronden die zulks niet kunnen dragen, niet is ingegaan op de essentiële stelling van belanghebbende dat de door haar afgenomen diensten, diensten van ‘bemiddelaars' inhouden (bemiddeling bij het tot stand komen van effectentransacties).
HR BNB 2006/250 [55] geoordeeld dat een grief slechts dan als ter zitting ingetrokken mag worden aangemerkt indien de belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaart, dan wel desgevraagd uitdrukkelijk en ondubbelzinnig bevestigt die grief in te trekken:
derde cassatiemiddelvan belanghebbende faalt derhalve eveneens.
CSChet volgende (cursivering van mijn hand): [57]
wordt gedoeld op een activiteit van een tussenpersoon die niet de plaats inneemt van een partij bij een contract betreffende een financieel product en wiens activiteit verschilt van de typische contractuele prestaties die door de partijen bij zulke contracten worden verricht. Bemiddeling is immers een dienstverrichting ten behoeve van een contractpartij die door deze laatste als afzonderlijke tussenkomst wordt vergoed.Dit kan onder meer inhouden dat de contractpartij wordt gewezen op gelegenheden om dit contract te sluiten, dat voor hem contact met de wederpartij wordt gelegd, en dat in naam en voor rekening van de cliënt wordt onderhandeld over de details van de wederzijdse prestaties.
Deze activiteit heeft dus tot doel het nodige te doen opdat twee partijen een contract sluiten, zonder dat de bemiddelaar een eigen belang heeft inzake de inhoud van het contract.”
CSCging het om zogenoemde ‘call center’ diensten voor financiële instellingen, waarbij CSC alle contacten van de financiële instelling met het grote publiek op zich nam met betrekking tot de verkoop van bepaalde financiële producten, vanaf het verzoek om informatie tot aan de verkoop, maar met uitsluiting van de verkoop zelf. Het enkel verstrekken van informatie over een financieel product en in voorkomend geval het in ontvangst nemen en verwerken van de verzoeken om inschrijving op de betrokken waardepapieren, zonder dat deze dienstverlening ook de uitgifte ervan omvat, valt naar het oordeel van het HvJ niet onder het begrip ‘bemiddeling’.
DTZ Zadelhoff vof [59] ingegaan op het begrip ‘bemiddeling’. Ondanks een door haar geconstateerd gebrek aan afbakening in de definiëring van bemiddelingsdiensten, leidt zij uit rechtspraak van het HvJ af dat kenmerkend voor bemiddeling is dat de prestatie door de opdrachtgever als afzonderlijke tussenkomst wordt vergoed en dat de prestatie tot doel heeft het nodige te doen opdat twee partijen een contract sluiten. Hetgeen het HvJ in punt 38 en 39 van het arrest
CSCheeft overwogen, herhaalt het HvJ in punt 26 en 27 van het arrest
DTZ Zadelhoff vof. Bij de beoordeling of sprake is van bemiddeling, is de moeilijkheid volgens A-G Van Hilten met name gelegen in het feit dat ervan moet worden uitgegaan dat niet alleen de aard van de prestatie, maar ook het doel van de verrichte dienstverlening (het samenbrengen van twee partijen) een essentiële factor is.
8.Diensten die betrekking hebben op onroerend goed
vierde cassatiemiddelstaat de vraag centraal of de rackspace dienst kan worden aangemerkt als een dienst die betrekking heeft op een onroerende zaak als bedoeld in artikel 6b van de Wet. In dat geval is de dienst belastbaar in het land waar de onroerende zaak is gelegen (Verenigd Koninkrijk [60] ) en is geen Nederlandse omzetbelasting verschuldigd. Artikel 47 van Pro de Btw-richtlijn luidt als volgt:
RR Donnelley Global Turnkey Solutions Poland [62] over een opslagdienst inclusief bijkomende diensten (ontvangst, plaatsing, afgifte, laden en lossen) overwogen dat een dergelijke dienst alleen binnen de werkingssfeer van artikel 47 van Pro de Btw-richtlijn kan vallen indien aan de afnemer van die dienst een gebruiksrecht wordt verleend op een uitdrukkelijk bepaald onroerend goed of een gedeelte daarvan. Indien afnemers niet het recht hebben om het gedeelte van het gebouw waar hun goederen zijn opgeslagen te betreden of het onroerend goed waarop of waarin de goederen moeten worden opgeslagen geen onmisbaar hoofdbestanddeel van de dienst vormt, kan een dergelijke opslagdienst niet onder artikel 47 van Pro de Btw-richtlijn vallen.
Sinclair Collis Ltd [63] overwogen dat het feit dat de overeenkomst geen nauwkeurig afgebakende oppervlakte of standplaats bepaalt waar de sigarettenautomaten in het etablissement moeten worden geïnstalleerd, één van de redenen is dat geen sprake kan zijn van de verhuur van een onroerend goed. Hoewel dit arrest ziet op de vraag of de vrijstellingsbepaling voor de verhuur van onroerend goed van toepassing is, hanteert het HvJ hier hetzelfde criterium als bij de beoordeling of een (opslag)dienst onder de werkingssfeer van artikel 47 van Pro de Btw-richtlijn valt. Toegepast op de onderhavige casus: de overeenkomst moet een nauwkeurig afgebakende oppervlakte of standplaats bepalen voor de apparatuur van belanghebbende.
Cilfitals volgt begrensd: [68]
RR Donnelley Global Turnkey Solutions Polandduidelijk overwogen onder welke voorwaarden een (opslag)dienst een onroerend goed zelf als voorwerp heeft en aldus kan worden aangemerkt als een dienst die betrekking heeft op onroerend goed. In zoverre bestaat er dus vaste rechtspraak over de vraag wanneer een dienst voldoende rechtstreeks verband houdt met een onroerend goed om onder toepassing van artikel 47 van Pro de Btw-richtlijn te vallen. Of aan de voorwaarden is voldaan in een concrete situatie betreft een feitelijke toets.
Cilfitheeft het HvJ overwogen dat, alvorens de nationale rechter tot het besluit komt dat sprake is van een ‘acte clair’, de nationale rechter ervan overtuigd dient te zijn dat die oplossing even evident is voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten en voor het HvJ. Deze overweging is voor zover in casu relevant nader uitgewerkt in het arrest
Intermodal Transports BV [69] . Dit betreft een douanezaak waarin de douaneautoriteiten in een andere lidstaat voor een soortgelijk goed aan een derde een afwijkende bindende tariefinlichting hadden verstrekt. Het HvJ geeft aan dat dit gegeven de nationale rechter er ongetwijfeld toe moet aanzetten bijzondere aandacht te geven aan zijn beoordeling of er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan over de juiste toepassing. Het kan de nationale rechter echter niet beletten na onderzoek tot de slotsom te komen dat in een gegeven geval de juiste toepassing van bijvoorbeeld een tariefpost zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan over de wijze waarop de gestelde vraag moet worden beantwoord. Het kan hem evenmin beletten in een dergelijk geval te beslissen het HvJ niet om een prejudiciële beslissing te verzoeken en die vraag op eigen verantwoordelijkheid op te lossen.
vierde cassatiemiddelfaalt dus ook.