De zaak betreft naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd aan belanghebbenden over de jaren 1998 tot en met 2002. [A] B.V. verrichtte diverse handelingen ten behoeve van kredietverleners, waaronder het ter beschikking stellen van een geautomatiseerd systeem voor hypotheekoffertes en het beheer van afgesloten hypothecaire leningen. De vraag was of deze handelingen vrijgesteld zijn van omzetbelasting.
De Rechtbank en het Gerechtshof oordeelden verschillend over de vrijstelling. Het Hof beschouwde de handelingen betreffende het beheer van leningen als één samengestelde dienst die onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter j, van de Wet OB valt en achtte het beroep op de bankenresolutie geslaagd.
De Hoge Raad stelde vast dat het beheer van door derden verleende kredieten niet is vrijgesteld van omzetbelasting, conform de Zesde richtlijn en de BTW-richtlijn. De samengestelde dienst kon niet worden gesplitst en viel niet onder de bankenresolutie, omdat deze dienst niet kon worden gekwalificeerd als normale incasso. Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris werd gegrond verklaard, het incidentele beroep van belanghebbenden ongegrond, en de naheffingsaanslag over 2001-2002 werd verminderd tot € 2.616.917.