Conclusie
1.Feiten
Naar aanleiding van uw bericht van 8 januari jongstleden deel ik u mee dat ik geen reden zie om mij uitgebreid te verantwoorden. Als de curator de rechter-commissaris verzoekt, dan wel de rechter-commissaris dat dienstig vindt om ten behoeve van het verkrijgen van nadere inlichtingen de gefailleerde, bestuurders of getuigen te horen, dan is dat een feit en niet iets dat externe verantwoording behoeft (...).”
2.Procesverloop
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
Een nadere versterking van de inlichtingenplicht wordt geboden door art. 66 Fw Pro, dat de rechter-commissaris de bevoegdheid geeft om getuigen te horen of een onderzoek van deskundigen te bevelen, ‘ter opheldering van alle omstandigheden die het faillissement betreffen’ (het faillissementsverhoor). [13] Lid 2 van art. 66 Fw Pro bepaalt dat art. 177 Rv Pro van overeenkomstige toepassing is. Dit brengt mee dat de in art. 177 Rv Pro neergelegde formele vereisten voor een getuigenverhoor van toepassing zijn op het faillissementsverhoor, waaronder de verplichting om de getuige onder ede te horen. Bij niet-verschijning of weigering om de eed of belofte af te leggen, zijn de artikelen 171 e.v. Rv van toepassing, zo bepaalt art. 66 lid 3 Fw Pro. Een onwillige getuige kan dus worden gegijzeld (art. 173 Rv Pro).
Overigens lijkt een beroep op een verschoningsrecht in het kader van een
inlichtingenverhoor op de voet van art. 105 lid 1 Fw Pro niet aan de orde te zijn, naar ik aanneem omdat betrokkene dan niet als
getuigewordt gehoord. Bij een inlichtingenverhoor, zo volgt uit HR 24 januari 2014, is het aan de rechter-commissaris om waarborgen te verschaffen dat de verkregen inlichtingen niet tevens in verband met een 'criminal charge' tegen de gefailleerde of de bestuurder zullen worden gebruikt. [23]
Aannemingsbedrijf Thunissen). [25] Art. 3:13 lid 2 BW Pro (dat op grond van art. 3:15 BW Pro ook van toepassing is in het faillissementsrecht) bepaalt dat van misbruik van een bevoegdheid sprake is - onder meer - indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Het doel van de bevoegdheid van art. 66 Fw Pro is om opheldering te verkrijgen ten aanzien van alle omstandigheden die het faillissement betreffen. Dit betekent dat van misbruik van de bevoegdheid van art. 66 Fw Pro sprake kan zijn indien zij wordt aangewend voor een ander doel dan het verkrijgen van de bedoelde opheldering, met name indien dat doel gelegen is een aansprakelijkheidsstelling van de bestuurders. Vergelijk HR 6 oktober 2006 (
ABN Amro/Arts q.q.): [26]
De strekking van het getuigenverhoor op grond van art. 66 F is een andere. Dit verhoor vindt niet plaats in het kader van een geschil tussen partijen dat voorwerp is van een aanhangige of mogelijk aanhangig te maken procedure en is niet gericht op het verkrijgen van bewijs in een dergelijke procedure. Het dient daarentegen ertoe de rechter-commissaris - en met hem de curator - door het horen van getuigen in staat te stellen ten aanzien van alle omstandigheden die het faillissement betreffen opheldering te verkrijgen. Van een 'wederpartij' is dan ook geen sprake. "
inlichtingenverhoor de bestuurder of gefailleerde op grond van art. 105 (jo. art. 106) jo. art. 87 en Pro 89 Fw in gijzeling worden genomen. Dit terwijl een partijgetuige op grond van art. 173 lid Pro 1, tweede volzin, Rv níet in gijzeling kan worden genomen indien hij weigert te verklaren. Deze tweede volzin is immers niet van toepassing verklaard in lid 2 van art. 66 Fw Pro. Dat is op zichzelf begrijpelijk, omdat er bij een verhoor op de voet van art. 66 Fw Pro strikt genomen niet gesproken kan worden van een 'partijgetuige'. Materieel gezien kan bij een faillissementsverhoor echter wel degelijk sprake zijn van een partijgetuige, met name indien gehoord wordt met het oog op aansprakelijkheidsstelling.
ABN Amro/Arts q.q.). [31]
timingvan een verhoor op de voet van art. 66 Fw Pro, zoals volgt uit de beschouwing van Neijt: [33]
derde subonderdeel(punt 1.8 verzoekschrift) heeft de rechtbank in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 19 Rv Pro, art. 24 Rv Pro althans art. 149 Rv Pro, aangezien [verzoekers] onbetwist hebben gesteld dat het verhoor misbruik van recht oplevert. De curator heeft immers geen verweer gevoerd. De rechter-commissaris heeft weliswaar zijn zienswijze gegeven, maar ook daarin heeft hij niet betwist dat het verhoor is bevolen teneinde informatie te verzamelen ten behoeve van een civiele procedure. De rechtbank had daar dan ook vanuit moeten gaan.
eerste subonderdeel(verzoekschrift punt 1.6) wordt aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank, dat in het kader van de appelprocedure niet aan de orde kan worden gesteld of een vraag van de rechter-commissaris het onderzoekskader van art. 66 Fw Pro en art. 105 jo Pro. 106 Fw te buiten gaat, rechtens onjuist is omdat daarmee wordt miskend dat ook de bevoegdheid om getuigen op te roepen (en dus niet alleen het stellen van specifieke vragen) kan worden misbruikt. In het
tweede subonderdeel(verzoekschrift punt 1.7) wordt aangevoerd dat het oordeel dat (beslissende) betekenis toekomt aan het feit dat op voorhand niet (precies) duidelijk is welke vragen zullen worden geformuleerd en/of de rechter-commissaris misschien kennis heeft genomen van nieuwe feiten, rechtens onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat [verzoekers] onbetwist hebben gesteld dat het doel van het verhoor is gericht op het verkrijgen van informatie ten behoeve van een civiele procedure en dat om die reden sprake is van misbruik van recht. Als duidelijk is dat het verhoor wordt bevolen voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is, is sprake van misbruik van recht, ongeacht de vragen die gesteld zullen worden. Het oordeel van de rechtbank zou ertoe leiden dat nooit een geslaagd beroep op art. 3:13 BW Pro gedaan kan worden omdat van tevoren nooit bekend is welke vragen door de rechter-commissaris gesteld gaan worden. Voorts betoogt het
vierde subonderdeel(verzoekschrift punt 1.9) dat het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van misbruik van recht, niet, althans onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank is onvoldoende ingegaan op de essentie van de stellingen van [verzoekers], dat zij alle reden hebben te veronderstellen dat het verhoor gericht zal zijn op hun aansprakelijkheid, gezien het zeer lange tijdsverloop sinds het faillissement, het eerdere besluit van de rechter-commissaris het faillissementsverhoor geen doorgang te laten vinden en de mededeling in het faillissementsverslag van 16 november 2014 dat de curator een getuigenverhoor over de rol van [verzoekers] voor ogen stond. Tenslotte houdt het
vijfde subonderdeelin (verzoekschrift punt 1.10) dat de rechtbank tenminste tot nader onderzoek had moeten overgaan, door bij de rechter-commissaris na te gaan of het verhoor inderdaad was ingegeven door de wens informatie te verzamelen ten behoeve van een civiele procedure tegen onder meer [verzoeker 1].
(i) aangezien het faillissement dateert van 16 november 2010 is de inventarisatieperiode waarbinnen een curator normaal gesproken alle feiten opheldert, ruimschoots verstreken; [35] (ii) met de curator is op 25 februari 2011 een schikking tegen finale kwijting getroffen over alle geschilpunten die zich tot en met februari 2011 hebben voorgedaan (in dat kader hebben [verzoekers] € 75.000,-- aan de boedel voldaan); [36] (iii) in 2013 heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat [verzoekers] nog geld aan de boedel verschuldigd zouden zijn maar dat hij daarvan wil afzien wanneer zou blijken 'dat er toch niets te halen valt', waaraan hij het verzoek koppelt om inzicht te verschaffen in de financiële armslag van Saborn BV, de bestuurder van failliet; [37] (iv) eerder, in 2014, heeft de toenmalige rechter-commissaris besloten af te zien van een door de curator verzocht faillissementsverhoor en heeft hij besloten schriftelijke vragen aan [verzoekers] voor te leggen (wat echter niet is geschied); [38] (v) in het faillissementsverslag van 16 september 2014 is vermeld dat de drie grootste schuldeisers in het faillissement zich bij de curator hebben gemeld met het verzoek een mondeling
getuigenverhoor te gelasten in plaats van een schriftelijk (onderstreping a-g); [39] (vi) de curator houdt zich blijkens zijn brief van 3 maart 2016 nog steeds alle rechten voor jegens [verzoekers]. [40]
bepaalde vragenmisbruik van recht opleveren; [verzoekers] stellen dat het (thans) houden van faillissementsverhoor
als zodanigmisbruik van recht oplevert. Zoals hiervoor is besproken bij punt 3.6-3.8, kan daarvan sprake zijn, namelijk indien het faillissementsverhoor wordt ingezet voor een ander doel dan waarvoor zij is bedoeld. De beschikking is daarmee naar mijn mening onvoldoende gemotiveerd. Indien de rechtbank niet onder ogen heeft gezien dat het faillissementsverhoor als zodanig misbruik van recht kan opleveren, geeft de beschikking tevens blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
(ad i) In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat een faillissementsverhoor in een vroegtijdig stadium van het faillissement dient plaats te vinden, met het oog op het te bepalen afwikkelingsbeleid. [43] In het onderhavige geval is ruim vijf jaar verstreken na faillissementsdatum. Het is moeilijk in te zien dat er dan nog sprake kan zijn van 'inventariseren'.
(ad ii, iii en iv) Deze omstandigheden lijken erop te wijzen dat het faillissement al enige tijd min of meer is afgewikkeld. Dit roept de vraag of nog sprake kan zijn van 'het ophelderen van alle omstandigheden die het faillissement betreffen'.
(ad v en vi) Deze omstandigheden lijken een aanwijzing te zijn dat de curator en/of schuldeisers de bestuurders aansprakelijk willen stellen. Zoals besproken bij punt 3.6-3.8 dient het faillissementsverhoor er echter niet toe om bewijsmateriaal te verkrijgen ten behoeve van een aansprakelijkheidsprocedure. Veelzeggend is in dit verband dat de betrokken schuldeisers aangeven een
getuigenverhoor te willen.
eerste subonderdeel(verzoekschrift punt 2.3) wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de stelling dat het de rechter-commissaris niet toegestaan is om af te wijken van de eerdere beschikking om definitief af te zien van een faillissementsverhoor dan wel van de toezegging dat de vragen schriftelijk aan [verzoeker 1] en/of [verzoeker 2] zouden worden voorgelegd. De beschikking van de rechtbank is daarom onvoldoende gemotiveerd, althans in strijd met art. 24 Rv Pro (verzoekschrift punt 2.3). Het
tweede subonderdeel(verzoekschrift punt 2.4) stelt dat indien in de beschikking impliciet het oordeel besloten ligt dat de rechter-commissaris in dit geval zonder enige toelichting mag terugkomen van zijn eerdere beslissing, dit rechtens onjuist is. De beschikking om af te zien van een faillissementsverhoor is onherroepelijk en heeft gezag van gewijsde. Bovendien handelt de rechter-commissaris in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel door van de eerdere beslissing terug te komen. Als de rechter-commissaris al zou kunnen terugkomen van een eerdere beslissing, dan mag daar tenminste de eis aan worden gesteld dat die beslissing afdoende is gemotiveerd. Daar is echter geen sprake van.
indiensprake is van nieuwe informatie, het de rechter-commissaris vrij staat om alsnog een faillissementsverhoor te gelasten. Nu van de rechter-commissaris echter niet gevergd kan worden dat hij dergelijke informatie van te voren deelt met [verzoekers], moet het verhoor worden afgewacht en kan de rechtbank de rechter-commissaris niet vooraf verbieden om [verzoekers] op te roepen voor een faillissementsverhoor. Een nadere motivering van de beslissing om hen op te roepen voor een faillissementsverhoor is dan ook niet nodig, zo is kennelijk de gedachte.
enigemotivering had moeten worden voorzien, al was het maar door aan te geven dat sprake is van nieuwe informatie. Ik merk op dat - anders dan uit de bestreden beschikking zou kunnen worden afgeleid - de rechter-commissaris níet heeft gezegd dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. De rechter-commissaris volstaat in zijn beschikking van 14 januari 2016 immers met de mededeling
dat indien de curator de rechter-commissaris verzoekt, dan wel de rechter-commissaris dat dienstig vindt om ten behoeve van het verkrijgen van nadere inlichtingen de gefailleerde, bestuurders of getuigen te horen, dan is dat een feit en niet iets dat externe verantwoording behoeft(zie feitenweergave onder punt 1.9). Ook overigens blijkt niet dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
nooitvan een motivering behoeft te worden voorzien. De elementaire beginselen van procesrecht blijven ook hier gewoon van toepassing. [47] Dit brengt mee dat indien daar aanleiding voor is, zoals in het onderhavige geval (vijf en een half jaar na het faillissement, na jaren van gesteggel tussen curator en bestuurders van de gefailleerde én een regeling voor finale kwijting), de rechter-commissaris wel degelijk dient te motiveren, hoe summier ook, waarom een faillissementsverhoor dient plaats te vinden. In ieder geval zou de
rechtbankwanneer haar in zo'n geval een beschikking ex art. 66 Fw Pro wordt voorgelegd, zorgvuldig moeten motiveren waarom een faillissementsverhoor aangewezen is.