ECLI:NL:HR:2006:AX8295
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter-commissaris en rechten bank bij getuigenverhoor in faillissement
In deze zaak staat centraal het geschil tussen een curator en een bank over het recht van de bank om een getuigenverhoor bij te wonen dat de rechter-commissaris op grond van artikel 66 Faillissementswet Pro heeft bevolen in het faillissement van Ebcon Holding N.V. De bank verzocht de rechter-commissaris om het verhoor openbaar te laten plaatsvinden en om alle rechten toe te kennen die zij bij een voorlopig getuigenverhoor zou hebben, maar dit verzoek werd afgewezen.
De rechtbank vernietigde deels de beslissing van de rechter-commissaris en bepaalde dat het verhoor openbaar moest zijn, maar de Hoge Raad vernietigt deze beslissing en bekrachtigt de oorspronkelijke beschikking van de rechter-commissaris. De Hoge Raad stelt vast dat alle beslissingen van de rechter-commissaris op grond van artikel 66 Faillissementswet Pro, met uitzondering van preparatoire maatregelen, als beschikkingen in de zin van artikel 67 Faillissementswet Pro gelden en dat de bank als belanghebbende ontvankelijk is in het hoger beroep.
De Hoge Raad benadrukt dat het getuigenverhoor op grond van artikel 66 Faillissementswet Pro een specifiek instrument is voor de curator en de rechter-commissaris om op efficiënte wijze feiten omtrent het faillissement te onderzoeken, zonder dat het een procedure op tegenspraak is. Daarom gelden de regels voor een voorlopig getuigenverhoor uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van overeenkomstige toepassing, en is er geen sprake van een wederpartij die dezelfde procesrechten heeft. Ook het recht op een openbare terechtzitting is niet van toepassing, en de rechter-commissaris kan naar eigen inzicht derden toelaten.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep van de bank af en veroordeelt haar in de proceskosten, terwijl het incidentele cassatieberoep van de curator wordt toegewezen. Hiermee wordt bevestigd dat het getuigenverhoor achter gesloten deuren kan plaatsvinden en dat de bank niet dezelfde rechten toekomen als bij een voorlopig getuigenverhoor.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het getuigenverhoor op grond van art. 66 Faillissementswet achter gesloten deuren kan plaatsvinden en dat de bank niet dezelfde rechten toekomen als bij een voorlopig getuigenverhoor.