Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
M.A. v Finland), (iv) het EU-Handvest van de Grondrechten niet van toepassing is omdat het om een volledig interne situatie gaat zonder enig aanknopingspunt met Unierecht, laat staan dat Nederland in deze zaak het Unierecht tot uitvoering zou brengen in de zin van art. 51 Handvest Pro (onder meer HvJ EU
Åkerberg Fransson), (v) het EU-burgerschap op zichzelf onvoldoende aanknopingspunt met EU-recht vormt om het EU-Handvest te activeren, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen waar de belanghebbenden niet onder vallen (onder meer HvJ EU
Ruiz Zambrano) en (vi) het middel ten onrechte veronderstelt dat ter zake van het eigendomsgrondrecht onvoldoende toegang tot de rechter of onvoldoende rechtsbescherming zou bestaan. De vraag is of de Hoge Raad onder deze omstandigheden een cassatiemiddel zoals middel I, waarin gespecificeerde vragen aan het HvJ EU worden voorgesteld, kan verwerpen met enkel verwijzing naar art. 80a RO of art. 81 RO Pro.
Ullens de Schooten,
Vergauwen/België, Stichting mothers of Srebrenicaen
Dhahbivolgt dat een verwijzingsplichtige nationale rechter, indien hij een verzoek om prejudiciële verwijzing passeert, moet doen blijken dat het passeren van dat verzoek niet ‘arbitrary’ is geschied. Er volgt meer specifiek uit dat:
Mothers of Srebrenica), of reeds
éclairéis (in dat geval lijkt
Dhahbite impliceren dat de desbetreffende rechtspraak van het HvJ EU genoemd moet worden), c.q. waarom geen redelijke twijfel mogelijk is over de uitlegging van het EU-recht (
acte clair).
Hansen, dat mijns inziens niet relevant is omdat het noch over verzoeken om prejudiële verwijzing gaat, laat staan gedocumenteerde verzoeken zoals in
Dhahbi, noch over verwijzingsplichtige rechters.
Cilfit-grond aan te wijzen en summier te verklaren (bij
acte éclairénaar die
acteverwijzen en bij irrelevantie de reden waaróm de opgeworpen vraag irrelevant is). Blote verwijzing naar art. 91(2) Vw 2000, art. 80a of 81 Wet RO voldoet daar niet aan. Uit de EHRM-zaak
Çelik, hoewel geen verzoek om prejudiciële verwijzing betreffend, kan mijns inziens wel worden afgeleid dat als het parket in een conclusie heeft gemotiveerd waarom prejudiciële verwijzing niet zinvol is en de verzoeker daarop heeft kunnen reageren, u kunt volstaan met de chablone-afdoening van de artt. 80a en 81 Wet RO.
Çelik,
Ullens de Schooten, Vergauwenen
Dhahbi, dat een verwijzingsplichtige nationale rechter, in een zaak waarin (een van) de partijen hem uitdrukkelijk heeft verzocht om prejudicieel vragen over de uitleg van EU-recht te verwijzen, maar zulke vragen zijns inziens geen zin hebben, in verband met noodzakelijke werklastbeheersing dat verzoek ongemotiveerd passeert dan wel alle klachten in die zaak ineens vereenvoudigd afdoet met de 80a RO-formule of de 81 RO-formule;
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Beoordeling van middel I (motiveringsklacht over beroep op grondrechten)
M.A. v Finland [7] , HR BNB 1997/211, [8] HR BNB 2005/227 [9] en HR BNB 2009/238 [10] ),
Åkerberg Fransson, [11] Giuseppa Romeo, [12] Siragusa, [13] Pelckmans Turnhout, [14] Julian Hernández, [15] en
Liivimaa Lihaveis MTÜ [16] ),
Ruiz Zambrano, [17] McCarthy, [18] Dereçi [19] en
Ymeraga [20] ) en
5.Verkorte afdoening ex de artt. 80a en 81 Wet RO
Art. 6(1) EVRM (fair hearing) en de motivering van een verwerping of niet-ontvankelijkverklaring van een cassatieberoep
Van de Hurk/Nederland [35] overwoog het EHRM dat de rechter krachtens die bepaling gehouden is zijn beslissingen te motiveren, maar dat niet op ieder argument een gedetailleerd antwoord is vereist (r.o. 61). De omvang van de motiveringsplicht kan verschillen naar gelang de aard van de beslissing en moet in het licht van de omstandigheden van het geval worden bepaald. [36]
Helle/Finland [37] zag het EHRM geen schending van art. 6(1) EVRM in het bekrachtigen, in hoger beroep, van de motivering van de lagere rechter, mits de hoger beroepsrechter blijk geeft van ‘a fresh and considered approach to the submissions before it’:
Kok/Nederland [38] verwierp het EHRM een klacht over schending van art. 6 EVRM Pro van een verdachte wiens cassatieberoep door uw strafkamer met gedeeltelijke toepassing van (thans) art. 81 Wet Pro RO was verworpen:
Bachowski/Polen [40] achtte het EHRM bij niet-ontvankelijkverklaring van een cassatieberoep wegens ‘no prospects of success’ geen verdere motivering vereist:
Çelik/Nederland [41] betrof de vraag of uw strafkamer art. 6(1) EVRM had geschonden door toepassing van art. 80a Wet RO. De verzoeker tot cassatie had alleen geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat het gerechtshof het dossier en zijn uitspraak niet binnen acht maanden na het instellen van cassatie naar uw strafkamer had gezonden (bij het instellen van het cassatieberoep had de verdachte geen gronden aangevoerd; dat verzuim hoefde hij pas te herstellen nadat het gerechtshof het dossier en de volledige uitspraak in hoger beroep zou hebben ingestuurd). Ook als het EVRM niet dwingt tot het instellen van een hoger beroep of cassatie-instantie, zijn de Staten verplicht, áls zij zo’n vervolginstantie niettemin instellen, die instantie aan de eisen van art. 6 EVRM Pro te laten voldoen, waarvan het recht op een beslissing binnen een redelijke termijn een belangrijk onderdeel is. Tegelijkertijd echter heeft een Staat de bevoegdheid en de plicht te voorkomen dat zijn (strafrechtelijke) systeem verstopt raakt door kansloze beroepen:
significant disadvantagewas volgens het EHRM in de zaak
Çelikgeen sprake omdat Çelik in cassatie niet had geklaagd over het oordeel van het gerechtshof of enig voorafgaand onderdeel van de strafprocedure. Over de vraag of de kwestie van de redelijke termijn in cassatie naar behoren was behandeld door een nationaal gerecht, overwoog het EHRM dat de P-G schriftelijk had geconcludeerd over de aangevoerde rechtsklacht en dat de klager de mogelijkheid had gebruikt om te reageren op de conclusie van het parket:
NJ2015/140 bij HR 3 februari 2015, nr. 13/04605) meent dat een zaak bij toepassing van art. 80a Wet RO in cassatie ook voldoende is beoordeeld als door het parket niet is geconcludeerd:
Çelik/Nederlandgeen
significant disadvantagevoor de klager zag, lijkt vooral te steunen op het gegeven dat in cassatie alleen over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase was geklaagd. De zaak werpt daarom mijns inziens geen licht op de vraag hoe het oordeel van het EHRM zou hebben geluid als wél middelen waren ingediend met klachten over de Hofuitspraak of andere aspecten van de strafprocedure vóór de cassatiefase en deze waren afgedaan met art. 80a Wet RO, al dan niet na een inhoudelijke conclusie van het parket. Dat het EHRM betekenis hechtte aan de conclusie vloeit mijns inziens voort uit het gegeven dat het EHRM altijd de
procedure as a wholebeoordeelt op de vereiste
fairness. Hoewel een conclusie c.q. gemotiveerd standpunt over art. 80a Wet RO van het parket kennelijk kan compenseren voor een chablone-motivering ex art. 80a Wet RO, meen ik met Van Kempen dat de zaak
Çelikniet noopt tot de conclusie dat de zaak onvoldoende zou zijn beoordeeld als een conclusie van het parket had ontbroken.
Hansen v Norway [42] betrof de Noorse filteringsprocedure. Het EHRM achtte art. 6(1) EVRM geschonden. Hansen kwam op tegen de weigering van de Noorse
High Courtom zijn hoger beroep in behandeling te nemen. In eerste aanleg had de
City Courtde huwelijkse voorwaarden tussen Hansen en zijn inmiddels ex-vrouw rechtsgeldig geoordeeld, en een overeenkomst inzake mede-eigendom van onroerend goed niet rechtsgeldig. Tegen deze uitspraak was Hansen niet in hoger beroep gegaan. Nadat de ex-vrouw het onroerend goed had verkocht, begon Hansen een tweede procedure voor de
City Court, omdat zijn ex zijns inziens slechts een onverdeelde helft van het onroerend goed kon overdragen. De
City Courtverwierp die stelling, verwijzende naar zijn eerdere uitspraak die inmiddels onherroepelijk was. In hoger beroep bij de
High Courtbeklaagde Hansen zich over verwarring over zijn pleidooi en verwijzingen naar de doctrine, en over de inkorting van de hoorzitting van de geplande drie dagen tot vijf uur door de
City Court. De
High Courtweigerde het hoger beroep in behandeling te nemen met de volgende motivering:
Supreme Courtklaagde Hansen over deze zijns inziens onvoldoende gemotiveerde weigering. De
Appeals Leave Committeevan de
Supreme Court
High Court. Het EHRM overwoog als volgt:
High Courtop de kern van de zaak was ingegaan op een wijze die recht deed aan zijn taak als
full jurisdictionhoger beroepsrechter, gegeven de ernstige beperking in bewijsleveringsmogelijkheden in eerste aanleg, terwijl bovendien Hansen door de vrijwel ontbrekende motivering voor de hoger-beroepsweigering zijn recht op cassatieberoep niet effectief kon uitoefenen.
Hansenlijkt mij daarmee erg gestuurd door de specifieke omstandigheden van het geval. De zaak betrof bovendien niet de chablone-motivering in cassatie, maar die bij filtering voor hoger beroep.
Hansenlijkt mij daarom de Nederlandse 80a- en 81-praktijk in cassatie op zichzelf niet in gevaar te brengen. Hoewel het Hof in r.o. 81 geen onderscheid maakte tussen filterbeslissingen door een hoger-beroepsinstantie en door een cassatie-instantie, achtte hij het in r.o. 82 van belang dat de
High Courtzijn rol als hoger-beroepsinstantie met ‘full jurisdiction’ onvoldoende had vervuld. Daarvan is in de Nederlandse rechterlijke macht geen sprake: de gewone rechterlijke procedure kent geen filter- of verlofbeslissingen voor hoger beroep met formule-afdoeningen in hoger beroep waarbij niet goed naar de feiten en de rechtskwesties van de zaak wordt gekeken. Chablone-afdoeningen ex art. 80 en Pro 81 Wet RO doen zich binnen de reguliere rechterlijke macht pas in derde (cassatie-) instantie voor, die géén
full jurisdictionheeft en niet over (bewijs van) feiten gaat (maar wel over een behoorlijke procesorde, maar daar zo nodig ook ingrijpt).
Hansenkan wel een probleem zijn voor hoger-beroepsinstanties die
full jurisdictionhebben en zaken ongemotiveerd afdoen met verwijzing naar een wettelijke formule, zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in sommige vreemdelingenzaken doet op basis van art. 91(2) Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De Afdeling acht de afdoeningspraktijk ex art. 91(2) Vw echter niet onverenigbaar met het EHRM-oordeel in de zaak
Hansen(zie 6.25 hieronder).
Hansenniet over ging.
6.Prejudiciële verwijzingsplicht van de nationale rechter in laatste instantie
De prejudiciële verwijzingsplicht en de uitzonderingen daarop
Foto Frost [43] blijkt dat ook de lagere rechter, met name de kort-gedingrechter, soms verplicht is prejudicieel vragen te verwijzen.
Cilfit [46] in de eerste plaats op gewezen dat de nationale rechter zelfstandig en, zo nodig, ambtshalve beslist over de wenselijkheid van een prejudiciële vraag en niet gebonden is aan het standpunt van de partijen over die wenselijkheid:
Cilfitvolgt ook dat niet verwezen hoeft te worden als de opgeworpen vraag voor de uitkomst van het geschil niet relevant is:
Cilfitde bekende
acte éclairéen
acte clairontwikkeld: de hoogste nationale rechter heeft geen verwijzingsplicht “wanneer de opgeworpen vraag zakelijk gelijk is aan een vraag welke reeds in een gelijksoortig geval voorwerp van een prejudiciële beslissing is geweest” (r.o. 13) [48] of “wanneer er al een vaste rechtspraak van het Hof bestaat over het punt waarop het geding betrekking heeft” (r.o. 14); evenmin hoeft hij te verwijzen als “de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident [is], dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost” (r.o. 16). Daarbij moet de nationale rechter rekening houden met “de eigen kenmerken van het gemeenschapsrecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en het gevaar van uiteenlopende rechtspraak binnen de Gemeenschap” (r.o. 21).
Cilfit-arrest, met name op de leer van de
acte clair(ik laat voetnoten weg):
Francovich [49] en
Köbler [50] bij schending van EU-recht, óók bij schending van EU-recht door de rechterlijke macht door ten onrechte geen prejudiciële vragen te stellen. In de zaak
Köblerwees het HvJ EU in het kader van staatsaansprakelijkheid voor schending van EU-recht door de hoogste nationale rechter expliciet op de verwijsplicht ex art. 267(3) VwEU:
EHRM-rechtspraak; motiveren van afzien van prejudiciële verwijzing
Bosphorus-zaak, [54] moeilijk uitlaten over de juistheid van de toepassing van de verwijsplicht door nationale rechters, omdat hij inhoudelijk de interpretatie en toepassing van nationaal recht en EU-recht niet kan beoordelen.
Ullens de Schooten en Rezabek/België [55] overwoog het EHRM (r.o. 57) dat prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU op verzoek van een procespartij geen recht is, [56] maar dat een rechterlijke weigering om prejudicieel te verwijzen onder omstandigheden wel in strijd kan komen met art. 6 EVRM Pro, onder meer wanneer die weigering niet of onvoldoende wordt gemotiveerd:
acte éclairéis of (iii)
acte clairis. In
Ullens de Schootenwas aan deze motiveringsplicht voldaan. Ullens de Schooten en Rezabek hadden in België twee procedures gevoerd, één leidende naar de
Cour de Cassation/Hof van Cassatieen de andere naar de
Conseil d’Etat/Raad van State. Beide hoogste nationale rechters hadden zij verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Beiden zagen af van verwijzing:
Cilfit-uitzonderingen, maar hadden die aanwijzing gemotiveerd met ‘comprehensive’ resp. ‘demonstrative reasoning’.
Vergauwen/België [57] herhaalde het EHRM zijn overwegingen uit
Ullens de Schooten(r.o. 89 en 90); het oordeelde vervolgens dat het
Cour Constitutionnelle/Grondwettelijk Hofin die zaak voldoende had gemotiveerd waarom geen prejudiciële vragen werden gesteld:
Cour Constitutionnelleom geen prejudiciële vragen te stellen als volgt: (i) de voorgestelde vraag lag buiten het gebied waarbinnen volgens art. 234 EG Pro-Verdrag prejudiciële vragen konden of moesten worden gesteld, c.q. (ii) de voorgestelde vragen (a) waren in casu hypothetisch of (b) berustten op een evident onjuiste lezing van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, dan wel miskenden (c) dat volgens het beginsel van loyale samenwerking en de rechtspraak van het HvJ EG de lidstaten procedurele autonomie genieten of (d) dat de aangesneden kwestie volgens de Habitatrichtlijn tot de bevoegdheid van de Commissie behoorde, die ervan op de hoogte was:
Ferreira Santos Pardal/Portugal [58] herhaalde het EHRM
Ullens de Schootenen oordeelde hij dat het Portugese
Cour suprêmemet de constatering van een
acte clairvoldoende had gemotiveerd waarom geen prejudiciële vragen waren gesteld:
Stichting mothers of Srebrenica/de Staat en de VN) over de val van de Srebrenica-enclave in 1995, was onder meer aan de orde de vraag of het gerechtshof de VN terecht immuniteit van jurisdictie had toegekend zodat de Nederlandse rechter niet bevoegd was kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting c.s. voor zover gericht tegen de VN. De Stichting had in de toelichting bij middel 8 de volgende prejudiciële vragen voorgesteld:
Stichting mothers of Srebrenica e.a./Nederland [59] ) herhaalde het EHRM opnieuw (r.o. 172)
Ullens de Schootenen overwoog het vervolgens:
Dhahbi/Italië [60] oordeelde het EHRM voor het eerst dat de weigering van een hoogste nationale rechter om prejudiciële vragen te stellen art. 6(1) EVRM schond. De Tunesiër Dhahbi woonde en werkte legaal in Italië. Hij vroeg om een
family allowancevoor zijn gezin (vrouw en vier minderjarige kinderen). De
National Social Security Agencybetaalde deze
allowanceaan gezinnen met ten minste drie minderjarige kinderen, met de Italiaanse nationaliteit en wonende in Italië, en met een jaarlijks inkomen onder een bepaalde grens (aan welke eis Dhahbi voldeed). Hoewel hij (nog) niet de Italiaanse nationaliteit bezat, meende hij recht te hebben op de
allowanceop grond van de
Euro-Mediterranean Agreement, die discriminatie tussen Tunesische werknemers en EU-burgers op grond van nationaliteit verbiedt. De rechtbank Marsala wees zijn verzoek af. In hoger beroep vroeg hij onder meer prejudiciële verwijzing inzake de vraag of het
Euro-Mediterranean Agreementin de weg stond aan weigering van de
family allowancevoor een Tunesische werknemer. Het
Palermo Court of Appealwees het beroep af:
Corte suprema di cassazionevolstond met het oordeel dat het
Euro-Mediterranean Agreementalleen
social-securityen niet
social-assistance benefitsbetrof:
Corte suprema di cassazioneals hoogste nationale rechter verplicht was om het afzien van prejudiciële vragen te motiveren en constateerde dat diens arrest geen melding maakte van Dhahbi’s onderbouwde verzoek om verwijzing, noch enige motivering bevatte voor dat afzien, noch enige verwijzing naar rechtspraak van het HvJ EU. Uit het arrest kon daarom niet worden afgeleid of het
Corte suprema di cassazionede opgeworpen vraag niet relevant achtte voor de beslissing van het geschil of een
acte clairof
acte éclairéaanwezig had geoordeeld, dan wel het verzoek simpel had genegeerd:
Corte suprema di cassazionegeen afdoening met een 80a- of 81-RO-achtige formulering inhield, maar een uitgebreid gemotiveerde verwerping, die wel degelijk inhoudelijk inging op het aan de orde gestelde
Euro-Mediterranean Agreement, maar alleen niet inging op het uitdrukkelijke en gemotiveerde verzoek om prejudiciële verwijzing.
Mothers of Srebrenica), of reeds
éclairéis (in dat geval lijkt
Dhahbite impliceren dat de desbetreffende rechtspraak van het HvJ EU genoemd moet worden), c.q. waarom geen redelijke twijfel mogelijk is over de uitlegging van het EU-recht (
acte clair).
juistheidof de overtuigingskracht van die motivering, als de partijen er maar uit kunnen opmaken om welke van de in aanmerking komende
Cilfit-gronden niet verwezen is. De nationale hoogste rechter moet dus minstens één van die vier redenen
noemen:
Ullens de Schooten“(…) They will thus be required, (…) to indicate the reasons why they have found that the question is irrelevant (…)” suggereert dat wel enige indicatie gegeven moet worden waaróm het antwoord irrelevant is voor de uitkomst);
acte éclairé, met verwijzing naar de rechtspraak waar die
éclaircissementvolgens de rechter te vinden is, of
acte clair, vermoedelijk eveneens met verwijzing naar een rechtsbron.
Dhahbigeenszins ongemotiveerd of onzinnig: het ging om een met verwijzing naar HvJ EU-rechtspraak gedocumenteerd verzoek ter zake van een evidente discriminatie naar nationaliteit, die volgens het EHRM inderdaad in strijd met het recht was, in elk geval met het EHRM.
EHRC2014/152 bij
Dhahbi) lijkt uit
Dhahbite volgen dat slechts een rechterlijke ‘uiting van bewustzijn’ van de Unierechtelijke aspecten van de zaak niet voldoende is. Uit de uitspraken van de Italiaanse rechters blijkt immers dat dezen, weliswaar impliciet maar toch, hebben gereageerd op het verzoek om prejudiciële verwijzing, maar dat de motivering om niet te verwijzen volgens het EHRM ontbreekt. Nationale rechters in laatste instantie doen er daarom volgens hen goed aan om de
Cilfit-criteria langs te lopen als zij besluiten om van prejudiciële verwijzing af te zien:
Dhahbiin AB 2015/44:
Stichting mothers of Srebrenicakan worden opgemaakt dat de motivering van de weigering ‘summary’ kan zijn als uit de behandeling van andere middelen door de nationale rechter al volgt dat prejudiciële vragen niet kunnen bijdragen aan de uitkomst. Het EHRM ging er in die zaak immers van uit (r.o. 173; zie 6.14 hierboven) dat de – uitgebreid gemotiveerde – immuniteit onder internationaal recht van de VN prejudiciële vragen zinloos maakte. Het antwoord op het verzoek kan dus impliciet in andere overwegingen staan, als de verzoeker maar (i) erkend wordt als verzoeker en (ii) minstens de boodschap meekrijgt:
irrelevantóf
acte clairóf
acte éclairé.
Nationale rechtspraak over de motivering van het afzien van prejudiciële verwijzing
Dhahbier niet toe noopt dat in een afwijzende uitspraak met toepassing van art. 91(2) Vw het verzoek om prejudiciële verwijzing moet worden vermeld, noch dat moet worden gemotiveerd waarom dat verzoek is afgewezen. Door de vreemdelingen was in die zaak betoogd:
Maaouia/Frankrijk [64] volgt dat beslissingen over binnenkomst, verblijf en uitzetting van vreemdelingen niet onder art. 6 EVRM Pro vallen. Zoals de Afdeling echter in haar uitspraak van 5 maart 2015 overwoog:
Higgins e.a./Frankrijk [66] ,
Hiro Balani/Spanje [67] ,
Ullens de Schootenen
Dhahbivolgt volgens de Afdeling
FED2015/51) betwijfelt de juistheid van de uitspraak van de Afdeling. Hij wijst er op dat
Hansengeen weigering van prejudiciële verwijzing betrof. Die weigering moet volgens hem ook na
Hansennog steeds worden gemotiveerd aan de hand van de
Cilfit-criteria:
EHRC2014/152 bij
Dhahbi) constateren (zie 6.7) dat het HvJ EU tot op heden niet expliciet heeft aangestuurd op een motiveringsplicht onder het EU-recht. Het zou volgens hen wel wenselijk zijn als na het EHRM ook het HvJ EU zich zou uitlaten over de inrichting van de prejudiciële verwijzingsprocedure:
7.Analyse
Moosbrugger/Oostenrijk, [70] die leren dat weigering art. 6(1) EVRM niet schendt als de verzoeker zelf onvoldoende relevante argumenten aandraagt om de zin van het stellen van een prejudiciële vraag aannemelijk te maken. Het EHRM overwoog in die zaak:
Moosbruggerlijkt te volgen dat als het verzoek gepasseerd wordt omdat de klager niets relevants te berde bracht, minstens dát gezegd moet worden. Maar het gaat vooral om de gemotiveerde verzoeken, zoals in de zaken
Ullens de Schooten,
Vergauwenen
Dhahbi, waarbij volgens het EHRM de serieuze verzoeker niet in het duister gelaten kan worden of de verwijzingsplichtige rechter zijn verzoek en argumentatie (serieus) beoordeeld of zelfs maar gelezen heeft.
Hansen-arrest van het EHRM. Dat arrest is echter niet relevant omdat die zaak geen verzoek om prejudiciële vragen aan het HvJ EU betrof, laat staan een gemotiveerd of gedocumenteerd verzoek, zoals in
Dhahbi.
Hansenging bovendien niet over een verwijzingsplichtige rechter, zodat een verwijs- of motiveerplicht hoe dan ook niet aan de orde zou zijn geweest als wél EU-recht aan de orde gesteld was.
Hansenbetrof bovendien een filterprocedure in hoger beroep, die in Nederland binnen de gewone rechterlijke macht niet bestaat; het gaat bij de strafkamer en bij uw kamer om de cassatieprocedure ná twee hun jurisdictie volledig uitoefenende feitelijke instanties. Van de rechtszoekende kan mijns inziens overigens, anders dan de Afdeling meent (r.o. 1.7; zie 6.25), niet verwacht worden dat hij in een kale verwijzing naar art. 91(2) Vw de “vaststelling” leest “dat geen vragen aan de orde zijn die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven”. Dat staat immers niet in die bepaling. De wetgever ging er weliswaar van uit dat die verwijzing mede die gronden omvatte (en nog enige andere), [71] maar juist omdat die verwijzing alles en niets kan betekenen, laat zij de rechtzoekende in het duister, terwijl vaste rechtspraak van het EHRM inhoudt dat [72]
Cilfit-gronden de reden voor weigering vormt en waarom.
Cilfit-grond aan te wijzen en summier te verklaren (bijv. bij
acte éclairénaar die
acteverwijzen en bij irrelevantie de reden waaróm de opgeworpen vraag irrelevant is). Blote verwijzing naar art. 91(2) Vw 2000, art. 80a of 81 Wet RO voldoet daar niet aan, althans niet als het verzoek om prejudiciële verwijzing zelf niet geheel ongemotiveerd of manifest zinloos is.
EHRC2014/152) leiden uit
Dhahbiaf dat een prejudiciële beslissing van zulk belang kan zijn voor de rechtzoekende en het EU-recht, dat motivering is geboden als de nationale rechter niet verwijst:
Çelik/Nederland(zie 5.15), die echter niet over prejudiciële verwijzing ging, afgeleid te kunnen worden dat als het parket heeft geconcludeerd en in zijn conclusie heeft gemotiveerd waarom prejudiciële verwijzing niet zinvol is en de verzoeker daarop heeft kunnen reageren, u kunt volstaan met de chablone-afdoening van de artt. 80a en 81 Wet RO.
FED2015/51) ziet overigens niet in, ook niet als de Afdeling het wél bij het rechte eind heeft, waarom u bij een weigering om prejudiciële vragen te stellen zou volstaan met een formule, nu het tijdrovende voorwerk dan al is gedaan, zodat het nauwelijks tijd zal kosten om summier de reden van weigering aan te geven:
niet-verwezen zaken. De rechtspraak van het EHRM geeft echter, zoals bleek, ampel aanleiding om te betwijfelen of cassatieberoepen waarin uitdrukkelijk, minstens enigszins gemotiveerd en uitsluitend rechtskundig om prejudiciële verwijzing is verzocht, ongemotiveerd verworpen kunnen worden met verwijzing naar art. 80a of 81 Wet RO. Ik meen daarom dat er aanleiding bestaat om het HvJ EU in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de eisen, te stellen aan (i) de (mate van) motivering of documentatie van het verzoek van (een van) de partijen en aan (ii) de (mate van) motivering door de hoogste nationale rechter die een dergelijk verzoek passeert.
Stichting mothers of Srebrenicaaan de ambitieuze kant vindt, c.q. aan de motivering door de verzoeker te stellen eisen op prijs zou stellen.
8.Zaakmanagement
copy/pastevan onderdeel 4 hierboven (daarmee is immers hoe dan ook met vlag en wimpel aan de
Dhahbi-rechtspraak voldaan); middel II zoals u zult vermenen te behoren.
9.Conclusie
Çelik,
Ullens de Schooten, Vergauwenen
Dhahbi, dat een nationale rechter tegen wiens oordelen geen nationale rechtsmiddelen open staan, in een zaak waarin (een van) de partijen hem uitdrukkelijk heeft verzocht om prejudicieel vragen over de uitleg van EU-recht te verwijzen, maar zulke vragen zijns inziens geen zin hebben, in verband met noodzakelijke werklastbeheersing dat verzoek ongemotiveerd passeert dan wel alle klachten in die zaak ineens vereenvoudigd afdoet met slechts één van de volgende wettelijke formules: