ECLI:NL:HR:2015:96

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2015
Publicatiedatum
20 januari 2015
Zaaknummer
13/04605
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 439 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende belang en toepassing art. 80a RO

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep was gericht tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten onvoldoende belang hebben of niet tot cassatie kunnen leiden.

De zaak bevat tevens een belangrijke conclusie over de werkwijze van het Parket met betrekking tot artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De Hoge Raad bevestigt dat het Parket mag afzien van het innemen van een schriftelijk standpunt over de toepassing van art. 80a RO, zonder dat dit in strijd is met het voorschrift van art. 439 Sv Pro.

De Hoge Raad verduidelijkt dat wanneer het Parket afziet van een schriftelijke conclusie over art. 80a RO, er geen plaats is voor schriftelijk commentaar op die conclusie. Indien de Hoge Raad oordeelt dat art. 80a RO niet van toepassing is, zal het Parket op een daarvoor bepaalde rechtsdag wel een schriftelijke conclusie nemen, waarop schriftelijk commentaar mogelijk is.

De uitspraak bevestigt de veranderde praktijk van het Parket en biedt duidelijkheid over de procedurele omgang met art. 80a RO in cassatiezaken.

De uitspraak werd gewezen door vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president A.J.A. van Dorst en uitgesproken op 3 februari 2015.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en niet-geschiktheid van de klachten voor cassatie.

Uitspraak

3 februari 2015
Strafkamer
nr. 13/04605
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 september 2013, nummer 20/000276-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal J.W. Fokkens heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Aan de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep voorafgaande beschouwing
2.1.
De Hoge Raad heeft kennisgenomen van de in de conclusie van de Procureur-Generaal verwoorde zienswijze omtrent de door het Parket voorgestane verandering in de tot nu toe door het Parket in de praktijk gevolgde werkwijze met betrekking tot het innemen van - schriftelijke - standpunten strekkende tot toepassing van art. 80a RO. Deze wijziging komt erop neer dat het Parket op termijn, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, zal gaan afzien van het geven van een standpunt over toepassing van art. 80a RO.
2.2.
Tekst noch strekking van art. 80a RO verzet zich ertegen dat het Parket afziet van het innemen van een standpunt over toepassing van deze bepaling. Het voorschrift van art. 439, eerste lid, Sv dat de Procureur-Generaal een op schrift gestelde conclusie neemt, staat daaraan niet in de weg, aangezien deze bepaling het oog heeft op andere gevallen dan de in art. 80a RO bedoelde.
2.3.1.
In zijn arresten van 11 september 2012 [1] heeft de Hoge Raad (in rov. 2.6.3) voor de situatie waarin de Procureur-Generaal zijn standpunt over de toepasselijkheid van art. 80a RO kenbaar maakt op een door de rolraadsheer bepaalde rechtsdag en schriftelijk blijk geeft van zijn standpunt dat art. 80a RO voor toepassing in aanmerking komt, geoordeeld dat alsdan de raadsman van degene door of namens wie het beroep is ingesteld, binnen twee weken nadien schriftelijk kan reageren op dat standpunt.
2.3.2.
Wanneer de Procureur-Generaal afziet van het innemen van een standpunt over toepassing van art. 80a RO dan wel op de daarvoor bepaalde rechtsdag mondeling het standpunt inneemt dat art. 80a RO kan worden toegepast - en dus niet een op schrift gestelde conclusie neemt waarvan ingevolge art. 439, derde lid, Sv een afschrift aan de raadsman wordt toegezonden -, is voor schriftelijk commentaar op de conclusie als bedoeld in art. 439, vijfde lid, Sv, geen plaats.
In het geval dat de Hoge Raad van oordeel is dat de zaak zich niet leent voor toepassing van art. 80a RO zal de Procureur-Generaal op een daartoe bepaalde rechtsdag zijn op schrift gestelde conclusie nemen en zal de raadsman van de verdachte dan wel de advocaat van de benadeelde partij zijn schriftelijk commentaar aan de Hoge Raad kunnen doen toekomen.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, de vice-president W.A.M. van Schendel, de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 februari 2015.

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, ECLI:NL:HR:2012:BX0129, NJ 2013/242, ECLI:NL:HR:2012:BX7004, NJ 2013/243, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244,ECLI:NL:HR:2013:BY9128, NJ 2013/245.