Conclusie
eerste middelklaagt dat het arrest van het Hof ten onrechte niet het tenlastegelegde bevat. Het
tweede middel, het
derde middelen het
vierde middelkeren zich in verschillende bewoordingen tegen ’s Hofs bewijsvoering. Ten onrechte zouden in het arrest van het Hof geen bewijsmiddelen zijn opgenomen, terwijl evenmin sprake is van een (tijdige) aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv.
vijfde middel, waarover aanmerkelijk meer te zeggen is. Het klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu deze, voor zover inhoudende dat verzoeker “tezamen en in vereniging met een ander of anderen” met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een hoeveelheid geld heeft weggenomen, niet kan worden afgeleid uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering.
“4.3Het oordeel van de rechtbank
Onderzoek 09Doega11
Modus Operandi
Beeldherkenning
herkent, in beginsel dan ook als betrouwbaar. Daar waar door de verdediging een concreet en specifiek verweer ten aanzien van een herkenning is gevoerd zal de rechtbank daar bij het desbetreffende feit nader op in gaan.
9.Delftplus
“Nadere bewijsoverweging
3. Aan de beoordeling van het middel voorafgaande beschouwing