Conclusie
De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen (HR 30 oktober 2001, LJN AB3143). De uitlating moet daarnaast over een groep mensen of haar kenmerk gaan. De tweede toets betreft de vraag of een uitlating in een bepaalde context is gedaan en zo ja in welke. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de context waarin een uitlating is gedaan het beledigend karakter van de uitlating weg kan nemen, indien de uitlating een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of als de uitlating onder de bescherming van artistieke expressie valt. De reikwijdte van die context wordt gevormd door verdachtes recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van Pro het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De derde toets betreft de beoordeling of de beledigende uitlating, die een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat of een geloofsopvatting of indien deze uitlating onder bescherming van de artistieke expressie valt, niettemin toch onnodig grievend is.
Ten aanzien van de eerste toets heeft de rechtbank in de zaak van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] onder meer overwogen:
Door verdachte is de volgende uitlating gedaan “Ali B en Mustapha, ga toch terug naar Ankara”. De rechtbank oordeelt dat deze uitlating zich richt tot personen die niet blank zijn. Ali B en Mustapha worden hier als representanten van deze groep gebruikt. Met deze uitspraak wordt, mede door de context, duidelijk gemaakt dat personen van niet-Nederlandse afkomst, waaronder meer specifiek personen van Turkse en/of Marokkaanse afkomst, niet welkom zijn. Hun eigenwaarde wordt aangetast en zij worden om hun ras in diskrediet gebracht hetgeen beledigend is.
eerstemiddel ten eerste, onder verwijzing naar de inhoud van de in hoger beroep overgelegde pleitnota over de motivering van het oordeel van het Hof dat de tenlastegelegde uitlating ‘Ali B en Mustapha, ga toch terug naar Ankara’, die is gedaan tijdens een demonstratie die in het kader van het maatschappelijk debat over de wenselijkheid van een totale immigratiestop werd gehouden, als beledigend valt aan te merken voor een groep personen. Uit deze context valt, aldus de toelichting op het middel, af te leiden dat de vermeende groep mensen niet welkom is in Nederland omdat zij immigranten zijn. De steller van het middel verduidelijkt zijn klacht door toe te voegen, dat in de omstreden uitlating aan de bedoelde groep mensen geen negatieve eigenschappen worden toegedicht: De demonstratie was immers gericht op een immigratiestop en de uitlating was daarmee ook gericht tegen immigranten en niet tegen het ras van mensen.
tweedemiddel is gericht tegen het bewezenverklaarde in de zin van art. 137d Sr. Opmerking verdient dat aangezien – naar mijn mening – het cassatieberoep voor zover zich dat richt tegen art. 137c Sr moet worden verworpen en het bewezenverklaarde in de zin van art. 137d Sr daar eendaadse samenloop mee oplevert, de verdachte geen (evident) belang heeft bij bespreking van het tweede middel en dat belang evenmin in de schriftuur voldoende is aangegeven. Voorzover daarin is gesteld dat de verdachte belang heeft bij een nieuwe feitelijke behandeling is dat een onvoldoende specificatie van het belang bij cassatie. Volledigheidshalve bespreek ik het middel niettemin kort. Onder verwijzing naar de onderdelen 27 t/m 32 van het pleidooi in appel waar namens de verdachte is betoogd, dat aanzetten tot discriminatie door de verdachte niet bewezen kan worden klaagt het middel, dat ’s Hofs oordeel op dit punt onbegrijpelijk is nu de bewezenverklaarde uitlating op zichzelf niet aanzet tot discriminatie en de context waarin zij is gedaan dit niet anders maakt.