Conclusie
als verklaring van voornoemde verbalisant (blz. 154 tot en met 156, ordner 1):
Op 10 juli 2012 omstreeks 07.10 uur was ik samen met collega [verbalisant 3] op weg naar Zuidlaren. Op dat tijdstip werd collega [verbalisant 3] gebeld op zijn diensttelefoon. De chef van dienst deelde mede dat er een schietincident had plaatsgevonden op/aan de Langestraat te Marum. Wij hebben ons dienstvoertuig onmiddellijk gekeerd en zijn naar Marum gereden.
Kort nadat ik daar ter plaatse was hoorde ik de MMT arts J.P. Valk zeggen dat er geen levensteken meer was en dat de patiënt was overleden.
Omstreeks 08:00 uur stond ik bij de afzetting van de Langestraat met de Sportlaan. Aldaar meldde zich een vrouwspersoon die verklaarde dat het dodelijke slachtoffer waarschijnlijk haar partner betrof. Zij had inmiddels gehoord dat de persoon die daar in de berm lag overleden was. In overleg ben ik vervolgens met de vermoedelijke partner van het dodelijke slachtoffer naar haar woning te Marum gegaan. In de woning aangekomen heb ik direct gevraagd of ik in het bezit kon komen van een foto waarop haar partner stond afgebeeld. Ik kreeg een foto van haar waarop zij met haar partner stond afgebeeld. Ik heb haar vervolgens meegedeeld dat ik er zeker van was dat de manspersoon van de foto, de persoon is die dodelijk gewond lag in de berm. Zij deelde mij mede dat haar partner is: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1972.
als verklaring van voornoemde deskundigen (bijlage 1.9, ordner Bijlage AV):
Naam: [slachtoffer]
Geboren: [geboortedatum] 1972
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] wordt het intreden van de dood zonder meer verklaard door verwikkelingen van uitwendig mechanisch perforerend geweld passend bij 1 doorschot door de borstkas.
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2491 tot en met 2495, ordner 8):
[verdachte] kwam bij mij aan met deze moord. Hij had een klus. Ik heb die man doodgeschoten daar. Bij het zwembad. [verdachte] had een auto zien staan in Wezep. Het was een Chrysler Voyager met Gensing stickers. De sleutels zaten in de auto. Ik heb deze auto op een camping neergezet.
zou € 30.000,- ontvangen voor de moord en ik € 15.000,- met aftrek van de kosten. Ik had informatie. Ik had een foto waarop het slachtoffer op de motor zat. Ik ben een paar keer door Marum gereden. [verdachte] heeft mij uitgelegd waar het slachtoffer woonde. Ik was alleen met [verdachte] . Ik reed in die Voyager. Vanaf de camping in Meppel reed ik naar Marum. Ik ben met [verdachte] in Wezep geweest, bij [A] . Daar stond die Voyager. Het hek stond open. [verdachte] was die dag al bij [A] geweest. Ik wist dat die auto gebruikt zou worden voor de liquidatie van die man.
Ik was al eerder in Marum geweest, maar het liep niet zoals het moest. [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) zou volgens [verdachte] een BMW hebben. [verdachte] had zijn voorwerk gedaan.
Ik ben op de dag van het schietincident met [verdachte] naar Marum gereden. We waren met twee Volvo’s V70. De Voyager stond toen op een carpoolplek (het hof leest : parkeerplaats). Ik heb mijn Volvo bij Frieschepalen neergezet en ben toen bij [verdachte] ingestapt. We zijn toen naar de Voyager gegaan. De beide Volvo’s zijn van [verdachte] .
De ene is groen en de andere zwart. Ik reed in de zwarte Volvo, [verdachte] in de groene. Waar die auto is uitgebrand, van daar ben ik met [verdachte] in de auto naar de Volvo op de carpoolplaats gegaan.
Ik heb op de dag van het schietincident een half uur in de bosjes gezeten. Ik had twee vuurwapens bij me. Ik herkende het slachtoffer van de foto. Ik stapte uit de bosjes. Ik schoot en hij fietste mij voorbij. Ik richtte met het laatste schot op hem. Ik heb hem in de romp geraakt. Ik hoorde een kreet van hem en toen ben ik in de auto weggegaan. Ik ben naar de parkeerplaats gereden waar die auto (het hof begrijpt: de Voyager) in de brand is gestoken. Ik had die parkeerplaats van tevoren bekeken. Ik wist waar ik heen moest. [verdachte] was vlakbij die parkeerplaats. Ik reed [verdachte] voorbij en [verdachte] reed achter mij aan. Ik stak de auto (het hof begrijpt: de Voyager) in de fik. De jerrycan met benzine stond er al. Ik had de plek zelf uitgezocht.
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2498 tot en met 2502, ordner 8):
Met [verdachte] bedoel ik [verdachte] . Na vijf dagen tot een week na de moord kwam [verdachte] bij mij langs en gaf mij toen het geld. [verdachte] bracht mij het geld (€ 14.000,- en volgens mij € 700,-) bij mij thuis.
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2510 tot en met 2518, ordner 8):
[verdachtes] groene Volvo is volgens mij een automaat. Die staat volgens mij bij een huisje van [verdachte] ergens in Zwolle.
Bij het in de brand steken van de Chrysler heb ik in de fik gestaan en mijn gezicht verbrand. Het doel van het tanken was dat de Voyager in de brand moest worden gestoken. Dit was het idee van [verdachte] . [verdachte] heeft deze jerrycan zelf gekocht en deze stond al in de auto.
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2523 tot en met 2532, ordner 8):
[verdachte] heeft mij de foto van het slachtoffer gegeven. De eerste keer dat ik hem zag was het slachtoffer op dezelfde plaats waar ik hem later heb doodgeschoten. [verdachte] heeft mij informatie over het uiterlijk van het slachtoffer op een papiertje aangeleverd. [verdachte] is met de klus, de informatie en foto bij mij aan gekomen. Ik heb daarover alleen met [verdachte] contact gehad.
Ik ben ongeveer drie weken tot een maand voor de moord voor het eerst in Marum geweest. Ik ben daar gekomen met [verdachte] in de auto. De eerste keer dat we in Marum waren, liet [verdachte] mij zien waar het slachtoffer woonde. De plaats waar het moest gebeuren, liet [verdachte] mij ook zien. Dat was het terrein waar ik de auto heb neergezet. Dat heeft [verdachte] mij toen laten zien. Ook het zwembad en de bosjes. Dat was de plaats waar ik op 10 juli 2012 het slachtoffer heb neergeschoten. Volgens [verdachte] was dit de juiste plek waar het moest gebeuren. Ik ben totaal drie of vier keer in Marum geweest. [verdachte] was daar steeds bij. De eerste keer dat ik in Marum kwam, hadden we de wapens niet bij ons. Daar is [verdachte] later mee bij mij thuis gekomen.
Toen die auto is gestolen (het hof begrijpt: de Voyager, feit 2), moest ik van [verdachte] op hem wachten bij een benzinepomp. Dat heb ik gedaan tot [verdachte] met zijn Volvo kwam aanrijden.
Na de moord wilde ik direct naar huis vanwege mijn brandblaren. [verdachte] wilde dat niet hebben en zei dat ik eerst de achtergelaten sporen moest vernietigen.
Ik moest van [verdachte] aan de waterkant bij Kampen de wapens in een zak met snel cement of -beton doen. Alles moest weg van [verdachte] . In Kampen kreeg ik van [verdachte] dat cement/beton en een emmer erbij waarin ik de wapens moest gieten. De kleding moest ook weg van [verdachte] .
Ik ben met de rode Peugeot van [verdachte] naar huis gereden en heb deze neergezet op de parkeerplaats nabij mijn woning. Even later kwam [verdachte] bij mij thuis en zei dat de gedragen kleding ook weg moest. De kleding heb ik toen in de container gegooid.
Mijn dochter was er toen en heeft gezien dat mijn gezicht was verbrand. Ook [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) heeft gezien dat mijn gezicht verbrand was. Ze schrok er wel van.
[verdachte] en ik hadden van tevoren afgesproken dat de auto (het hof begrijpt: de Voyager) in de brand moest.
heeft me de opdracht gegeven het slachtoffer door het hoofd te schieten, maar dat kon ik niet.
als verklaring van voornoemde verbalisanten en [betrokkene 1] (blz. 2536 tot en met 2543. ordner 8):
A = antwoord van de verdachte
We zijn linksaf de Kloosterweg op gereden en zijn terechtgekomen bij de parkeerplaats Trimunt, de plaats waar de Voyager in brand is gestoken.
A: Daar is die parkeerplaats.
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2596 tot en met 2610, ordner 81):
Ik ken [verdachte] ik geloof sinds 2008. Op een gegeven ogenblik zag ik hem als mijn broer. [verdachte] kwam altijd bij mij langs. Dit was na het incident (het hof begrijpt: de moord op 10 juli 2012) en voordat ik mij ging melden bij de politie op die zondag (het hof begrijpt: zondag 26 augustus 2012). Wanneer ik voor [verdachte] chauffeerde dan kreeg ik daar niet voor betaald. Ik deed dit meer als broeder- of vriendendienst.
De eerste keer dat we in Marum zijn geweest, was in de Audi. Toen hebben we een fiets gestolen en neergezet bij een tunneltje. Later bleek dat de fiets weg was. Toen zijn we weer bij het slachtoffer door de straat gereden. [verdachte] zei dat ik het ook bij de voordeur mocht doen.
De aanslag was eerder al eens mislukt. Het slachtoffer was toen al voorbij gefietst. Ik zat om half zeven al in de bosjes, omdat het slachtoffer tegen zevenen zou passeren. Dat was op een doordeweekse dag. Er waren teveel mensen op straat. Een andere keer is het ook mislukt volgens mij ook omdat er toen teveel mensen op straat waren. Ik ben er constant toen met [verdachte] mee bezig geweest. Ik heb twee of drie keer in die bosjes gezeten.
als verklaring van [betrokkene 4] (blz. 1452 tot en met 1454, ordner 5):
Op dinsdagochtend 10 juli 2012 ben ik op de fiets vertrokken vanaf mijn huis aan de Molenlaan in Marum. Omstreeks 7.00 uur reed ik op de Postdijk toen ik achter mij een auto hoorde aankomen met hoge snelheid. Het was een paarsachtige auto, model Grand Voyager, op de achterkant stond ‘Ging cheng’ in goudkleurige letters. De auto reed met hoge snelheid bij het viaduct over de A7 omhoog. Ik zag dat vanuit het doodlopende straatje Het Korige een auto kwam. Ik fiets hier elk ochtend en er komt praktisch nooit een auto uit dit straatje. Ik kan deze auto als volgt beschrijven: een Volvo station, oud model. De auto was groenkleurig. Ik had het idee dat de Volvo achter de paarsige Voyager aan reed. De Volvo reed er net zo snel achter aan. Ze reden samen het viaduct op. Ik fietste op de oprijlaan richting mijn ouders huis. Toen ik op driekwart van de oprijlaan was, zag ik rookpluimen. Ik ben in de bus gestapt en richting de rook gereden. Toen ik bij de parkeerplaats kwam, zag ik de Voyager die ik beschreef in brand staan.
als verklaring van [betrokkene 8] (blz. 2352 tot en met 2355, ordner 71):
Ik stond op 10 juli 2012, ’s morgens kort na 7.00 uur op de carpoolplaats Frieschepalen te wachten op een collega. Er kwam toen een donkere Volvo stationcar. Misschien een V70, maar dat weet ik niet zeker. Ik zag dat deze auto stopte achter een daar geparkeerd staande auto. De man die uitstapte was blank, stekelig haar, netjes gekleed, had een tatoeage op de rechterkant van zijn nek. Hij pakte iets uit de auto waarmee hij was gekomen. De man met tatoeage liep naar een andere geparkeerde staande auto, ook een donkere Volvo stationcar, zelfde type. Hij stapte daar in. De eerste auto reed weg en ging de oprit richting Drachten op. De man met de tatoeage ging enkele seconden daarna ook weg en reed dezelfde kant op richting Drachten.
als verklaring van verdachte (blz. 2653 tot en met 2662, ordner 8):
Ik ken [betrokkene 1] vanaf 2008/2009. Ik maak gebruik van het telefoonnummer 06- [001] .
Ik maak gebruik van een grijze Volvo V70, bouwjaar 2000. De groene Volvo is van [betrokkene 6] . Die heb ik een keer gebruikt. Deze auto is geschorst. Die auto heb ik laatst een keer gebruikt. Er was iets met de auto van [betrokkene 5] . En toen heeft hij deze auto in de verzekering gezet. En heb ik deze een keer geleend.
V: [betrokkene 1] is op 29 augustus 2012 aangehouden. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] in opdracht van jou heeft vermoord.
A: In opdracht van mij?
V: [betrokkene 1] heeft hierover veel details gegeven, vandaar dat jij hier zit.
A: Dus ik heb tegen [betrokkene 1] gezegd schiet die maar dood. Oh, fijn is dat.
V : Je mag daar op reageren, het zit zus of zo.
A: Waar haalt hij het verhaal vandaan. Heel verbazend wekkend.
V : Jij kent [slachtoffer] niet? Niets over gehoord of gelezen?
A: Nee. Doodschieten?
V: Dat hebben wij niet gezegd. We zeiden vermoord.
als verklaring van [betrokkene 6] (blz. 2144 tot en met 2150, ordner 71):
Ik heb de groene Volvo van [verdachte] met kenteken [CC-00-DD] op 26 april 2012 op naam gekregen. [betrokkene 5] heeft de auto op naam gehad van 28 juni 2012 tot 15 juli 2012.
als verklaring van [betrokkene 5] (blz. 2214 tot en met 2218, ordner 7):
Vanwege problemen met mijn Peugeot vroeg ik aan [betrokkene 6] , die bij mij in huis verblijft, of ik de groene Volvo V70 dieselautomaat die hij van [verdachte] had, kon gebruiken. Op 28 juni 2012 heb ik die auto op mijn naam laten zetten. Ik denk dat ik die auto vier dagen heb gebruikt en toen heb ik hem weer op de oprit van de Reviuslaan in Zwolle gezet. Ik heb de Peugeot vervolgens weer vier of vijf dagen gebruikt, maar de problemen bleken niet opgelost. Ik bracht hem weer naar de garage en heb de Volvo weer opgehaald in Zwolle. Ik heb die slechts een paar dagen gebruikt. De Volvo werd op 15 juli weer overgezet op de naam van [betrokkene 6] . [betrokkene 6] en [verdachte] huren een woning aan de Reviuslaan en gebruiken die Volvo wel om daar heen te rijden.
als verklaring van voornoemde verbalisanten (blz. 1248 tot en met 1258, ordner 41):
2. Onderzoeksresultaten met betrekking tot de verdachten
2a: Verdachte [betrokkene 1] :
Gedurende het onderzoek werd [verdachte] aangehouden. Bij zijn aanhouding was hij in het bezit van een mobiele telefoon met het nummer 06- [001] . Blijkens CIOT is dit nummer afgegeven aan [verdachte] . Van dit telefoonnummer zijn de printgegevens opgevraagd vanaf 1 januari 2012.
Uit de printlijst blijkt dat het telefoonnummer op 3 juli 2012 om 16.43 uur een mast heeft aangestraald die staat aan de [a-straat] 3 te Wezep.
Uit de printgegevens blijkt tevens dat op 9 juli 2012 om 18.49 uur van het telefoonnummer van [verdachte] een sms werd verstuurd, waarbij een mast wordt aangestraald aan de Wortmanstraat te Kampen. Daarna wordt de telefoon niet meer gebruikt.
Op 10 juli 2012, om 9.02 uur belt [betrokkene 7] met haar nummer 06- [002] naar het nummer van verdachte [verdachte] . Op de printlijst van [verdachte] staan deze gegevens niet vermeld. Deze gegevens staan uitsluitend op de printlijst van [betrokkene 7] , waarbij door ons wordt opgemerkt dat er geen mastgegevens worden meegestuurd van het telefoonnummer dat wordt gebeld. Dat impliceert dat het toestel van [verdachte] geen verbinding met het netwerk heeft. Het eerstvolgende contact is op 10 juli 2012 om 9.57 uur. Daarbij wordt een mast in IJsselmuiden aangestraald.
als verklaring van [betrokkene 3] (blz. 2083 tot en met 2096, ordner 71):
Dinsdagochtend 10 juli 2012 rond een uur of 9.00 kwam [betrokkene 1] terug. Hij had zijn kop kapot. Tien minuten later kwam [verdachte] . Ik moest mijn bus halen naar mijn werk om 9.20 uur. [betrokkene 1] had wonden aan zijn gezicht. Ik moest brandwondenzalf voor hem halen. [betrokkene 1] vroeg toen of ik mij ziek kon melden. Ik heb dat gedaan. Nadat [betrokkene 1] thuis kwam, kwam [verdachte] . Die vroeg ‘gaat het’ en ze zijn samen weg gegaan.
V: Bij thuiskomst van [betrokkene 1] , wanneer zei [betrokkene 1] dat jij je ziek moest melden?
A: Voordat [verdachte] bij ons kwam. Hij zat met zijn gezicht. Hij wilde zó niet de kinderen van school halen, vandaar dat ik me ziek moest melden.
Het viel me op dat [betrokkene 1] na 10 juli in een keer geld uit gaf. Hij deed niet zo moeilijk meer over geld. Normaal moesten we op geld letten omdat we krap zaten.
als verklaring van [betrokkene 2] (blz. 1305 tot en met 1307, ordner 43):
Ik doe aangifte van diefstal van een auto. Ik ben de eigenaar van [A] , gevestigd aan [adres] . Gisteravond, dinsdag 3 juli 2012, omstreeks 17.30 uur, heb ik het hek van mijn autobedrijf afgesloten. Ik werd vanochtend omstreeks 10.10 uur gebeld door een klant. Ik kwam iets later en zag dat het hek open stond. De klant zei mij dat het hek ook al openstond toen hij hier vanochtend was. Ik zag toen dat de Chrysler weg was. Dat is een Chrysler Voyager voorzien van het kenteken [AA-00-BB] . Op de auto staat reclame, dat is de tekst Ginseng.nl. Ik laat de sleutels altijd in de auto zitten.”
Verweer raadsmanDe raadsman heeft zich, onder verwijzing naar artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan voldoende wettig bewijs. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat een bewezenverklaring niet enkel kan berusten op de belastende verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 1] . De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 1] als onbetrouwbaar aangemerkt moeten worden nu [betrokkene 1] “een motief zou kunnen hebben” om een ander uit de wind te houden en daarom jegens verdachte belastende verklaringen af te leggen.
Het hof heeft geconstateerd dat voor de verklaringen van [betrokkene 1] op verschillende punten, hieronder nader te noemen, steunbewijs voorhanden is.
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd zijn er geen aanwijzingen dat [betrokkene 1] de schuld op verdachte afschuift om zichzelf en/of een ander vrij te pleiten. [betrokkene 1] heeft immers in de eerste plaats zichzelf ernstig belast.
Nadat [betrokkene 1] op dit parkeerterrein volgens afspraak de Chrysler Voyager in brand had gestoken (waarbij hij gewond is geraakt en brandwonden in zijn gezicht heeft opgelopen) is hij naar zijn zeggen bij verdachte in de groene Volvo gestapt en zijn ze naar een carpoolplaats in Frieschepalen gereden. Daar is [betrokkene 1] overgestapt in een grijs/zwarte Volvo, die ze hier tevoren hadden geparkeerd, waarna ze beiden naar de woning van [betrokkene 1] in Zwolle zijn gereden. Volgens [betrokkene 1] was hij rond 9.00 uur thuis en kwam [verdachte] tien minuten na hem in de woning.
Zowel [betrokkene 1] als de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 8] verklaren over Volvo's die zijn gebruikt bij het wegvluchten na de moord. Verdachte beschikte over een grijze/zwarte Volvo en had ook een groene Volvo tot zijn beschikking die hij, zo blijkt uit zijn eigen verklaring, in de periode dat de moord is gepleegd heeft geleend van [betrokkene 5] .
Daar komt bij dat deze verklaring van verdachte niet past bij die van [betrokkene 3] , inhoudende dat [betrokkene 1] die dag rond negen uur pas voor het eerst thuis kwam en niet reeds om half negen.
heeft toen ook aangegeven dat ze is benaderd door [betrokkene 9] die haar op verzoek van verdachte vanuit de penitentiaire inrichting (P.I.), een doos overhandigde met daarin onder andere de door haar bij de politie afgelegde verklaringen. Hierbij werd gezegd dat [betrokkene 7] deze verklaringen nog maar eens moest nalezen. Deze verklaring van [betrokkene 7] wordt door [betrokkene 9] bevestigd. [betrokkene 9] is een aantal keren bij verdachte in de P.I. geweest en verdachte heeft hem toen verzocht naar [betrokkene 7] te gaan. [betrokkene 9] verwoordde het op 8 mei 2013 bij de politie aldus: ' [verdachte] heeft mij gisteren ook weer verzocht om naar [betrokkene 7] te gaan. Zodat [betrokkene 7] haar verklaring kan herzien'. In het licht hiervan acht het hof deze bijstelling van [betrokkene 7] van haar eerder bij de politie afgelegde verklaringen niet geloofwaardig.
Het hof acht de verklaring van verdachte, dat hij op die dag waarschijnlijk om een andere reden toevallig in de buurt is geweest van deze omgeving, niet geloofwaardig.”
eerste middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van feit 1, in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv, slechts heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van feit 2, in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv, slechts heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.
derde middelklaagt over het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde, in het bijzonder ten aanzien van het onderdeel ‘tezamen en in vereniging met een ander’.
vierde middelklaagt over het onder 2 bewezen verklaarde medeplegen (‘tezamen en in vereniging met een ander’).
vijfde middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 1] .
zesde middelbevat de klacht dat het hof een verweer, waarin werd onderbouwd dat de medeverdachte [betrokkene 1] de feiten met iemand anders dan de verdachte heeft begaan, onbesproken heeft gelaten dan wel heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. Volgens de steller van het middel heeft het hof de reële mogelijkheid open gelaten dat [betrokkene 1] heeft gelogen over de identiteit van de persoon met wie hij heeft samengewerkt.
zevende middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.