Conclusie
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
de ervenzowel de formele als de materiële procespartij zijn. Dit – feitelijke [4] – oordeel is niet onbegrijpelijk. Deze verzoekschriften zijn immers, anders dan het onderdeel stelt, niet ingediend
door Van Hees(krachtens een volmacht van de erven), maar
door de erven zelf. Dit blijkt uit de aanhef van de verzoekschriften, waarin de namen van de vijf erven zijn vermeld en zij worden aangeduid als “verzoekers”. Dat op de eerste bladzijde van de verzoekschriften ook is vermeld dat de erven krachtens volmacht worden vertegenwoordigd door Van Hees, maakt Van Hees nog niet de formele procespartij. Nu hij dat niet is, gaan ook de klachten over de positie van Van Hees als vereffenaar niet op.
belanghebben bij onderdeel 2. Uitgaande van het falen van onderdeel 1, zal immers het dictum van de bestreden beschikking in stand blijven. Dat betekent concreet dat het door de ondernemingskamer bevolen onderzoek naar MVG en Tredamer er hoe dan ook gaat komen en dat [verzoekster 1] hoe dan ook als bestuurder van deze vennootschappen wordt geschorst. Voor het geval de Hoge Raad van oordeel mocht zijn dat er sprake is van voldoende belang, bespreek ik hieronder onderdeel 2.
nietigis. Voor zover de ondernemingskamer is uitgegaan van de
vernietigbaarheidvan de partiële verdeling heeft de ondernemingskamer miskend dat de [betrokkene 1] aandelen niet meer tot de nalatenschap van [betrokkene 1] behoren. In elk geval heeft de ondernemingskamer, aldus het onderdeel, zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd.
nietaan de orde de vraag of de vereffenaar van een nalatenschap
in het algemeenzelfstandig enquêtebevoegd is inzake een vennootschap waarvan de nalatenschap aandelen houdt. In de procedure bij de ondernemingskamer hebben [verzoekers] zich op het standpunt gesteld dat de vereffenaar deze bevoegdheid
nietheeft. De ondernemingskamer heeft dit standpunt verworpen met de motivering dat “(n)iet valt in te zien dat de vereffenaar van een nalatenschap waartoe de aandelen van de gerekwestreerde vennootschap behoren, in zoverre anders zou moeten worden behandeld dan de curator in het faillissement van de houder van de bewuste aandelen, met dien verstande dat de bevoegdheid van de curator exclusief is en die van de vereffenaar niet” (rov. 3.4, tweede helft). Tegen dit oordeel van de ondernemingskamer komen [verzoekers] in cassatie dus
nietop.
beheermet betrekking tot een vermogensbestanddeel van de failliete boedel, aldus de Hoge Raad. [7] De vereffenaar van een nalatenschap (en ook de executeur) heeft, evenals de curator, tot taak het vermogen van de boedel te
beheren. [8] Ik denk daarom dat de vereffenaar (en ook de executeur), net als de curator, enquêtebevoegd moet worden geacht. [9] Dat dan zowel de vereffenaar als de deelgenoten in een nalatenschap enquêtebevoegd zijn, stuit mijns inziens niet op bezwaren. [10]
welaan de orde is heeft te maken met de bijzonderheid dat de [betrokkene 1] aandelen vóór de benoeming van Van Hees tot vereffenaar bij notariële akten zijn verdeeld (zie hiervoor onder 1.11).
belanghebben bij deze klacht. Indien met [verzoekers] aangenomen zou worden dat de aandelen als gevolg van de verdeling niet meer tot de nalatenschap behoren, zou dat dan afdoen aan de – zonder de verdeling wel bestaande – enquêtebevoegdheid van de vereffenaar?
beheerover de aandelen. [12] Zij behoren immers niet meer tot de nalatenschapsboedel. Juist op grond van deze beheerstaak wordt aangenomen dat de vereffenaar (net als de executeur en de curator, zie hiervoor) enquêtebevoegd is.
nietigheiden niet van
vernietigbaarheid. Ik leid dit af uit de tweede volzin van rov. 3.4: “Het antwoord op de vraag of en in hoeverre de tussentijdse partiële verdeling
nietigis en wat de gevolgen van een eventuele
nietigheidzijn is aan de gewone burgerlijke rechter.” (curs. A‑G).
verdeeldvoordat de vereffening is afgerond. Dit is dan ook het wettelijke uitgangspunt. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het hiervoor al genoemde art. 4:203 lid 1 sub b BW Pro: verdeling vóór afronding van de vereffening is een grond voor benoeming van een vereffenaar door de rechter. De minister heeft hierover het volgende opgemerkt:
nietbevoegd waren. In deze zaak traden de erfgenamen ten tijde van de verdeling zelf op als vereffenaars. Daarin schuilt het probleem. In hun hoedanigheid van vereffenaar dienden de erfgenamen zich mede te richten naar de belangen van de schuldeisers. Maar als deelgenoten in de nalatenschap hadden zij andere belangen. In zo’n geval is er dus sprake van een duidelijke belangentegenstelling, met als gevolg dat de positie van de schuldeisers in het gedrang komt. Perrick wijst er terecht op dat
Selbsteintritt. Het verbod daarop in art. 3:68 BW Pro wordt in art. 4:415 lid 4 BW Pro ook op de vereffenaar van een nalatenschap van toepassing verklaard. Art. 4:415 lid 4 lijkt Pro weliswaar betrekking te hebben op beschikkingshandelingen van de vereffenaar – hetgeen verdelingshandelingen strikt genomen niet zijn [23] –, maar gezien de ratio van het verbod acht ik dit ook op verdelingshandelingen toepasselijk. [24]
nietgaat om een machtiging in de zin van art. 4:211 lid 2 BW Pro, maar om “een machtiging in de zin van art. 1:253k jo 1:345 BW en een goedkeuring van de verdeling in de zin van art. 3:183 BW Pro”. [28] De processtukken geven er geen blijk van dat deze stelling door de verweerders is betwist. Integendeel, de verweerschriften in de zaken 03 en 04 onder punt 10 (waarnaar ook het verzoekschrift in cassatie verwijst) wijzen in dezelfde richting. Hier is slechts vermeld dat de kantonrechter “aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ter zake deze Akte een machtiging heeft verleend”. Ook dit duidt niet op een machtiging in de zin van art. 4:211 lid 2 BW Pro.