Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
obvious and compelling reason(EHRM
A.,B.,C., and D. v UK) c.q. een
specific and compelling reason(EHRM
N.K.M. v Hungary, Gáll v Hungaryen
R.Sz. v Hungary). Daardoor heeft geen afweging plaatsgevonden van enig algemeen belang bij die onvoorzienbaar terugwerkende kracht tegenover de ‘impact’ van die terugwerking ‘on the position’ van de belanghebbende, zodat mijns inziens sprake is van “an unreasonable interference with expectations protected by Article 1 of Protocol No. 1” in de zin van EHRM
M.A. a.o. v. Finlanden van schending van de in
N.K.M. v Hungary, Gáll v Hungaryen
R.Sz. v Hungarydoor het EHRM gestelde eis dat ‘those who act in good faith on the basis of law should not be frustrated in their statute-based expectations without specific and compelling reasons’.
specific and compelling reasonis zoals een noodzaak tot bestrijding van gekunstelde antifiscale constructies en dus niets zegt over enige noodzaak tot onvoorzienbaar terugwerkende heffing en overigens het budgettaire belang bij het zeer beperkte deel van de verlengde crisisheffing dat in strijd met art. 1 Protocol Pro I EVRM is geheven, verwaarloosbaar is bij afweging tegen de financiële ‘impact’ voor de door die onvoorzienbaar terugwerkende heffing getroffen rechthebbenden op ongestoord genot van eigendom.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
targetsen deels uit regulier loon. Aan een van hen is in 2013 bovendien uitbetaald op basis van een (virtueel) aandelenplan (
5 star incentive plan). Dit plan is ruim vóór 2012 geïnitieerd.
fair balanceniet was geschonden. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.
“in afwijking in zoverrevan het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde”. Reeds omdat artikel 32bd daarmee voor zover nodig een zelfstandige basis biedt voor de heffing faalt belanghebbendes grief dat de pseudo-eindheffing niet in het wettelijk systeem zou passen en kan er van onverbindendheid wegens strijd met artikel 1 van Pro de Wet geen sprake zijn.
als eindheffingsbestanddeel.Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat heffing dient plaats te vinden als ware sprake van een eindheffingsbestanddeel. Dit betekent dat het voor de heffing ter zake van eindheffingsbestanddelen in hoofdstuk IV (‘Wijze van heffing’) opgenomen artikel 27a van de Wet ten volle van toepassing is. Ook die bepaling verschaft derhalve een wettelijke basis aan de heffing van de pseudo-loonheffing. Dat artikel 27a van de Wet de wijze van heffing zoals geregeld in artikel 32bd van de Wet niet expliciet noemt, maakt dit niet anders.
principle of lawfulness); (ii) met de heffing moet een legitieme doelstelling van algemeen belang worden gediend
(principle of legitimate aim)en (iii) de heffing kan slechts worden toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd en er een redelijke verhouding bestaat tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten (
principle of fair balance). Bij de toets of de heffing een legitiem doel in het algemeen belang dient en bij de proportionaliteitstoets komt de wetgever volgens het Hof een ruime beoordelingsvrijheid toe. De rechter zal de afweging door de wetgever moeten respecteren tenzij deze elke redelijke grond ontbeert. Dat de maatregel voornamelijk of louter budgettair van aard is, is niet toereikend voor het oordeel dat de inbreuk op het eigendomsrecht ongerechtvaardigd is. Vervolgens moet op individueel niveau worden beoordeeld of sprake is van een buitensporige last.
lawfulnessvan de tweede eenmalige crisisheffing betreft, heeft het Hof verwezen naar zijn oordeel over de eerste eenmalige crisisheffing, dat als volgt luidde:
nietin geschil is dat bij belanghebbende met de wetsgeschiedenis bij de invoering van artikel 32bd van de Wet in 2013 de verwachting is gewekt dat deze maatregel eenmalig zou zijn.
balancealsnog
unfairmaakt. Ook voor deze vraag verwees het Hof naar zijn uitspraak over de eerste eenmalige crisisheffing, die het volgende inhield:
fair balancealsnog ontbreekt.
‘retrospective law',maar dat van een ongerechtvaardigde inbreuk pas sprake is als de invloed van dergelijke anterieure feiten ertoe leidt dat bij de belastingheffing geen
‘fair balance '(meer) bestaat tussen de betrokken belangen (vgl. EHRM 10 juni 2003, 27793/95 M.A. en anderen tegen Finland):
'fair balance'.”
3.Het geding in cassatie
lawfulness. Zij ontbeert wettelijke grondslag (zie middel 1) en werkt willekeurig uit. De grens van € 150.000 is
arbitrary. De omvang van het loon is als heffingsmaatstaf willekeurig omdat loon voor de werkgever slechts een kostenpost is. Slechts 2% van de ondernemers met die kostenpost heeft moeten bijdragen aan de heffing. Dat geen rekening wordt gehouden met correcties na het jaar waarover wordt geheven, leidt eveneens tot willekeur. De crisisheffing is door haar terugwerkende kracht niet
foreseeablein haar toepassing.
legitimate aimheeft. De wetgever heeft slechts een budgettaire rechtvaardiging gegeven en dat is onvoldoende om een dergelijke ingrijpende maatregel te rechtvaardigen.
fair balancegeslagen tussen het individuele en het algemene belang. De belanghebbende mocht ervan uitgaan dat de eenmalige crisisheffing eenmalig was. Budgettaire argumenten zijn geen rechtvaardiging voor belastingheffing met terugwerkende kracht. Dat geldt zowel voor incidentele als voor reguliere loonbestanddelen, maar voor de bonusbetalingen en de betalingen ex het aandelenplan geldt bovendien dat zij afhingen van prestaties in eerdere jaren, zodat de crisisheffing hier nog verder terugwerkt. De crisisheffing 2014 werkt terug naar 1 januari 2013 ofwel (i) vanaf 22 december 2013 (plaatsing Belastingplan 2014 in de Staatscourant), ofwel (ii) Prinsjesdag 17 september 2013 (bekendmaking Belastingplan 2014), ofwel (iii) 1 maart 2013 (aankondiging tweede eenmalige crisisheffing). De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis ingezien dat de crisisheffing werkgevers met werknemers met hoge salarissen extra zwaar treft, maar de heffing toch doorgezet hetgeen in strijd is met de vereiste
fair balance.
legitimate aimen is geen
fair balancegeslagen. De wetgever betoont zich onbetrouwbaar en is bovendien rondom de verlenging zeer wispelturig geweest. Dit wispelturige gedrag heeft ernstiger gevolgen voor het vestigingsklimaat dan de niet-gekozen invoering van een extra schijf in de inkomstenbelasting.
M.A. a.o. v. Finland [6] ). Het doorkruisen van de verwachting dat een belastingwet ongewijzigd zal blijven, is geen schending van art. 1 Protocol Pro I EVRM (EHRM
M.A. a.o. v. Finlanden HR BNB 2009/238). De excessieve-heffingszaken
N.K.M. v. Hungary, [7] Gáll v Hungary [8] en
R.Sz. v. Hungary [9] ,hebben geen nieuwe beperkingen aan terugwerkende kracht van belastingwetgeving gesteld. Die zaken moeten binnen hun feitelijke en schrijnende context worden begrepen. De crisisheffing streeft op evenwichtige en in het parlement breed gedragen wijze een legitiem doel in het algemeen belang na, nl. het tegengaan van het oplopen van het financieringstekort. De wetgever heeft als heffingsgrondslag het loon 2013 gekozen om uitvoerbaarheidsredenen en ter voorkoming van ontgaansmogelijkheden. Gezien HR BNB 2014/229 [10] en het pc-privé-arrest [11] kan niet gezegd worden dat een
fair balancezou ontbreken wegens onvoorzienbaarheid van de heffing. Het Hof heeft de zaak volgens de juiste kaders afgepeld. Als al sprake is van terugwerkende kracht, dan is de pseudo-eindheffing daarmee nog niet op louter budgettaire overwegingen gebaseerd. De vormgeving van de crisisheffing (heffing over het loon in het voorafgaande jaar) is gekozen onder meer vanwege de eenmaligheid van de heffing, de uitvoerbaarheid, de concurrentiepositie van Nederland en voorkoming van ontwijkbaarheid.
individual and excessive burden.
Huitson [13] blijkt dat de verwachting dat belastingwetgeving niet of nimmer met terugwerkende kracht zal worden doorgevoerd niet gerechtvaardigd is. De terugwerkende kracht van de crisisheffing werd gerechtvaardigd door urgente nationale en Europese financiële en politieke problemen, die door de A-G ten onrechte zijn teruggebracht tot ‘het prevelen van het woord budget’. De A-G legt de crisisheffing langs een opvallend minutieuze meetlat. Het budgettaire belang van de crisisheffing raakt verregaande fundamentele politieke afwegingen die maatschappelijk diep ingrijpen. De crisisheffing kan niet geïsoleerd worden bezien; ook andere maatregelen met een klein financieel belang zouden anders niet gerechtvaardigd zijn.
individual and excessive burdenis volgens de Staatssecretaris geen vaste maatstaf te geven.
Huitsonis een schoolvoorbeeld van terugwerkende kracht die noodzakelijk is voor het tegengaan van kunstmatige belastingontwijkende constructies. De vergelijking met die zaak gaat daarom niet op. Als van misbruik of antifiscale anticipatie geen sprake is, moet een
compelling reasonvoor terugwerkende kracht van belastingheffing voorhanden zijn, en dat is een strengere toets dan de vraag of de terugwerkende kracht
devoid of reasonable foundationis. Er zijn wel redenen aangevoerd voor de crisisheffing op zichzelf, maar niet voor de terugwerkende kracht ervan. De voor de vormgeving van de crisisheffing aangevoerde eenmaligheid kan bezwaarlijk haar terugwerkende kracht rechtvaardigen, nu zij niet eenmalig is. De conclusie in zaak nr. 15/00340 separeert terecht het belang bij terugwerkende kracht van het belang bij de crisisheffing op zichzelf. Gezien de bedragen die de twee crisisheffingen hebben opgeleverd (€ 596 miljoen resp. € 617 miljoen), is aannemelijk dat haar jaarlijkse budgettaire doelstelling (€ 500 miljoen) ook wordt gehaald als het in die conclusie voorgestelde rechtsherstel wordt verleend. Dat rechtsherstel leidt immers in lang niet alle gevallen tot vermindering van de afgedragen crisisheffing. De Staatssecretaris lijkt de budgettaire gevolgen van rechtsherstel ter zake van slechts de terugwerkende kracht te overdrijven. Ingevolge het EHRM moet dat de rechter een
effective remedybieden. De zaken die de Staatssecretaris aanvoert waarin rechtsherstel aan de wetgever werd overgelaten, betroffen niet de ongedaanmaking van eigendomsgrond-rechtschending, maar ongedaanmaking van discriminatie, hetgeen een andere afweging vraagt. In casu kan volstaan worden met buiten toepassing laten van de crisisheffing voor zover zij terugwerkt, hetgeen geen politieke keuze vergt.
individual and excessive burdendoet niet ter zake, nu de belanghebbende daar geen beroep op doet.
4.De tweede crisisheffing en haar totstandkomingsgeschiedenis
N.K.M. v Hungary: ‘
specific and compelling reasons’), voor de terugwerkende kracht van die heffing, nu de regering in antwoord op vragen vanuit de Eerste Kamer van mening was dat van terugwerkende kracht geen sprake zou zijn. Daardoor heeft evenmin een afweging plaatsgevonden tussen die niet-gegeven dwingende reden en de gevolgen van de terugwerkende kracht voor de daardoor getroffen werkgevers, zodat ervan uitgegaan moet worden dat de louter budgettaire reden voor de heffing ook de enige reden is voor haar terugwerkende kracht, zodat dat gestelde algemene budgettaire belang afgewogen moet worden tegenover de gevolgen van de terugwerkende kracht voor de werkgevers die erdoor getroffen worden.
RTL Nieuws [32] al op 15 september 2013 bekend maakte dat de eenmalige crisisheffing tóch eenmalig verlengd werd. In verband met dat uitlekken maakte het CPB nog diezelfde dag de Macro Economische Verkenning 2014 bekend, die in een voetnoot gewag maakte van “het eenmalig verlengen van de eenmalige werkgeversheffing van 16% voor inkomen boven de 150.000 euro”. [33]
5.De terugwerkende kracht van de verlenging van de eenmalige crisisheffing
specific and compelling reasonsvoor de terugwerking, en (iii) de proportionaliteit van de (onvoorzienbare) terugwerking in het licht van die specifieke rechtvaardiging.
retroactiveis in de zin van die EHRM-jurisprudentie, nu de wettekst en de wetsgeschiedenis geen andere conclusie toelaten dan dat het voor het EHRM beslissende ‘
key issue’ (de belastbare gebeurtenis; de grondslag van heffing) het in 2013 uitbetalen van meer loon dan € 150.000 per werknemer is. Dat belastbare feit (dat tijdvak; die heffingsgrondslag) ligt in de tijd geheel vóór de inwerkingtreding van de wet die de eenmalige verlenging van de eenmalige crisisheffing invoerde. Dat moment was 1 januari 2014, of op zijn vroegst 23 december 2013. Voorts werkte ook deze tweede eenmalige crisisheffing verder terug in de tijd dan het moment van haar aankondiging. Vóór 1 maart 2013 was van aankondiging überhaupt geen sprake. Op 11 april 2013 kondigde de regering na polderoverleg – dus mede met de werkgevers – aan dat de heffing bij nader inzien toch niet verlengd werd. Pas op 17 september 2013 (publicatie van het begrotingswetsvoorstel) is van regeringswege aangekondigd dat de heffing over 2013 er (toch wél) kwam. Ook over het reeds tussen 1 januari 2013 tot aan die aankondigingsdatum genoten loon werd vervolgens terugwerkend geheven.
NTFR2015/1849 dat die eerste crisisheffing slechts de schijn van terugwerkende kracht had; hij lijkt ook geen materieel terugwerkende kracht te zien:
nogmaalsuitbetaald of genoten te zijn;
i.e.om de – volstrekt normale – mogelijkheid voor werkgevers om hun gedrag, beleid en contracten
aan te passenaan daartoe tijdig aangekondigde fiscale verzwaringen van hun werkgeverslasten;
possessionis, maar geen terugwerkende kracht heeft;
retroactivité(in de zin van de EHRM-rechtspraak) van de crisisheffing geen reden voor die door hem immers ontkende
retroactivitégegeven heeft, dus ook geen
specific and compelling reason, hoewel
specific and compelling(andere) rechtvaardiging voor (onvoorzienbaar) terugwerkende fiscale
interferencein het eigendomsrecht voorhanden moet zijn, en
fair balance) gemaakt moet worden tussen het gewicht van die (in casu niet-gegeven)
specific and compelling reasonvoor de onvoorzienbare
terugwerkingvan de eigendomsaantasting (dus niet voor de heffing op zichzelf, voor zover zij
prospectief is) en de gevolgen van die onvoorzienbare
terugwerking(dus niet van de
prospectieve heffing) voor de belastingplichtigen. Bij gebrek aan welke rechtvaardiging dan ook voor die onvoorzienbare
terugwerking, is het gewicht van de niet-gegeven reden daarvoor uiteraard ook niet afgewogen, zodat geen andere conclusie mogelijk is dan dat geen relevante afweging heeft plaatsgevonden van de individuele belangen van de eigendomsgerechtigden.
isgenoemd, nl. door de Eerste Kamer, óók bij de tweede crisisheffing (zie 4.27). Uiteraard gaat het niet om het ‘noemen’, maar om het
rechtvaardigenvan onvoorzienbaar terugwerkende belastingheffing en het
afwegenvan het algemene belang daarbij tegen de individuele belangen van de eigendomsgerechtigden. Geen van beide is gebeurd.
N.K.M.,
Gállen
R.Sz.in de drie Hongaarse zaken (zie 8.24 van de conclusie 15/00340) tijdig (vóór 14 mei 2011) overleden, dan zouden zij wellicht niet belastingplichtig zijn geweest. Het ontgaat mij hoe dit hypothetische geval de onaanvaardbaarheid zou kunnen wegnemen van de retrospectieve aantasting van hun eigendom in het zich in werkelijkheid voordoende geval waarin zij wél in leven bleven en wél met deels onvoorzienbaar terugwerkende kracht belast werden. U merke overigens op dat de medewetgever juist expliciet heeft verklaard dat de crisisheffing over 2012
ookverschuldigd was als de belastingplichtige op 31 maart 2013 niet meer zou bestaan (zie het citaat in onderdeel 4.23 van de conclusie zaak nr. 15/00340).
hergenietingsmoment fingeert ná inwerkingtreding van een wet die uitsluitend een vér voorbij aankondiging in het verleden liggend loonjaar treft, moet ook onvoorwaardelijk geloven in Sinterklaas en dat Elvis nog leeft. De door de wetgever in art. 32bd Wet LB opgenomen hergenietingsfictie op 31 maart 2013 (resp. 2014) houdt geen enkel verband met de heffingsgrondslag/het belastbare feit (de
key issuevan de heffing) die volgens de EHRM-rechtspraak beslissend is voor de vraag naar de (on)voorzienbaarheid van de heffing. Die
key issueis hetgeen
waaroverwordt geheven: het (rechts)feit dat de heffing oproept; de grondslag van heffing. Die is onmiskenbaar het loon 2012 (resp. 2013) boven € 150.000. Het lijkt mij dat over deze uitslag niet zinvol gecorrespondeerd kan worden. De willekeurig aanwijsbare fictieve hergenietingsdatum had bij precies dezelfde
key issueook vrouwendag 2014, eerste kerstdag 2018, de verjaardag van de desbetreffende werknemer in 2020 of
Poppy’s Day2025 kunnen zijn. Zou de crisisheffing een tijdstipbelasting zijn geweest, zoals de Staatssecretaris ten onrechte stelt, dan was zij verschuldigd geworden (telkens) op het maandelijkse tijdstip van loonbetaling in 2012 resp. 2013 voor zover in dat jaar de € 150.000 al overschreden zou zijn, zoals de dividendbelasting verschuldigd wordt op het tijdstip van dividenddeclaratie en de overdrachtsbelasting op het tijdstip van levering.
N.K.M. v. Hungary, R.Sz. v. Hungaryen
Gáll v. Hungary(…), over het op vergelijkbare wijze als in casu met deels terugwerkende kracht belasten van ontslagvergoedingen, blijkt overigens, net als uit de zaak
Arnaud, dat voor de vraag of belastingheffing onvoorzienbaar terugwerkt, niet het nationale recht of de nationale benoeming (formeel of materieel) beslissend is. Beslissend is of een onvoorzienbare terugwerking de
fair balancetussen privaat en publiek belang schendt doordat ‘those who act in good faith on the basis of law [are] frustrated in their statute-based expectations without specific and compelling reasons’. In
M.A. a.o. v Finlandgaat het om ‘an unreasonable interference with expectations protected by Article 1 of Protocol No. 1’; het gaat volgens dat arrest om de verhouding tussen ‘the reasons for the retroactivity and (…) the impact of the retroactive law on the position of the applicants. Aan die criteria moet dus getoetst worden.”
expectationsvan de werkgevers bij de tweede eenmalige crisisheffing verschilt van die bij de eerste. De eerste eenmalige crisisheffing schond ‘slechts’ de bij elke burger levende algemene verwachting dat hij niet met terugwerkende kracht belast zal worden over een heffingsgrondslag die al in het verleden ligt op het moment van aankondiging van die heffing en daardoor onvoorzienbaar is (en dat
voorzienbareterugwerkende kracht – dus niet verder terugwerkend dan tot aankondigingsdatum – hem alleen zal treffen als dat noodzakelijk is om heffingsfrustrerend anticipatieverdrag te voorkomen). De verlenging van de eenmalige crisisheffing daarentegen schond naast die algemene verwachting ook twee specifieke en concrete verwachtingen: (i) de verwachting gebaseerd op de toezegging van de medewetgever, die deze toezegging ook formaliseerde in de in 4.3 geciteerde wettelijke horizonbepaling, dat de crisisheffing 2012/2013 eenmalig was en (ii) de door de regering in april 2013 gewekte verwachting dat de – in maart 2013 in strijd met die wetgeverlijke belofte aangekondigde – verlenging (zie 4.14) toch
nietdoorging (zie 4.15). De tweede eenmalige crisisheffing schond dus niet één, maar drie
expectations, waarvan één specifiek op de crisisheffing zelf toegespitst
Statute-based.
6.Rechtvaardiging en afweging van onvoorzienbaar terugwerkende belastingheffing
Huitson. [55] Die zaak betrof de Britse IT-consultant Huitson die zijn inkomsten grotendeels buiten de Britse heffingsgrondslag had weten te brengen met een agressieve en volgens de nationale rechter ‘wholly artificial’ ontwijkingsconstructie via (het belastingverdrag met) het
Isle of Man. Hij had daarmee de effectieve belastingdruk op zijn inkomsten verlaagd tot 3,5%. De Britse fiscus bestreed de vrij massaal verkochte constructie, maar voordat het tot een (proef)procedure bij de
Special Commissionerskwam, nam de wetgever met zes jaar terugwerkende kracht een wet aan die hoe dan ook de beoogde heffingsverijdeling aan de artificiële constructie ontnam. De fiscus corrigeerde vervolgens Huitson’s aangiften op basis van die wet. Huitson putte zijn nationale rechtsmiddelen alsnog vergeefs uit en adieerde daarna het EHRM, stellende dat het retrospectief ongedaan maken van de constructie zijn grondrechten schond. Het EHRM beoordeelde de zaak op basis van de veronderstelling dat de terugwerkende wet Huitson’s eigendomsrecht aantastte (dat zou immers niet het geval zijn als de constructie ook zonder die wet reeds door de Britse belastingrechter getorpedeerd zou zijn, hetgeen we als gevolg van die wet echter nooit zullen weten), zodat daarvoor een rechtvaardiging voorhanden moest zijn:
lawfulness; legitimate aim, forseeability; fair balance) en het wijzen op de
wide margin of appreciationoordeelde het EHRM dat de terugwerkende kracht in dit geval gerechtvaardigd was omdat hij nodig was om gekunsteld verdragsmisbruik te bestrijden en om de door de oneerlijke belastingreductie veroorzaakte concurrentievervalsing ongedaan te maken. Het EHRM woog mee dat Huitson geen
legitimate expectationhad dat zijn ‘highly artificial’ constructie zou werken – integendeel, gezien de stellingnamen en adviezen van
Her Majesty’s Revenue and Customs– en dat hij “could reasonably have expected that Parliament would respond in a way which ensured fairness generally between all taxpayers”:
A.B.C. and D. v UK [56] (zie onderdeel 8.20 van die conclusie) en
Huitsonlijkt het betoog van de Staatssecretaris ook niet te steunen. Er blijkt uit, net als uit de zaak
M.A. a.o. v Finlanden uit de Hongaarse zaken geciteerd in 8.22 resp. 8.24 van die conclusie, dat voor terugwerkende belastingheffing een specifieke en overtuigende rechtvaardiging nodig is, Zoals uit de in die conclusie geciteerde EHRM-rechtspraak blijkt, zijn als zodanig tot nu toe door het EHRM slechts geaccepteerd
M.A. a.o. v Finland),
Arnaud v France),
Building Societies v UK) en
Huitson v UKen
A.B.C. and D. v UK).
Joubert v Franceen EHRM
N.K.M. v. Hungary, Gáll v Hungaryen
R.Sz. v. Hungary).
Huitsonen de andere constructie-afnemers volgens het EHRM juist van meet af aan verwachten dat ofwel de Executieve ofwel de Legislatieve hun antifiscale opzetje zou torpederen, net zoals de constructeurs in de zaak
A.B.C. and D. v UK.
Huitsonaanvoert om te illustreren dat terugwerkende kracht ook mogelijk is
voorbijde aankondigingsdatum in geval van noodzaak tot bestrijding van volstrekt artificiële antifiscale constructies, merk ik op dat ook dat al bekend was uit de genoemde zaak
A.B.C. and D. v UKen dat
Huitsonbevestigt dat voorbij aankondiging terugwerkende kracht kennelijk slechts aanvaard wordt als hij ondanks gebrek aan aankondiging wél voorzienbaar was omdat kaatsende antifiscale trapezewerkers ook vóór de aankondiging van antimisbruikwetgeving de bal al moeten verwachten. Ik merk voorts op dat de door de crisisheffing getroffen werkgevers werkelijk niets antifiscaals of gekunstelds of wat dan ook verweten kan worden en in geen van beide eenmalige heffingsjaren welke bal dan ook hoefden te verwachten.
lawfulnessen het
legitimate aimvan de terugwerkende kracht (die neemt het EHRM snel aan), maar op de
fair balance between the interests at stake.
M.A.a.o.
v. Finland(zie 8.31 van die conclusie) dat de wijziging van de fiscale behandeling van optiecontracten per toekomstige datum “as such certainly falls within this margin” (of appreciation; PJW), hoezeer de nieuwe Finse belastingwet ook voor reeds lopende optiecontracten gold.
Arnaud(onderdeel 8.25 van de conclusie 15/00340) en het genoemde arrest
M.A. a.o. v Finland, en uit uw arresten HR BNB 2002/137 (economische eigendom) en HR BNB 2005/227 (landbouwvrijstelling) (zie de onderdelen 9.2 en 9.3 van de conclusie 15/00340). De verlenging van de crisisheffing in afwijking van de geldende horizonbepaling (zie 4.3) en van de tot dan toe beleden eenmaligheid van de heffing is aangekondigd op 1 maart 2013 (zie 4.4-4.12) als onderdeel van een pakket maatregelen. Daarop is de regering na overleg met onder meer de werkgevers teruggekomen bij brief van 11 april 2013. Uit het antwoord van het kabinet op parlementaire vragen over die brief moesten de werkgevers redelijkerwijs opmaken dat de verlenging van de crisisheffing van de baan was: de “afspraak” was dat het kabinet afzag van invoering van “alle elementen” uit dat pakket (zie 4.16). Het op 15 september 2013 uitlekken van de Prinsjesdagstukken via
RTL Nieuws(zie 4.18) is geen aankondiging van regeringswege op basis waarvan belastingplichtigen hun gedrag met rechtszekerheid kunnen bepalen. De tweede eenmalige crisisheffing is mijns inziens pas op Prinsjesdag 17 september 2013 (zie 4.18 e.v.) voldoende aangekondigd en daarmee voldoende voorzienbaar geworden in de zin van de EHRM-rechtspraak.
specific and compelling reason. De terugwerking diende niet tot reparatie van een onvoorzien technisch wetsgebrek dat anders tot onverdiende
windfall benefitszou leiden (EHRM
Building Societies) of tot bestrijding van antifiscale constructies (EHRM
A., B., C. en D. v. UKen
Huitson). Zoals bleek, staat het EHRM ook toe het met terugwerkende kracht – mits niet verder terug dan de aankondiging – bestrijden of voorkomen van heffingsfrustrerende aankondigingseffecten (
M.A. a.o. v. Finland). Ook u staat dat (dus) toe, bijvoorbeeld in HR BNB 2011/47. Dat de terugwerkende kracht in casu met enig heffingsfrustrerend aankondigingseffect te maken zou hebben, is gesteld noch gebleken en zou overigens geen verdere terugwerking dan naar datum aankondiging kunnen rechtvaardigen, nu een aankondigingseffect niet kan bestaan zonder aankondiging. Op 1 maart 2013 werd duidelijk dat de regering overwoog de crisisheffing te verlengen. Vanaf die datum zou anticipatiegedrag dus denkbaar zijn geweest, maar door de reeds op 11 april 2013 volgende afgelasting van de verlenging was er vanaf die datum geen voorwerp van anticipatie meer. De wetsgeschiedenis biedt ook geen enkel aanknopingspunt voor vrees voor bepaald anticipatiegedrag. De door het EHRM in de zaak
M.A. v. Finlandaanvaarde terugwerkende kracht trof bovendien uitsluitend werkgevers en werknemers die ná de aankondiging daadwerkelijk hun optiecontracten voortijdig open braken met het oog op frustratie van de tijdig aangekondigde heffing. Het EHRM sloot in die zaak uitdrukkelijk niet uit dat zijn oordeel anders was uitgevallen als de terugwerkende kracht ook niet-voortijdige optie-uitoefening (
pure cases) had getroffen. Belanghebbendes geval is zo’n ‘pure case’. U merke daarbij op dat de crisisheffing niet zozeer een tariefverhoging in de reeds bestaande loonbelasting oplegde, maar terugwerkend een – volgens de wetgever – nieuwe en zelfstandige, want niet-verhaalbare heffing invoerde. De terugwerkende kracht van de tweede eenmalige crisisheffing kan dus evenmin als de terugwerkende kracht van de eerste gerechtvaardigd worden door de noodzaak anticipatiegedrag te voorkomen. Zoals uit de onderdelen 4.25 - 4.28 en 4.32 van de conclusie in zaak 15/00340 blijkt, vreesde de Tweede Kamer bij de – eerste crisisheffing – wél voor ontwijking door ZZP- of splitsingsconstructies. De regering deelde die vrees geenszins, maar was op verzoek van de Kamer wel bereid er veiligheidshalve maatregelen tegen te nemen. Als ontwijking al mogelijk was – volgens de regering dus nauwelijks of niet – was die eventuele ontwijking daarmee vanaf het begin en dus ook voor de verlenging van de crisisheffing afgedekt.
ergensover moeten gaan. De wetgever heeft een
wide margin of appreciation, maar als voor de terugwerkende aantasting van het eigendomsrecht überhaupt geen rechtvaardiging of belang is gegeven en (dus) überhaupt geen
appreciation(afweging) heeft plaatsgevonden, kan van enige
margingeen sprake zijn, dan wel is zij per definitie overschreden. Als u bij wijze van serviceverlening aan de wetgever veronderstelt dat zijn rechtvaardiging voor de terugwerkende kracht ligt in het voor de crisisheffing als zodanig aangevoerde louter budgettaire belang, is daarmee geenszins gezegd dat hij binnen die
wide marginis gebleven, zoals blijkt uit de EHRM-zaken
Jouberten de drie Hongaarse ontslagvergoedingszaken. Zou het anders zijn, dan zou de rechter niets toetsen en zou het eigendomsgrondrecht niets betekenen. Zoals het EHRM overwoog in
N.K.M. v. Hungary(r.o. 61): [57]
onvoorzienbare terugwerking(dus niet tegen de gevolgen van het onverdachte
prospectieve deel van de heffing) voor de getroffenen, ben ik inderdaad ten onrechte op de stoel van de wetgever gaan zitten in een poging om de door hem niet gerechtvaardigde en niet door hem afgewogen – maar ontkende – terugwerkende kracht te sauveren. Dat is niet gelukt omdat algemeen belang bij belastingopbrengst niet
specificis en dus niets zegt over enige noodzaak tot terugwerkende kracht voorbij aankondigingsdatum, laat staan een
compelling reasonvoor dergelijke onvoorzienbaar terugwerkende eigendomsaantasting geeft, en overigens het budgettaire belang bij het – ook nog onnodig (zie 11.16 van conclusie 15/00340) – onvoorzienbaar terugwerkende deel van de crisisheffing budgettair verwaarloosbaar is in vergelijking met de individuele financiële gevolgen voor degenen wier eigendom erdoor wordt aangetast. Het eigendomsgrondrechtschendende deel van de crisisheffing is immers zeer beperkt (zie onderdeel 12 van conclusie 15/00340 en onderdeel 8 hieronder). Serviceverlening aan de politiek kan inderdaad beter achterwege blijven en u kunt u beter beperken tot strikt juridische beoordeling zonder verantwoordelijkheid over te nemen van in grondrechtelijke afwegingen falende andere Staatsmachten. Te volstaan ware daarom met de in 6.8 beschreven constatering.
fairzijn afgewogen. Het staat de politiek
zelfsvrij om een heffing
voorbijde aankondigingsdatum te laten terugwerken als daarvoor een
obvious and compelling reason(A
.,B.,C. and D. v UK) c.q. een
specific and compelling reason(
N.K.M., Gáll en R.Sz. v Hungary) bestaat zoals de noodzaak om gekunstelde antifiscale constructies te bestrijden, mits zij
fairde bij een dergelijke nog verder terugwerkende eigendomsaantasting betrokken belangen afweegt en de betrokken belastingplichtigen redelijkerwijs niet konden verwachten dat hun gekunstelde ontwijking ongemoeid gelaten zou worden. Het staat de politiek echter grondrechtelijk en grondwettelijk niet vrij om zonder rechtvaardiging en zonder belangenafweging onvoorzienbaar terugwerkend belasting te heffen, en het staat de rechter niet vrij om toetsing van een dergelijke eigendomsaantasting aan rechtstreeks werkend volkenrecht achterwege te laten omdat zulks partijpolitiek of budgettair opportuun zou zijn. Anders dan de anonieme redacteur suggereert, ligt geen enkele politieke afweging ten grondslag aan de uitoefening van de bij wet aan de rechter opgedragen taak om de hem adiërende burger te goeder trouw te beschermen tegen overschrijding van de door de politiek zelf in artt. 93 en 94 Grondwet juncto art. 1 Protocol Pro I EVRM gestelde grenzen.
M.A. v. Finland(zie onderdeel 8.22 van de conclusie in zaak 15/00340) dat
7.Behandeling van de middelen
Middel 1
unlawfulzou zijn, valt aan buitensporige tekorten nergens ter wereld te ontkomen.
Arbitrarylijkt mij de crisisheffing evenmin. De hoogte van de heffing wordt bepaald door de objectief door derden vaststelbare hoogte van het aan een werknemer betaalde loon. De ondergrens van € 150.000 per werknemer is niet meer arbitrair dan de 5%-grens voor de deelnemingsvrijstelling, het 52%-tarief in de inkomstenbelasting, de grens tussen de 42%-schijf en de 52%-schijf in de inkomstenbelasting ad € 57.586 of de 5%-grens voor de aanmerkelijk-belangregeling. De heffing is
foreseeablein de zin die het Hof daaraan geeft in het kader van de
lawfulness-test: aan de hand van de wetgeving kan de belastingplichtige voordat hij de crisisheffing moet betalen uitrekenen hoeveel hij moet betalen. Het EHRM toetst de (on)voorzienbaarheid van terugwerkende kracht van belastingen niet onder de
lawfulnesstest, maar kennelijk pas bij de
fair balancetest (zie onderdelen 8.5-8.12 van de conclusie in de zaak 15/00340).
legitimate aimheeft. Een belasting die louter de algemene middelen dient, dient daarmee echter in beginsel het algemene belang, aangenomen dat de algemene middelen gealloceerd wordt aan doelen van algemeen belang. Zonder belastingheffing is een geordende samenleving niet denkbaar. [60] Een louter budgettair doel is dus op zichzelf grondrechtelijk niet twijfelachtig. Daarop strandt het derde middel.
niethet
devoid-criterium, maar, blijkens de Hongaarse zaken en de zaak
A.,B.,C. and D. v UK, de
specific and compelling reasonstest;
fair balancetoets “de pseudo-eindheffing niet los kan worden gezien van het totaal pakket aan saldoverbeterende maatregelen” (6.5.5 van zijn uitspraak over de eerste crisisheffing, waarnaar hij verwijst). Ook hier geldt immers dat het niet gaat om de crisisheffing zelf, maar slechts om het onvoorzienbaar terugwerkende deel ervan. Dat deel kán niet alleen, maar móet los worden gezien, niet alleen van het pakket, maar zelfs van de crisisheffing zelf, waartegen immers op zichzelf – voor zover zij
prospectief aangrijpt – geen grondrechtelijke bezwaren bestaan. Overigens staat de crisisheffing hoe dan ook apart van alle andere maatregelen, nu zij de enige maatregel met terugwerkende kracht is; ik verwijs naar onderdeel 6.12 hierboven;
balance fairachtte omdat “de wetgever bewust heeft gekozen voor een heffing op basis van feiten in het voorafgegane kalenderjaar, ook voor zover die feiten liggen voor een tijdstip waarop de betrokkenen konden voorzien dat dit tot belastingheffing aanleiding zou geven”; een keuze die de wetgever volgens hem, “in aanmerking nemende de hem toekomende ruime beoordelingsmarge,” “[i]n het licht van de ernstige budgettaire problemen en de sombere economische situatie heeft (…) kunnen maken.” De (mede)wetgever heeft immers überhaupt geen keuze of afweging gemaakt met betrekking tot het onvoorzienbaar terugwerkende deel van de heffing. Hij heeft het bestaan van dat deel ontkend respectievelijk genegeerd.
M.A. a.o. v. Finlanden van schending van de in de drie Hongaarse pensioenheffingszaken door het EHRM gestelde eis dat ‘those who act in good faith on the basis of law should not be frustrated in their statute-based expectations without specific and compelling reasons’. Ik herhaal dat de onvoorzienbare terugwerkende kracht van de verlenging van de crisisheffing bovendien niet slechts één, maar drie gerechtvaardigde verwachtingen schond, dat het wegnemen van de gevolgen van het met art. 1 Protocol Pro I EVRM onverenigbare onvoorzienbare deel van de beide eenmalige crisisheffingen slechts zeer beperkt invloed heeft op de budgettaire opbrengst ervan.
nietde enige
relevanteafweging gemaakt, nl. die tussen het belang bij een – door hem immers niet eens gegeven – reden, laat staan een
specific and compelling reasonvoor onvoorzienbaar terugwerkende kracht van belastingheffing en de individuele belangen van de getroffen werkgevers bij ongestoord genot van hun eigendom;
N.K.M., Gállen
R.Sz. had onmiskenbaar ‘bewust gekozen’ voor onvoorzienbaar terugwerkende belastingheffing, maar dat nam de schending van het eigendomsrecht uiteraard niet weg.
Stec and Others, [61] r.o. 52,
Carson and Others, [62] § 61, en
Burden and Burden I [63] ) zo veel mogelijk die toetsing aan het EHRM zelf uitvoert waartoe het EHRM zich in sociaal-economische kwesties bij gebrek aan vergelijkbare kennis van de nationale omstandigheden minder geroepen acht, en dat die nationale rechter niet het standpunt inneemt dat hij niets hoeft te doen zolang het EHRM niet eerst in een (vrijwel) identieke zaak de desbetreffende nationale wetgeving veroordeeld heeft, hetgeen het EHRM juist zo weinig mogelijk doet in die sociaal-economische aangelegenheden omdat hij in zulke zaken de beoordeling juist zo veel mogelijk overlaat aan die
better placednationale rechter. U vergelijke de beschouwingen van Alkema, Van der Hulle en Van der Hulle in hun artikel
Safeguard Rules in the European Legal Order(etc.). [64] Als de nationale rechter niets doet totdat Straatsburg iets doet, terwijl Straatsburg niets doet omdat hij ervan uitgaat dat de nationale rechter
better placedis om het te doen, ontstaat een “na u; neen, na u; neeneen, ik sta erop: na u!”-situatie waarin grondrechten in een handhavingsvacuüm terecht komen.
8.Rechtsherstel
wide marginwordt overschreden), meen ik dat verdergaand rechtsherstel dan dat beschreven in onderdeel 8.2 zonder wetswijziging niet aangewezen is. De wetgever zou immers, gezien uw excessieve-vertrekbeloningenarrest HR BNB 2014/229, (wel) binnen zijn
wide margingebleven zijn als hij de crisisheffing niet eerder dan op aankondigingsdatum had laten aangrijpen, maar aan het feit dat vóór 25 mei 2012 c.q. 17 september 2013 een bepaald inkomen is genoten wel gevolgen had verbonden voor de heffing ter zake van ná die datum liggende gebeurtenissen (loonuitbetalingen).