Conclusie
eerste middelklaagt dat de redelijke termijn (als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM) in cassatie is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
tweede middelkeert zich tegen ’s Hofs verwerping van het door de raadsman in hoger beroep gevoerde bewijsverweer en tegen de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte overwogen dat de aangever [betrokkene 1] de tenlastegelegde, door verzoeker gebezigde woorden niet als metaforen heeft opgevat.
derde middelbehelst de klacht dat het Hof op de terechtzitting van 19 februari 2014 ten onrechte verzoeker het laatste woord heeft ontnomen en hem uit de zittingszaal heeft verwijderd waardoor verzoeker in strijd met zijn kennelijke wens niet (langer) zijn eigen verdediging kon voeren en bij zijn berechting aanwezig kon zijn.