Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
12 mei 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het hof het recht van de verdachte om het laatst te spreken (art. 311, vierde lid Sv) onjuist had beperkt tijdens het hoger beroep in een strafzaak over het bezit van LSD.
De verdachte werd ervan beschuldigd opzettelijk 30 eenheden LSD in bezit te hebben gehad. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep maakte de verdachte gebruik van zijn laatste woord, waarin hij onder meer benadrukte dat hij de drugs niet bewust in bezit had en dat hij geen drugs gebruikte. De voorzitter van het hof onderbrak de verdachte en beperkte hem in zijn laatste woord, omdat de verdachte herhalingen gaf van het pleidooi van zijn raadsvrouw.
De Hoge Raad overwoog dat het recht om het laatst te spreken inhoudt dat de verdachte of diens raadsman als laatste de gelegenheid krijgt om relevante punten aan te voeren. Echter mag de rechter ter voorkoming van herhalingen de verdachte of raadsman erop wijzen dat reeds besproken aspecten niet opnieuw besproken hoeven te worden. De beperking door het hof was daarmee geoorloofd en er is geen rechtsregel geschonden. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof de verdachte terecht heeft beperkt in zijn laatste woord.