Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
10 november 2015.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad bekeek de middelen van cassatie en oordeelde dat het middel dat klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gegrond was. De stukken waren te laat door het hof ingezonden, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro inhoudt.
De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf en verminderde deze tot zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De uitspraak bevestigt het belang van het respecteren van redelijke termijnen in strafprocedures, ook in de cassatiefase, en illustreert de mogelijkheid tot strafvermindering bij overschrijding daarvan.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.