Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
privacyen
family life, overwoog hij:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1.1opent het debat met een rechtsklacht. Deze houdt in dat het hof miskent dat de vraag of de Staat verplicht is een afschrift van het NIFP-rapport aan eisers te verstrekken, moet worden beantwoord aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, en met inachtneming van de relevante omstandigheden.
alleonderzoeken betreffende dit schietincident (met inbegrip van het NIFP-rapport) aan eisers ter beschikking zou stellen. De opmerking van de minister dat hij “maximale transparantie” nastreefde is volgens het hof te algemeen geformuleerd om tot een ander oordeel te komen. Hieruit volgt onmiskenbaar dat het hof van oordeel is dat de minister
nietbij eisers het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij het NIFP-rapport zouden ontvangen.
Onderdeel 1.2klaagt dat de vaststelling dat het NIFP-rapport in het overleg op 6 december 2012 niet is genoemd, onbegrijpelijk is omdat uit het verslag blijkt dat tijdens dit overleg is gesproken over het complete dossier, “inclusief alle onderzoeken die zijn gedaan door bijvoorbeeld de Rijksrecherche, het NIFP en het OM en andere rapporten”.
Onderdeel 1.3voegt hieraan toe dat de beslissing ontoereikend is gemotiveerd omdat het hof het beroep van eisers op de vragen van het Kamerlid Marcouch (te weten: waarom het nodig is, zover te gaan dat de rechter eraan te pas moet komen om het dossier compleet te krijgen, en: of de minister kan aangeven waarom niet het hele dossier naar de slachtoffers mag) en het daarop door de minister gegeven antwoord (te weten: dat hij ervoor zal zorgen “dat de advocaten hun dagvaarding kunnen intrekken”), niet kenbaar in de beoordeling heeft betrokken.
Onderdeel 1.4klaagt dat het hof heeft nagelaten in te gaan op het argument dat de minister zijn uitlatingen deed in reactie op een vraag van het Kamerlid Marcouch naar aanleiding van een brief over de (op dat moment al lopende) procedure in kort geding, waarin de vordering specifiek was gericht op het verkrijgen van het NIFP-rapport. Deze drie motiveringsklachten kunnen gezamenlijk worden besproken.
de ministerhet NIFP-rapport heeft genoemd als één van de rapporten waarvan een kopie aan eisers ter beschikking zou worden gesteld. Het noopte het hof evenmin tot de gevolgtrekking dat de toezegging van de minister met betrekking tot de informatieverstrekking aan eisers, geacht moet worden mede betrekking te hebben op het NIFP-rapport. Het hof is niet zonder motivering aan deze stellingen van eisers voorbijgegaan. Integendeel, het hof heeft het verslag van het overleg op 6 december 2012 in ogenschouw genomen en geoordeeld dat daaruit géén toezegging van de minister kan worden afgeleid met betrekking tot het ter beschikking stellen van het NIFP-rapport aan eisers. Dat oordeel is naar behoren met redenen omkleed en niet onbegrijpelijk. De minister sprak, in reactie op de vraag van het Kamerlid, over het dagvaarden van de Staat door de slachtoffers “ter verkrijging van het rapport van de Rijksrecherche” (blz. 11 van het verslag). Hij zegde toe dat de slachtoffers daarover de beschikking zullen krijgen en vond het niet nodig een kort geding hierover te voeren. Het Kamerlid heeft in de tweede termijn van het debat aangekaart dat de slachtoffers niet slechts om het rapport van de Rijksrecherche hadden gevraagd, maar ook om andere rapporten en vroeg of de ruimhartigheid en transparantie die de minister beloofde, ook gold voor die onderzoeken [19] . Verder vroeg het Kamerlid wanneer de verzochte informatie daadwerkelijk beschikbaar zou worden gesteld. Op die vraag liet de voorzitter weten dat de minister al had gezegd dat dit “binnen enkele dagen, maar in ieder geval in de maand december” zou geschieden. De minister, hierna aan het woord, herhaalde slechts zijn toezegging over het ter beschikkingstelling aan slachtoffers en nabestaanden van het rapport van de Rijksrecherche. De opsomming door de voorzitter van de door de minister gedane toezeggingen vermeldt (als eerste toezegging) slechts de verstrekking van het onderzoeksrapport van de Rijksrecherche [20] . Tegen deze achtergrond falen de motiveringsklachten. De slotsom is dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt.
verwerkenvan persoonsgegevens wordt volgens art. 1, aanhef en onder b, Wbp verstaan: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding, of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, almede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens. Ingevolge art. 1, aanhef en onder g, Wjsg wordt dezelfde begripsomschrijving aangehouden in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. De Wet bescherming persoonsgegevens is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast is deze wet van toepassing op niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een ‘bestand’ zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen (art. 2 Wbp Pro). Een ‘bestand’ is elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen (vgl. art. 1, lid 1 onder c, Wbp).
bevoegdheidvan het OM, niet een
verplichtingvan het OM, tot het verstrekken van strafvorderlijke gegevens. Art. 39f Wjsg brengt mee dat het OM, bij de beoordeling van een verzoek om verstrekking van strafvorderlijke gegevens, het zwaarwegend algemeen belang bij verstrekking dient af te wegen tegen het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de persoon op wie de gegevens betrekking hebben. Bij deze afweging dient het OM, dat de noodzaak van de verstrekking immers moet kunnen aantonen, het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel te betrekken [27] . Daarnaast dient het OM te bezien of de gevraagde verstrekking, een vorm van verdere verwerking, niet onverenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens destijds zijn vastgelegd [28] .
post mortem’-onderzoek voor een psychiatrisch onderzoek na het overlijden is in zwang geraakt nadat het NIFP een onderzoek had ingesteld naar de psychische gesteldheid van de overleden dader van de geruchtmakende aanslag tijdens de viering van Koninginnedag in Apeldoorn in 2009. Een rapportage daarvan is aan de Tweede Kamer ter kennisneming overgelegd [30] . Sindsdien heeft het NIFP meermalen onderzoeken van deze aard uitgevoerd naar de psychische gesteldheid van personen die
homicidehebben gecombineerd met
suïcide, al dan niet in gezinsverband. Het NIFP zelf spreekt van een ‘psychiatrische en psychologische autopsie’. Deze rapporten leveren geen bijdrage aan een beslissing over vervolging van de dader: vervolging van een overledene is niet mogelijk. Zulke rapporten hebben tot doel:
nietvan toepassing zou worden geacht, is mijns inziens de consequentie dat de rechter moet terugvallen op de algemene regeling in de Wet bescherming persoonsgegevens.
post mortempsychiatrisch onderzoek is de onderzoeker aangewezen op informatie uit het patiëntendossier omtrent medische onderzoeken en behandelingen in het verleden (indien en voor zover hem toegang tot dat dossier wordt verleend door degene die het bewaart), op eventueel beschikbaar gekomen informatie van feitelijke aard, zoals voorwerpen, (afscheids)brieven van de dader, video-opnamen, inbeslaggenomen computerbestanden, mails en bewaarde gegevens over computergebruik door de betrokkene e.d. en verder op inlichtingen, verkregen van personen uit de naaste omgeving van de dader zoals familie, vrienden, buren of collega’s. Deze informanten kunnen voorwaarden verbinden aan hun medewerking aan het onderzoek.
onderdelen 2.1 en 2.2dienen slechts ter inleiding en behoeven geen bespreking. De onderdelen 2.3 en 2.4 richten zich tegen het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het Openbaar Ministerie het NIFP-rapport in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg heeft verwerkt (rov. 3.2).
Onderdeel 2.3klaagt dat, voor zover het hof voor een verwerking ‘langs geautomatiseerde weg’ niet voldoende heeft geacht dat het rapport met behulp van tekstverwerking tot stand is gekomen en als zodanig in een geautomatiseerd systeem is opgeslagen, dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip ‘langs geautomatiseerde weg verwerken’.
Onderdeel 2.4klaagt subsidiair over ontoereikende motivering van het oordeel dat niet aannemelijk is dát het OM dit heeft gedaan [36] . Vooruit lopend op hetgeen hierna nog zal worden gezegd over de onderdelen 2.5 – 2.10: indien de Hoge Raad de onderdelen 2.5 – 2.10 (over de vraag of de gegevens zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek) verwerpt, missen eisers belang bij hun klachten in de onderdelen 2.3 en 2.4 over de wijze waarop het OM deze gegevens heeft ontvangen en verwerkt. De Hoge Raad zou, in dat geval, de onderdelen 2.3 en 2.4 onbesproken kunnen laten. Voor het geval de Hoge Raad aan deze klachten toekomt, volgt hierna een korte bespreking.
Onderdeel 2.6klaagt dat, voor zover rov. 3.3 moet worden opgevat in die zin dat een onderzoek met als doel het “verklaren”, “verwerken” en “voorkomen” in geen geval kan kwalificeren als een ‘strafvorderlijk onderzoek’ in de zin van art. 1 Wjsg Pro, het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting: uit de parlementaire geschiedenis van de Wjsg volgt dat het begrip ‘strafvorderlijk onderzoek’ ruim moet worden uitgelegd. Een ruime uitleg brengt volgens eisers mee dat in beginsel
iederonderzoek in opdracht van het OM – althans in het kader van zijn algemene taakstelling betreffende de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde – behoort te worden aangemerkt als een ‘strafvorderlijk onderzoek’ in de zin van art. 1 Wjsg Pro.
Onderdeel 2.8voegt hieraan toe dat niet aannemelijk is dat het Openbaar Ministerie zonder een wettelijke grondslag deze onderzoeksopdracht heeft gegeven.
Onderdeel 2.9klaagt dat het hof geen aandacht heeft besteed aan de stelling van eisers dat het onderzoek door het NIFP deel uitmaakte van een grootschalig opsporingsonderzoek naar de achtergronden van het schietincident, de persoon van de schutter, de identificatie van slachtoffers en mogelijke betrokkenheid van een of meer derden.
Onderdeel 2.10wijst op de stelling van eisers dat aan de zaak (bedoeld zal zijn: aan de ingezonden processen-verbaal over het schietincident) een parketnummer is toegekend.
Onderdeel 2.11besluit dat rov. 3.2 – 3.4 het oordeel van het hof niet kunnen dragen. Om dezelfde reden kan volgens
onderdeel 2.12ook het hierop voortbouwende oordeel in rov. 3.5 niet in stand blijven. Deze motiveringsklachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
onderdelen 3.2 en 3.3bouwen voort op deze klacht. Onderdeel 3.2 benadrukt dat het hof heeft miskend dat het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000 waarnaar het hof verwijst [45] , betrekking had op het recht zoals dit tot 1 januari 2002 luidde. Naar huidig recht staat volgens eisers aan toewijzing van hun op art. 843a lid 1 Rv gebaseerde vordering niet in de weg dat geen rechtsbetrekking bestaat tussen hen en de partij tegen wie de vordering tot afgifte is gericht. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
linktussen de verzoekende partij en het opgevraagde document ontbrak. Aldus opgevat, sloot de bepaling aan bij de traditionele opvatting van een ‘titel’ die tussen verscheidene personen gemeen is. Dit kan met een eenvoudig voorbeeld worden toegelicht. Stel, dat tussen acht personen een maatschapscontract gesloten is – een onderhandse akte die niet in een openbaar register wordt ingeschreven −, dan kan ieder die partij bij die contractuele rechtsbetrekking is, alsook zijn rechtsopvolger, op grond van art. 843a Rv een afschrift opvragen bij een ieder die een exemplaar van deze akte te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Een buitenstaander (zoals bijv. de Belastingdienst) heeft op grond van art. 843a Rv die bevoegdheid niet, ook al heeft hij een rechtmatig belang bij kennisneming van die akte.
steltdat tussen partijen een rechtsbetrekking bestaat en die stelling niet op voorhand onaannemelijk is? Ekelmans heeft beweerd dat dit vereiste zo pleegt te worden verstaan “dat de bescheiden relevant moeten kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil met het oog waarop verstrekking wordt gevraagd.” [53] Een verruiming van het criterium zou aansluiten bij de leer van de processuele mededelingsplichten van procespartijen ten opzichte van elkaar: niet langer een strijdmodel, waarbij partijen ‘hun kaarten achter de hand houden’, maar het ideaal van een transparant en coöperatief zoeken naar een gezamenlijke oplossing voor het conflict, waarbij alle in de procedure betrokken partijen ‘hun kaarten op tafel leggen’. Als nadeel van deze ruime opvatting wordt aangemerkt dat het soms wel heel gemakkelijk is, te stellen dat een rechtsbetrekking (uit onrechtmatige daad) bestaat, teneinde een wederpartij tot afgifte van informatie te dwingen.
per segaan om een rechtsbetrekking tussen de partij die afschrift van een bepaald document verzoekt en degene tot wie het verzoek is gericht? De tekst van art. 843a Rv sluit niet uit dat de vordering wordt gericht tegen een derde, op de grond dat deze, hetzij toevallig hetzij op grond van enige rechtsbetrekking, het verlangde document te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
discovery’) [65] opgemerkt dat er al ruime mogelijkheden bestaan voor bewijsgaring en bewijslevering door middel van getuigenverhoor, doch bewijsgaring via documenten/gegevens die zich in handen van anderen bevinden aan meer restricties is onderworpen. De Adviescommissie beschouwde dit verschil als opmerkelijk, omdat bewijs door middel van getuigen in de praktijk dikwijls minder duidelijkheid schept en als minder betrouwbaar wordt ervaren dan bewijs door middel van geschriften (par. 12). De Adviescommissie stelde dat zowel op de procespartijen als op derden een verplichting rust om mee te werken aan het ophelderen van het voor een burgerrechtelijk geding relevante feitencomplex. Dat ook derden naar huidig recht verplicht zijn tot het verlenen van medewerking, laat zich volgens de commissie afleiden uit de omstandigheid dat derden als getuige, en onder omstandigheden ook in het kader van de exhibitieplicht van art. 843a Rv, verplicht zijn om mee te werken aan de opheldering van feiten. Volgens de Adviescommissie draagt hiertoe bij, dat het belang van de waarheidsvinding in het algemeen behoort te prevaleren boven het belang van derden om verschoond te blijven van enige belasting in verband met de opheldering van feiten in een geschil waarbij zij niet als partij zijn betrokken (par. 14).