ECLI:NL:HR:2013:BY6111
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toepassing van art. 843a Rv in kort geding tijdens lopende bodemprocedure
In deze zaak vordert Prorail in kort geding dat DB Schenker een brondocument aflevert dat relevant is voor een lopende bodemprocedure over schadevergoeding na een ontsporing. De rechtbank en het hof hebben reeds geoordeeld dat DB Schenker gehouden is het document aan de deskundige te verstrekken.
De Hoge Raad onderzoekt of een vordering op grond van art. 843a Rv in kort geding mogelijk is terwijl de bodemprocedure nog loopt. De Raad concludeert dat noch de tekst noch de wetsgeschiedenis van art. 843a Rv een dergelijke beperking bevat. Wel kan het bestaan van een bodemprocedure meewegen bij de beoordeling van het spoedeisend belang en de terughoudendheid van de kortgedingrechter.
DB Schenker voerde aan dat toewijzing in kort geding onomkeerbare gevolgen kan hebben, maar de Hoge Raad oordeelt dat dit geen grond is voor niet-ontvankelijkheid. Het beroep wordt verworpen en DB Schenker wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een vordering op grond van art. 843a Rv ook in kort geding mogelijk is tijdens een lopende bodemprocedure en verwerpt het cassatieberoep van DB Schenker.