Uitspraak
Exhibit A
11 maart 1994.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een rogatoire commissie van een Amerikaanse rechtbank die getuigenis van notarissen verlangt over de totstandkoming en uitleg van een notarieel vastgelegde koopovereenkomst betreffende de verkoop van een onderneming. De notarissen beriepen zich op hun verschoningsrecht, maar de rechtbank verwierp dit en het hof verklaarde het beroep op verschoningsrecht gegrond.
De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof en stelt dat een notaris zich niet kan verschonen voor vragen over de totstandkoming en uitleg van een notariële akte tussen partijen die hij heeft bijgestaan, ook niet als er gespecialiseerde advocaten betrokken waren. Dit geldt echter niet voor een geschil met een derde partij die niet bij de overeenkomst betrokken is, tenzij de informatie aan de notaris als vertrouwelijk is toevertrouwd en verborgen moet blijven voor derden.
De Hoge Raad benadrukt dat het verschoningsrecht van de notaris zich vooral uitstrekt tot vertrouwelijke voorbereidende stukken en correspondentie, maar niet tot de inhoud van de notariële akte zelf. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling, waarbij de notarissen zich per vraag kunnen beroepen op het verschoningsrecht. Tevens wordt bepaald dat de notarissen de kosten van het cassatiegeding dragen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling waarbij notarissen zich per vraag op het verschoningsrecht kunnen beroepen.