De zaak betreft een verdachte die in 2007 ongewenst werd verklaard en uitgezet naar Marokko, waarna hij in 2012 opnieuw illegaal in Nederland werd aangetroffen. Het hof veroordeelde hem tot twee maanden gevangenisstraf wegens verblijf als ongewenst vreemdeling. De verdediging voerde aan dat de verdachte niet wist van de ongewenstverklaring en dat de strafoplegging in strijd was met de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG.
De Hoge Raad overweegt dat de strafoplegging in overeenstemming moet zijn met de Terugkeerrichtlijn, die een doeltreffend terugkeerbeleid beoogt. Indien de terugkeerprocedure volledig is doorlopen en de vreemdeling daadwerkelijk is uitgezet, kan strafoplegging volgen bij illegale terugkeer, zonder dat de rechter opnieuw moet toetsen of alle stappen zijn doorlopen.
De Hoge Raad bevestigt dat de ongewenstverklaring gelijkgesteld kan worden met een inreisverbod en dat de termijn van vijf jaar voor strafrechtelijke handhaving vanaf het moment van vertrek of ongewenstverklaring geldt. In dit geval viel de strafoplegging binnen die termijn. Ook hoeft bij hernieuwde illegale terugkeer niet opnieuw de terugkeerprocedure te worden doorlopen voordat straf kan volgen.
De conclusie is dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de terugkeerrichtlijn niet in de weg staat aan de strafoplegging en dat de opgelegde straf passend is. Het beroep in cassatie wordt verworpen.