ECLI:NL:RVS:2012:BY8238
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ongewenstverklaring wegens strijd met Terugkeerrichtlijn
De vreemdeling werd op 31 maart 2011 ongewenst verklaard door de staatssecretaris, waarbij de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht werd ingetrokken. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 9 november 2011 ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit eveneens ongegrond.
De Raad van State oordeelt dat een ongewenstverklaring, hoewel deze uitsluitend betrekking heeft op het Nederlandse grondgebied, onder de definitie van een inreisverbod valt zoals bedoeld in de Terugkeerrichtlijn. De staatssecretaris heeft echter nagelaten de duur van de ongewenstverklaring te bepalen conform artikel 11, tweede lid, van die richtlijn, waarin staat dat de duur van het inreisverbod moet worden vastgesteld op basis van alle relevante omstandigheden en in principe niet langer dan vijf jaar mag zijn.
Omdat de ongewenstverklaring voor onbepaalde tijd is opgelegd en dit niet is gemotiveerd, is het besluit in strijd met de Terugkeerrichtlijn. De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het besluit van 9 november 2011 en beveelt de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot ongewenstverklaring wordt vernietigd wegens strijd met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.