ECLI:NL:RVS:2012:BV9261
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling terugkeerbesluit in ongewenstverklaring en beoordeling maatregel vreemdelingenbewaring
In deze zaak staat centraal of een besluit tot ongewenstverklaring, genomen vóór de implementatie van de Terugkeerrichtlijn en de Vreemdelingenwet 2000, ook als terugkeerbesluit kan gelden. De vreemdeling was in 1998 ongewenst verklaard en werd in 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank had de bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend, maar de minister ging in hoger beroep.
De Raad van State stelt vast dat het besluit van 20 juli 1998, waarin de vreemdeling werd ongewenst verklaard en moest vertrekken, de vereiste administratieve vaststelling bevat dat het verblijf onrechtmatig is en een terugkeerverplichting geldt. Hierdoor is geen afzonderlijk terugkeerbesluit nodig. De rechtbank had dit niet onderkend en de uitspraak vernietigd.
Verder oordeelt de Raad dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd is, omdat de vreemdeling geen identiteitspapieren heeft, geen vaste verblijfplaats, meerdere aliassen gebruikt en geen intentie toont om vrijwillig te vertrekken. Ook is de minister voldoende voortvarend geweest bij de voorbereiding van de uitzetting. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de maatregel van vreemdelingenbewaring gehandhaafd.