Conclusie
1.[verweerder 1],
[verweerder 2],
1.Inleiding
2.Bespreking van het middel
eerste klachtis de onrechtmatige verkrijging van het bewijs reeds gegeven met de presumptie van het gerechtshof, dat het bepaalde in art. 10 de Pro Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten (verder: Wet AVV) een vakbond slechts de mogelijkheid biedt een onderzoek door de Arbeidsinspectie te verzoeken met het oog op een door haarzelf (namens haar leden) te voeren rechtsgeding, terwijl vaststaat dat het rapport van de Arbeidsinspectie is gebruikt voor een procedure door twee individuele werknemers aangespannen. Het hof had moeten oordelen dat het bewijs onrechtmatig verkregen is, want verkregen in strijd met wettelijke bepalingen - zoals door het gerechtshof aangenomen - en vervolgens aan de hand van een belangenafweging moeten oordelen of het rapport desalniettemin als bewijs in de procedure toelaatbaar was.
tweede klachtkan de overweging, dat het onderzoek niet is aangevraagd door [verweerders] zelf maar door FNV Bouw die daarbij als vertegenwoordigster van haar leden in beginsel mede een eigen belang had, de beslissing van het hof dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs niet dragen nu die stelling niet door [verweerders] c.s. is betrokken. Het middel wijst in dat verband op de stellingname van de zijde van [verweerders] in nr. 38 van de memorie na verwijzing van 16 augustus 2011, waaruit volgens het middel blijkt dat het onderzoek door de Arbeidsinspectie kennelijk is gevraagd in verband met de onderhavige procedure, ingesteld door twee individuele leden van de vakbond.
derde klachtkan de overweging, dat niet is gebleken dat [eiser] bij de minister heeft geprotesteerd tegen inwilliging van het verzoek van FNV Bouw tot het doen uitvoeren van een onderzoek op grond van art. 10 Wet Pro AVV, de beslissing van het hof dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs evenmin dragen nu er op dat moment nog geen sprake van was dat de resultaten van dit onderzoek gebruikt zouden worden in de onderhavige procedure zodat dit feit niet van belang kan zijn bij de beoordeling van de vraag of sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.
De ondergeteekenden achten dit principieel niet gewenscht. Ook de naleving van de bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten en van de bepalingen van dwingend recht in de Wet op de Arbeidsovereenkomst is alleen door civielrechtelijke sancties verzekerd.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
Er bestaan in elk geval heel wat minder waarborgen voor een goede naleving van de verbindend verklaarde overeenkomst, wanneer het een niet georganiseerden patroon dan wanneer liet een georganiseerden betreft.Dit kan niet in de bedoeling der Regeering liggen.
Er moet ten aanzien van beide categorieën even groote zekerheid bestaan, dat de bepalingen worden nageleefd. Dit nu is alleen mogelijk, wanneer een onpartijdig lichaam met de controle belast wordt en aan dat lichaam ruime bevoegdheden worden verleend.In het bijzonder geldt dit voor bepalingen omtrent het aantal leerlingen, omtrent getalsverhoudingen tusschen oudere en jongere arbeiders en soortgelijke bepalingen. Of zoodanige voorschriften worden nageleefd, is voor iemand, die niet over alle gegevens betreffende leeftijden, loonen, enz. beschikt, niet na te gaan. Men kan een klacht tegen een werkgever, die van overtreding van zulke bepalingen verdacht wordt, niet formuleeren, wanneer deze de daarvoor noodige gegevens geheim houdt. Het ontbreken van bepalingen omtrent de controle bevreemdde de hier aan het woord zijnde leden te meer, omdat in de wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van ondernemersovereenkomsten een regeling van dit onderwerp wèl voorkomt. Zij drongen er op aan, een overeenkomstige regeling alsnog ook in dit wetsontwerp op te nemen. Sommige andere leden, erkennende, dat toezicht niet kan worden gemist, wil het ontwerp, wet geworden, effect hebben, stelden de vraag, of de Arbeidsinspectie niet met dit toezicht kan worden belast.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
dat de Arbeidsinspectie op een neutraal standpunt staat, dergelijke aangelegenheden objectief onderzoekt, zonder eenige vooringenomenheid. Men moet zich nu voorstellen, dat er komt een controleur of accountant van den Bedrijfsraad bij iemand, ten aanzien van wien gegronde redenen aanwezig zijn om te vermoeden, dat hij de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst niet nauwkeurig nakomt; zoo iemand zal niet zijn een vooraanstaande in de organisatie, misschien is hij een ongeorganiseerde, die door de verbindendverklaring onder de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst is gebracht. Zoo iemand zal zeer huiverig zijn om den controleur alles te zeggen, wat er te vertellen valt. Hij zal dien controleur zien als een tegenstander, als iemand, door zijn concurrenten gezonden, die komt kijken naar zijn boeken en bescheiden, zijn technische outillage, enz., om daarvan aan zijn concurrenten mededeeling te doen. Dat maakt het wel buitengewoon moeilijk, een dergelijk onderzoek in te stellen.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
Dat ging mij te ver, want in die bedrijfsraden zitten, naast werknemers, ook werkgevers, en dat zijn de concurrenten van hen, die gecontroleerd moeten worden. Nu stond er in het amendement wel een geheimhoudingsplicht, maar dat loste de bezwaren niet op, want ook wanneer men zich strik
taan die geheimhouding houdt en niemand iets oververtelt, kan men hetgeen men in de boeken gezien heeft, voor zich zelf houden en daarmede zijn voordeel doen.
Dat was voor mij het overwegende bezwaar, maar tegen een controle-instantie op zich zelf heb ik geen bezwaar, en daarom heb ik, ter tegemoetkoming aan dien wensch, zelf art. 9a geformuleerd, dat hierop neerkomt, dat de bedrijfsraden de toezichthoudende taak behouden en dat zij, indien zij ernstige reden hebben om te vermoeden, dat de collectieve arbeidsovereenkomst in een bepaalde onderneming niet wordt nageleefd, zich kunnen wenden tot den Minister. Deze zal dan zijn directeur-generaal van den arbeid opdragen een onderzoek in te stellen, en die zal, na onderzoek door zijn inspecteurs, hun bevindingen aan den Minister mededeelen door middel van een rapport; en de Minister zal dan het resultaat van het onderzoek aan den Bedrijfsraad mededeelen.
lid 2Wet AVV eerst in werking getreden op 1 januari 2014. [29] Met deze bepaling werd de kring van personen, die de minister om een onderzoek kunnen vragen, uitgebreid. Ter toelichting werd opgemerkt: [30]
) biedt aan een of meer verenigingen van werkgevers of werknemers de mogelijkheid, wanneer zij het vermoeden hebben dat een of meer algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen niet of niet in voldoende mate worden nageleefd, met het oog op een rechtsvordering een onderzoek te doen instellen door de Minister van SZW. In toenemende mate proberen bedrijven via het niet naleven van algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen te concurreren op arbeidsvoorwaarden om zodoende tegen lagere arbeidskosten te kunnen produceren. Daarbij wordt steeds vaker gebruik gemaakt van internationale constructies. In een aantal sectoren hebben sociale partners initiatieven ontplooid die erop zijn gericht de naleving van de algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen in de eigen sector te bevorderen. Bijvoorbeeld de SNCU die toeziet op de naleving van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de uitzendcao.
In de huidige formulering van artikel 10 Wet Pro avv wordt alleen aan verenigingen van werkgevers en van werknemers de mogelijkheid geboden om een onderzoek naar de naleving van algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen te doen instellen en dus niet aan de daartoe door sociale partners aangewezen instanties. Zij kunnen dus nu geen partij zijn in een artikel 10 Wet Pro avv-procedure.Met het nieuwe tweede lid wordt het voor werkgevers en werknemers uit een sector mogelijk om gezamenlijk de minister om een onderzoek te verzoeken. De minister bepaalt of het verzoek wordt gehonoreerd. Het is dus geen vanzelfsprekendheid dat ieder verzoek wordt ingewilligd.
Hierdoor wint de in artikel 10 wet Pro Avv gegeven bevoegdheid aan kracht omdat deskundigheid van zowel werkgevers als werknemers kan worden ingezet bij het doen van een verzoek. Uit de recente praktijk is gebleken dat het buitengewoon lastig is om een vermoeden dat een of meer bepalingen uit een cao niet wordt nageleefd te onderbouwen. Deze onderbouwing is een noodzakelijke voorwaarde voor het doen van een verzoek aan de minister van SZW.
De regering gaat ervan uit dat hiermee een impuls wordt gegeven aan de inzet van deze bevoegdheid van sociale partners en dat daarmee schijnconstructies in bepaalde sectoren beter kunnen worden aangepakt.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
verkregenen, zo ja, b) mag het bewijs al dan niet worden
gebruikt?
eerste klachtvan onderdeel 1 naar mijn mening niet op. Deze klacht berust immers op een onjuist uitgangspunt voor zover daarin wordt verondersteld dat, indien de bond in strijd met art. 10 Wet Pro AVV heeft gehandeld, het rapport dus ook door [verweerders] onrechtmatig is verkregen.
tweede klachtvan onderdeel 1. De omstandigheid dat het onderzoek door (de advocaat in dienstbetrekking bij) de bond kennelijk is aangevraagd in verband met de onderhavige procedure, zoals de klacht m.i. terecht tot uitgangspunt neemt, staat naar mijn mening niet in de weg aan het oordeel van het hof dat FNV Bouw daarbij als vertegenwoordigster van (de belangen van) haar leden mede een eigen belang had. [42] De tweede klacht faalt daarom.
eerste klachtvan onderdeel 1, welke vervolgt met de stelling dat het hof aan de hand van een belangenafweging had moeten oordelen of het rapport desalniettemin als bewijs in de procedure toelaatbaar was.
derde klachtvan onderdeel 1 geen bespreking meer.